Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling
Einde inhoudsopgave
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.4.4:6.4.4 Het criterium 'het gezag van de adviseur'
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.4.4
6.4.4 Het criterium 'het gezag van de adviseur'
Documentgegevens:
mr. M. Mussche, datum 30-05-2011
- Datum
30-05-2011
- Auteur
mr. M. Mussche
- JCDI
JCDI:ADS609811:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tot voor kort geldende standaardcriterium ter beantwoording van de vraag of mag worden vertrouwd op informatie van een ander, komt uit een arrest uit 1960. De Hoge Raad deed uitspraak in een zaak tegen een verdachte die zonder de vereiste vergunning van de SER een aannemersbedrijf had uitgeoefend.1 De verdachte beriep zich op verschoonbare rechtsdwaling vanwege zijn vertrouwen op het (naar later bleek onjuiste) juridische advies van zijn raadsman, inhoudende dat daarvoor geen vergunning nodig was. De raadsman had zich beweerdelijk gebaseerd op een advies van de SER, de bevoegde autoriteit en waarschijnlijk hoogste deskundige in deze. De HR ging hier niet specifiek op in, maar overwoog in algemene termen:
`dat immers de omstandigheid dat de verdachte een door hem ingewonnen — naar 's rechters oordeel onjuist — juridisch advies heeft opgevolgd, op zich zelve niet de gevolgtrekking wettigt, dat een beroep op afwezigheid van alle schuld dien verdachte niet kan baten, vermits hijzelf de verantwoordelijkheid zou dragen voor het opvolgen van een bepaald advies; dat toch de beantwoording van de vraag, of den verdachte beroep op zodanigen strafuitsluitingsgrond te stade kan komen, mede afhankelijk is van de beoordeling of het advies werd verstrekt door een persoon of instantie, aan wie zodanig gezag valt toe te kennen, dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen;' (cursivering toegevoegd; MM)
Van Veen hecht veel belang aan het woord mede.2 Volgens hem dient dit zo te worden gelezen, dat de rechter niet om een oordeel over het gezag van de informatieverschaffer heen kan. Andere argumenten waarom de verdachte niet op het gegeven advies had mogen vertrouwen zijn niet voldoende, maar kunnen wel ter zake dienend zijn. Deze lezing is in overeenstemming met de later aanvaarde `aspectenleer' (zie paragraaf 4.6).
In 1975 gebruikte de Hoge Raad een iets andere formulering dan in 1960 ter beoordeling van de verschoonbaarheid van dwaling wegens het vertrouwen op informatie van een ander. In een zaak waarin de verdachte was afgegaan op uitlatingen van de ambtenaar Dienst Openbare Werken, oordeelde de Hoge Raad dat de vraag of rechtsdwaling de verdachte verontschuldigt, mede afhangt van de vraag of aan de informatieverstrekker zodanig gezag valt toe te kennen, dat de verdachte in redelijkheid op diens uitlatingen mocht afgaan.3Ik ben het met Vellinga eens dat het waarschijnlijk niet de bedoeling is dat er verschil is tussen beide criteria. Het kan immers niet zo zijn dat de verdachte op de uitlatingen van de informatieverstrekker mag afgaan, ook al is deze nog zo gezaghebbend, als hij reden heeft om diens advies niet te vertrouwen.4 Bestaat er llberhaupt geen persoon of instantie met toereikend gezag, dan is men zelf verantwoordelijk voor het opvolgen van juridisch advies.5