Voor zover in cassatie van belang.
HR, 28-06-2013, nr. 13/02096
ECLI:NL:HR:2013:51
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-06-2013
- Zaaknummer
13/02096
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:51, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑06‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA1230, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:CA1230, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑05‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:51, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑06‑2013
Partij(en)
28 juni 2013
Eerste Kamer
13/02096
TT/DH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
het vonnis in de zaak 133646 FT RK 1409/12 van de rechtbank Oost-Nederland, locatie Almelo van 31 januari 2013;
het arrest in de zaak 200.121.450 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 april 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van 80a RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2.1 en 2.2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroepniet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 28 juni 2013.
Conclusie 17‑05‑2013
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
Conclusie inzake:
[verzoeker]
verzoeker tot cassatie,
(hierna: verzoeker)
1. Feiten en procesverloop1.
1.1
Verzoeker heeft op 5 december 2012 een verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend bij de rechtbank Oost-Nederland. Het verzoek is ter zitting van 17 januari 2013 behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen.
1.2
Bij vonnis van 31 januari 2013 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen op grond van art. 288 lid 1 aanhef en onder b Fw, nu verzoeker onvoldoende informatie had verstrekt, waardoor onvoldoende aannemelijk was geworden dat hij te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek.
Allereerst heeft verzoeker onvoldoende inlichtingen verstrekt over de diverse tijdstippen waarop de schulden zijn ontstaan en heeft hij geen verklaring kunnen geven voor het feit dat een aantal zakelijke schulden is ontstaan nadat hij zijn bedrijf al had beëindigd. Voorts bleek uit het schuldenoverzicht dat verzoeker een aantal financieringen is aangegaan op een moment dat zijn bedrijf, met een aanzienlijke schuldenlast, was beëindigd, waarvoor verzoeker evenmin een verklaring heeft kunnen geven. Voorts was gebleken dat het door verzoeker bij zijn verzoek overgelegde schuldenoverzicht niet klopte. Verzoeker had naar het oordeel van de rechtbank vóór de indiening van het verzoekschrift de stukken op juistheid kunnen en moeten beoordelen en had wijzigingen moeten aanbrengen.
1.3
Verzoeker is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden; het hoger beroep is op 8 april 2013 mondeling behandeld.
Bij arrest van 15 april 2013 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2. Ontvankelijkheid
2.1
Het cassatieberoep bestaat uit twee middelen, waarbij het tweede middel voortbouwt op het eerste. Beide middelen kunnen kennelijk niet tot cassatie leiden, nu zij de Hoge Raad naar de kern genomen vragen opnieuw over de feiten te oordelen (‘Onderdeel I’) en daarnaast de klacht inhouden dat de financiële crisis het ontstaan van de schulden van verzoeker niet-verwijtbaar maakt (‘Onderdeel II’).
2.2
De vaststelling van de gronden waarop het hof het oordeel baseert dat de goede trouw van verzoeker met betrekking tot het doen ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden niet voldoende aannemelijk is gemaakt, alsmede dit oordeel zelf zijn volgens vaste rechtspraak oordelen van feitelijke aard. Dergelijke oordelen komen slechts voor cassatie in aanmerking wanneer zij niet begrijpelijk zijn, of in ieder geval niet voldoende gemotiveerd.
Het hof heeft onweersproken vastgesteld dat aan verzoeker in de loop van 2008 bleek dat twee grote debiteuren de facturen van ongeveer € 32.000 respectievelijk € 8.000 niet betaalden en niet zouden betalen. Voorts zag verzoeker vanaf het laatste kwartaal van 2008 geen kans meer om de motorrijtuigenbelasting voor zijn geleasede bedrijfsbus te voldoen, hetgeen indicatief was voor het gebrek aan cashflow in zijn onderneming. Gegeven die omstandigheden is onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd het oordeel van het hof in r.o. 3.4 dat het onverantwoord was om in een toch al verder dalende bouwmarkt een doorstart te organiseren met leningen van ROZ van 26 maart 2009 à € 20.000 en van 18 juni 2009 à nog eens € 15.000, alsmede om sedert begin 2009 schulden aan de Belastingdienst en leveranciers en in privé (waaronder ziektekostenpremie) te laten ontstaan dan wel verder te laten oplopen. Nu de overwegingen het bestreden oordeel kunnen dragen, falen de middelen.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑05‑2013