Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/13.6.2
13.6.2 Informatieverplichtingen komen bij de verplichting tot het doen van belastingaangifte
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494644:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In art. 6, lid 3 AWR is vastgelegd dat degene die in de daarbij omschreven omstandigheden verkeert, bij ministeriële regeling kan worden verplicht om binnen een te stellen termijn om een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken. De uitwerking hiervan is te vinden in art. 2 (voor aanslagbelastingen) en art. 3 (voor aangiftebelastingen) van de Uitv.reg. AWR.
Zie nader Feteris 2007 en De Blieck e.a. 2013. Ter zake van aangiftebelastingen zie men uitgebreid Feteris 2005.
Een uitzondering vormen de gemeentelijke onroerendezaakbelastingen. Zie De Blieck e.a. 2013, p. 104.
Zie over de waarneming ter plaatse § 13.6.4 hierna.
Zie nader V-N 2011/22.7.
Zie § 13.6.7.1 hierna.
Dit in afwijking van de toezichtsbevoegdheden die in titel 5.2 van de Awb zijn vastgelegd (zie art. 1, lid 3 AWR). De voorschriften in titel 5.2 van de Awb hebben mogelijk wel interpretatieve waarde voor de fiscale informatieverplichtingen.
Art. 56 AWR schrijft voor dat de verplichtingen mede gelden tegenover iedere door de minister van Financiën aangewezen andere ambtenaar van de Belastingdienst. Zie in dit verband art. 10 Uitv.reg. Belastingdienst 2003. Daarin is vastgelegd dat de verplichtingen die op grond van art. 47 e.v. AWR bestaan tegenover de inspecteur, mede bestaan tegenover de directeur van de FIOD alsmede tegenover de door deze directeur aangewezen ambtenaren van de Belastingdienst.
In het systeem van de AWR komen de bijkomende informatieverplichtingen zoals gezegd naast de (centrale) verplichting tot het doen van belastingaangifte. In de aangifte worden gegevens verstrekt die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Uitgangspunt van de regeling van de fiscale aangifteplicht in hoofdstuk 2 van de AWR is dat die verplichting niet rechtstreeks voortvloeit uit de wet. art. 6, lid 1 AWR bepaalt dat de inspecteur betreffende belastingen die door middel van een aanslag worden geheven dan wel op aangifte worden voldaan of afgedragen, degene die naar zijn mening vermoedelijk belasting- of inhoudingsplichtig is, kan uitnodigen tot het doen van aangifte.1 De uitnodiging tot het doen van aangifte wordt op grond van art. 6, lid 2 AWR in elk geval ook gedaan jegens degene die daarom verzoekt.2
Art. 7 AWR schrijft voor dat in de uitnodiging tot het doen van aangifte opgave wordt verlangd van gegevens.3 Op grond van art. 8 AWR moeten de gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden ingevuld, ondertekend en ingeleverd of toegezonden.4 Dergelijke handelingen zullen in toenemende mate digitaal plaatsvinden.
Aangifte- en aanslagbelastingen
De betekenis van de belastingaangifte verschilt naar gelang de manier waarop een belasting wordt geheven. De AWR maakt een onderscheid tussen belastingen die bij wege van aanslag worden geheven (aanslagbelastingen) en belastingen die bij wege van voldoening of afdracht op aangifte worden geheven (aangiftebelastingen).5 Voor aanslagbelastingen zoals de inkomsten- en vennootschapsbelasting, is de aangifte een hulpmiddel voor de inspecteur bij de vaststelling van de belastingschuld door middel van een aanslag.6 In de aangifte worden dan gegevens gevraagd ten behoeve van het opleggen van een aanslag.
Voor aangiftebelastingen zoals de loon- en omzetbelasting, heeft de aangifte een andere betekenis. Bij deze heffingstechniek moet de belasting- of inhoudingsplichtige de door hem op grond van de belastingwet te betalen bedragen in de aangifte vermelden. Omdat door de betaling op aangifte de heffing in wezen is voltooid, is de aangifte bij aangiftebelastingen geen hulpmiddel. Zij is een schriftelijke verantwoording van de belasting- of inhoudingsplichtige aan de inspecteur dat hij heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichting om de heffing te regelen.
De inspecteur kan met gebruikmaking van zijn toezichtsbevoegdheden ex art. 47 e.v. AWR controleren of de in de aangifte vermelde gegevens juist en volledig zijn. Ook zonder belastingaangifte kan de inspecteur behoefte hebben aan informatie, bijvoorbeeld om vast te stellen of in voorkomende gevallen al dan niet sprake is van belastingplicht. Dan zijn de informatieverplichtingen niet zozeer van bijkomende aard, maar eerder nevengeschikt aan de aangifteplicht. De informatieverplichtingen krijgen dan zelfstandige betekenis. Hetzelfde geldt voor controle in de actualiteit op grond van de waarneming ter plaatse ex art. 50 AWR.7
Toenemend belang feitengaring; VIA
Inmiddels doet zich het fenomeen van de (deels) ingevulde (digitale) aangiften voor, zoals de VIA. De dienst behandelt de door hem vooraf ingevulde gegevens alsof die door de aangifteplichtige zelf zijn ingevuld. De aangifteplichtige mag niet vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de vooraf ingevulde gegevens. Van hem wordt verwacht dat hij de vooringevulde gegevens controleert en waar nodig aanvult. Onjuistheden en/of onvolledigheden die nadien bij eventuele controle door de dienst blijken, komen voor rekening van de aangifteplichtige.8
Mogelijk zal de behoefte bij de Belastingdienst om vooringevulde aangiften achteraf te controleren afnemen; vooral wanneer de aangifteplichtige de vooringevulde gegevens ongewijzigd laat. Dan verschuift het accent van nalevingstoezicht naar feitengaring (voorafgaande aan de uitnodiging tot het doen van belastingaangifte) door de dienst zelf bij onder meer andere overheidsinstanties (informatieuitwisseling) en financiële instellingen (renseignering).9
Informatieverplichtingen in afdeling 2, hoofdstuk VIII van de AWR
Het toezichtsonderzoek in belastingzaken steunt op de bij de aangifte komende verplichtingen, die zijn vastgelegd in afdeling 2, hoofdstuk VIII van de AWR.10 Uitgangspunt van de wettelijke regeling is dat de medewerking aan een fiscaal toezichtsonderzoek desgevraagd moet worden verleend. De verplichtingen gelden tegenover de inspecteur en de door hem gemandateerde medewerkers van de Belastingdienst.11 Zij hebben betrekking op aanslag-, afdracht- en voldoeningsbelastingen.
De veruit belangrijkste verplichtingen zijn de inlichtingen- en inzageplicht, op grond waarvan ieder gehouden is inlichtingen en gegevens te verstrekken en bescheiden voor raadpleging ter inzage te geven (zie § 13.6.3). Andere bij de aangifte komende (informatie)verplichtingen zijn de toegangverlening tot gebouwen en gronden, de administratie- en bewaarplicht en enkele identificatieplichten (§ 13.6.4 – § 13.6.6). In § 13.6.7 volgen nog enkele opmerkingen over het derdenonderzoek.
In materiële belastingwetten zijn aanvullende informatieverplichtingen van burgers tegenover de Belastingdienst vastgelegd, die uit de (heffings)techniek van de desbetreffende belasting voortvloeien. Deze verplichtingen laat ik buiten beschouwing.12