Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.3.6
4.3.6 Het eigendomsvoorbehoud en het beoogde lid 3 van art. 3:4 BW
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644861:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De inschrijving zou zo bestanddeelvorming voorkomen: “Het derde lid dient om hem, die onder eigendomsvoorbehoud een roerende zaak verkocht en geleverd heeft, te beschermen tegen een mogelijk aard- of nagelvast verbinden van het gekochte met een onroerende zaak. Is dit eigendomsvoorbehoud in de registers ingeschreven, dan wordt daardoor voorkomen dat de verkochte zaak een bestanddeel van een bepaalde onroerende zaak wordt (TM, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 72).”
Beekhuis, Opstall-bundel (1972), p. 13.
VV II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 73.
Meijers had in zijn Ontwerp een derde lid opgenomen bij art. 3.1.1.3 (thans art. 3:4 BW) dat luidde:
“De verkoper van een roerende zaak, die zich bij akte ondanks de levering de eigendom heeft voorbehouden totdat de koopprijs volledig is voldaan, kan, door de akte in de openbare registers te doen inschrijven, voorkomen dat de verkochte zaak vóór de betaling tot een bestanddeel van een bepaalde onroerende zaak wordt gemaakt.”
Een leverancier onder eigendomsvoorbehoud kon door inschrijving van een akte in de daartoe bestemde openbare registers zijn eigendom voorbehouden ondanks dat de geleverde zaak werd verbonden met een onroerende zaak. De inschrijving voorkwam bestanddeelvorming en daarmee natrekking, ook al was sprake van een duurzame vereniging met de onroerende zaak.1 Hier is sprake van een andere regeling dan onder het Romeinse recht. Naar Romeins recht werd het eigendomsrecht na de verbinding een slapend recht of beter gezegd de revindicatie was niet mogelijk. De eigenaar van de eenheidszaak was eigenaar van de gehele zaak. De leverancier kon via de actio ad exhibendum afscheiding vorderen. Na de afscheiding herleefde de revindicatie van de leverancier. De regeling van lid 3 Ontwerp BW daarentegen doorbrak bestanddeelvorming, waardoor de leverancier tijdens de verbinding een “actief” eigendomsrecht had op de geleverde zaak. De regel vormde zo een uitzondering op de natrekkingsregels. De leverancier zou zijn zaak van de onroerende zaak kunnen opeisen. De regeling lijkt op hetgeen Beekhuis voor ogen had.2 Hij stelde dat als zaken gemakkelijk van elkaar gescheiden konden worden én eenvoudig vervangen konden worden door andere (soortgelijke) zaken, er geen bestanddeelvorming plaatsvond. Volgens Beekhuis lag daar de grens van het eenheidsbeginsel. Het verschil tussen deze gedachte en lid drie uit het ontwerp van Meijers was dat lid drie het mogelijk maakte om door de inschrijving de bestanddeelvorming te doorbreken, terwijl Beekhuis helemaal geen bestanddeelvorming aannam.
In het Voorlopig Verslag (VV) valt te lezen dat de commissie het derde lid te beperkt vond. Het was allereerst slechts van toepassing op die gevallen waarin een roerende zaak met een onroerende zaak zou worden verbonden. Als sprake was van een verbinding van twee roerende zaken, gold de bescherming niet. Daarnaast kon alleen een verkoper zich beroepen op lid drie en niet bijvoorbeeld de bruikleengever, wiens zaak door de bruiklener werd verbonden met een onroerende zaak. De commissie stelde daarom voor om de regeling uit te breiden. De commissie deed daarnaast de suggestie om de inschrijving, en daarmee het rechtsgevolg, na twee of drie jaar te laten vervallen.3 Ze vond het niet wenselijk dat een eigendomsvoorbehoud voor altijd in de registers kon blijven staan.