Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/20.3.5:20.3.5 Stap 4a: Aanspraken die op basis van de wet een subjectief recht automatisch aanvullen
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/20.3.5
20.3.5 Stap 4a: Aanspraken die op basis van de wet een subjectief recht automatisch aanvullen
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300483:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In zulke gevallen eindigt de mogelijkheid om de borg aan te spreken als gevolg van overgang van de door de borgtocht gesecureerde vordering; zie Blomkwist 2012, para. 10, p. 27.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
836. De vierde stap heeft twee mogelijke uitkomsten, die ieder ervoor kun nen zorgen dat aanspraken overgaan op degene die een subjectief recht verkrijgt. In beide gevallen kan worden gezegd dat het subjectieve recht met deze aanspraken wordt ‘aangevuld’. De eerste daarvan bespreek ik hier: het automatisch aanvullen van subjectieve rechten door de regeling voor afhankelijke rechten of kwalitatieve rechten. Het verschil met het door partijen zelf overeenkomen dat een subjectief recht wordt aangevuld, hetgeen ik hierna bespreek, is dat het de overheid is die bepaalt dat afhankelijke rechten en kwalitatieve rechten automatisch overgaan op de verkrijger van het subjectieve recht of het goed waar ze bij horen. Dat kan slechts in geval len waarin de overheid ervan overtuigd is dat door het automatisch aan vullen géén van de betrokken partijen wordt benadeeld. Dat is alleen zo indien degene die zijn subjectieve recht overdraagt en daardoor de daarmee samenhangende aanspraken verliest, geen enkel zelfstandig belang meer bij die aanspraken zou hebben na de overdracht (zie paragraaf 7.5.4.2).
837. In paragraaf 14.7.3 heb ik al een aantal voorbeelden gegeven van aan spraken die wel afhankelijk worden genoemd, maar niet aan de bovenstaande omschrijving voldoen. Het betreft het aandeel in een mandelige zaak en het afhankelijk opstalrecht (en, afhankelijk van hoe men de rechtsfiguur precies interpreteert, rechten uit borgtocht). Het is opvallend dat dit precies de drie subjectieve rechten zijn waarvan de overheid het nodig heeft gevonden om ze in de wet als afhankelijk aan te merken (art. 5:63 lid 1 BW, art. 5:101 lid 2 BW, respectievelijk art. 7:851 lid 1 BW). Daardoor is in ieder geval duidelijk dat de overheid heeft beoogd dat deze aanspraken overgaan met de subjectieve rechten waar ze mee samenhangen. Dat de kwalificatie als afhankelijke rechten niet helemaal juist is, is niet zo’n punt; voor het aandeel in een mandelige zaak en de borgtocht zou de juiste kwa lificatie tot dezelfde uitkomst leiden. Het aandeel in een mandelige zaak kan mijns inziens beter gezien worden als een wettelijke uitbreiding van een rechtsobject, net zoals dat gebeurt door bestanddeelvorming. Het aparte aan mandeligheid is dat deze ook door partijafspraak tot stand kan wor den gebracht. De bezwaren die daartegen bij de bestanddeelvorming bestaan, worden bij de mandeligheid weggenomen door de vereiste publiciteit door middel van inschrijving in de openbare registers. De rechten uit borgtocht kunnen evengoed worden vormgegeven als een aan een bepaalde partij verschafte garantie, die onder bepaalde voorwaarden (éérst betaling proberen te verkrijgen van de hoofdschuldenaar) kan worden ingeroepen. Het enige verschil is dat bij een dergelijke garantie de inroepbaarheid door opvolgend verkrijgers moet worden bedongen, terwijl de wettelijke regeling voor rechten uit borgtocht van deze inroepbaarheid uitgaat, tenzij anders is bedongen.1