Intellectuele eigendom in het conflictenrecht
Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/2.1.3:2.1.3 Resumé
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/2.1.3
2.1.3 Resumé
Documentgegevens:
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS467634:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Daarnaast ontstonden complicaties door de meestbegunstigingsclausule, die ook een uitzondering vormde op het in het beginsel van nationale behandeling besloten liggende non-discriminatiebeginsel. Dergelijke clausules konden bijvoorbeeld het aantal bij de vergelijkingsexercitie in aanmerking te nemen wetten verveelvoudigen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
165. Problemen met stelsel van bilaterale verdragen. Resumeren wij de problemen die zich voordeden in het stelsel van de bilaterale verdragen dat vanaf 1840 in Europa was opgetrokken, en waarop de Berner Conventie het antwoord zou vormen. Welnu, dit stelsel van bilaterale verdragen was een doolhof geworden, waarin men dikwijls vergeefs zocht naar effectieve bescherming. Het stelsel was instabiel en onoverzichtelijk. In ons aandachtsveld waren er complicaties ontstaan rond het beginsel van nationale behandeling. Dit beginsel werd niet onverkort toegepast. Er werden twee uitzonderingen op gemaakt waardoor, naast de ingevolge dit beginsel toepasselijke wet van het land van import, ook de lex originis ook een rol kreeg toebedeeld.
166. Uitzondering 1: deelconflictregel. Ten eerste werd regelmatig een uitzondering gemaakt op de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling. Zij betrof de in acht te nemen formaliteiten. Op dit aspect van de auteursrechtelijke bescherming werd de lex originis dan toepasselijk verklaard (dépegage). Deze lex originis-uitzondering leverde weinig problemen op. Integendeel, zij werd beschouwd als een stap voorwaarts uit de heersende formaliteitenchaos, welke chaos werd veroorzaakt doordat de verdragen zelf allerhande formaliteiten stelden. Als deze bij verdrag opgelegde formaliteiten werden geschrapt en de auteur enkel nog de formaliteiten van de lex originis in acht moest nemen, was dat een grote verbetering. Aldus had de auteur immers alleen nog maar te maken met de formaliteiten in het land van oorsprong, dat doorgaans zijn eigen land was.
167. Uitzondering 2: materiële-reciprociteitsuitzondering. De tweede uitzondering, die veelvuldig werd gemaakt, was daarentegen wel problematisch. Dit was een uitzondering op de vreemdelingenrechtelijke regel in het beginsel van nationale behandeling (het non-discriminatiebeginsel) door welke uitzondering vreemde werken of vreemde auteurs onder de wet van het land van import niet méér bescherming konden krijgen dan hun lex originis kende. Zo moest, voor wat betreft de door deze materiële-reciprociteitsuitzondering bestreken aspecten van de bescherming, de lex originis worden geconsulteerd (`toegepast') om het resultaat onder de wet van het land van import eventueel naar beneden toe bij te stellen. Deze lex originis-uitzondering was in de praktijk dikwijls erg ruim opgezet (of zij werd zo uitgelegd); zij bestreek in de praktijk namelijk behalve de duur, doorgaans ook het bestaan en de omvang van de bescherming. Zo leidde zij tot een vrijwel integrale vergelijking van twee rechtsstelsels; dat was een moeizame aangelegenheid met een groot risico van misverstanden, misslagen en misbruik. Dat was niet alleen buitengewoon ongemakkelijk voor de betrokkenen, zoals auteurs, uitgevers en rechters, het reed ook een effectieve internationale bescherming van de rechten van de auteur in de wielen. Zo vertroebelde deze materiële-reciprociteitsuitzondering de heldere oplossing van het beginsel van nationale behandeling, en vormde zij een van de problemen waarin de wirwar van de bilaterale verdragen vastliep.1