Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/1.3
1.3 Reikwijdte en afbakening van dit onderzoek
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491605:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik werk dit nader uit in de onderdelen 2.1 en 10.2.1.
Koster 2009, Deel 2, hoofdstuk 3 t/m 7, heeft rechtsvergelijkend onderzoek gedaan naar de civielrechtelijke splitsingsregels in Nederland, Duitsland, België, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten en Japan.
Hoofdstuk 2 is daarom gewijd aan de splitsingsregels in het Nederlandse civiele recht. Dit hoofdstuk plaats ik vóór (de uitwerking van) mijn toetsingskader. De civiele splitsingsregels worden in dit onderzoek namelijk niet getoetst.
Zie bijvoorbeeld de in onderdeel 1.2 aangehaalde literatuur.
Zie ook onderdeel 1.6.
Ik gebruik hier bewust de term lichaam. Ook lichamen/niet-rechtspersonen, zoals het open FGR, kunnen met de hier bedoelde regels in aanmerking komen.
Het fiscale-eenheidsregime is opgenomen in art. 15 t/m 15a Wet VPB 1969 en het Besluit fiscale eenheid 2003. Zie over de samenloop van het fiscale-eenheidsregime en splitsingen bijvoorbeeld Kok 2005, onderdeel 11.5.4, p. 370-377 en Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 15.1, p. 463-489.
Zie de Brief van 15 september 2020, V-N 2020/51.6, onderdeel 7: “Als wordt gekozen voor het afschaffen van de huidige regeling van de fiscale eenheid gevolgd door de introductie van een nieuwe groepsregeling is dat een omvangrijk, ingrijpend en zeer complex wetgevingstraject dat niet van de ene op de andere dag is te realiseren. Het zal een paar jaar duren om een goed doordacht en goed werkend groepsregime te ontwerpen en te implementeren.” Vgl. ook de Brief van 11 februari 2021, V-N 2021/13.5, onderdeel 1. Zie voor meer achtergronden bijvoorbeeld Van der Burgt, Elsweier, Hofman, Van Hulten, Rijff, Stevens & Stevens in: Jubileumbundel Fiscaal Instituut Tilburg 2018, onderdeel 8, p. 138-141.
Het IBFD Tax Research Platform (website: research.ibfd.org) bevat voor veel landen Country Tax Guides. Daarin wordt ook aandacht besteed aan regels voor splitsingen in de sectie Mergers & Acquisitions. Verder heeft Ernst & Young in 2009 op instigatie van de Europese Commissie onderzoek verricht naar de implementatie van de fiscale Fusierichtlijn in de toenmalige EU-lidstaten. Naast een samenvatting van de implementatie per EU-lidstaat, bevat het (uitgebreide) rapport onder meer een overzicht van bevindingen, waarin per land de belangrijkste spanningsvelden in kaart zijn gebracht. Zie Ernst & Young 2009. Dit rapport is besproken door Lozev, European Taxation 2010/2-3. Zie Scapa Passalacqua, Intertax 2011/11 voor de regels voor grensoverschrijdende fusies en splitsingen in Noorwegen.
Zie de onderdelen 10.2.3, 10.4.9, 12.2, 12.3, 12.5.3.4, 12.6.4.3 en 13.6. De belangrijkste bevindingen zijn samengevat in onderdeel 14.14.
De voorloper van de huidige Wet VPB 1969, het Besluit op de vennootschapsbelasting 1942, is namelijk sterk geïnspireerd op de Duitse Körperschaftssteuer. Zie hierover bijvoorbeeld Elsweier 2018, onderdeel 1.2.2.1, p. 5-6 en onderdeel 3.2.2, p. 79-80 en de daar gemaakte verdere verwijzingen.
Zie daarover onderdeel 1.5.
De hiervóór beschreven onderwerpkeuze impliceert een aantal afbakeningen.
a.
Dit is een fiscaal-wetenschappelijk onderzoek. Andere rechtsgebieden, zoals het civiele recht, komen slechts ter sprake voor zover dat nodig is voor en/of dienstbaar is aan het onderwerp van dit onderzoek. Daarbij is van belang dat de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting wat betreft het begrip splitsing zijn gekoppeld aan het civiele recht.1 Deze koppeling maakt duidelijk dat in dit onderzoek aandacht moet uitgaan naar het civiele recht. Aangezien dit onderzoek is gericht op bepaalde Nederlandse fiscale splitsingsregels en niet op de (Nederlandse of buitenlandse) civielrechtelijke splitsingsregels, acht ik het gerechtvaardigd uitsluitend aandacht te besteden aan het Nederlandse civiele recht, voor zover dat relevant is voor dit onderzoek.2 Het gaat dan voornamelijk over de punten waarop het civiele recht doorwerkt naar het fiscale recht en als gevolg daarvan rechtstreeks aan mijn onderzoeksgebied raakt.3 Veruit het belangrijkste civielrechtelijke aandachtsgebied is de vraag wat wordt verstaan onder een splitsing. Daarmee kan echter niet worden volstaan: voor een goed begrip van de rechtsfiguur splitsing moeten de civielrechtelijke essentialia worden behandeld. Daarnaast kent de splitsing een veelvoud aan varianten. In dit onderzoek wordt ook ingegaan op de vraag of splitsingsregels in de vennootschapsbelasting adequaat zijn ingericht op al deze splitsingsvarianten. Ten slotte is het denkbaar dat het civiele recht wat betreft de rechtsfiguur splitsing elementen bevat die bruikbaar zijn voor mijn onderzoeksgebied. Hierbij valt op voorhand te denken aan de wijze waarop vermogen in het kader van een splitsing overgaat: de vermogensovergang onder algemene titel.
b.
Andere rechtsfiguren die een rol kunnen spelen bij herstructureringen en (interne) reorganisaties van lichamen, zijn in beginsel geen onderdeel van dit onderzoek. Ik schrijf bewust ‘in beginsel’. Het is namelijk denkbaar dat de wijze waarop de fiscale regels met betrekking tot die andere rechtsfiguren zijn vormgegeven, en de bevindingen uit onderzoek dat daarnaar al is verricht,4 interessante gezichtspunten bieden voor de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting. Andersom bestaat ook de mogelijkheid dat dit onderzoek tot conclusies en aanbevelingen voert die (ook) bruikbaar zijn voor die andere rechtsfiguren.5 Binnen dit kader gaat de aandacht ook uit naar de andere rechtsfiguren.
c.
Mijn onderzoek richt zich op de Nederlandse winstbelastingregels voor splitsingen die gelden voor lichamen. Wat houdt dit in? Voor de term ‘lichamen’ sluit ik aan bij art. 2 en art. 3 Wet VPB 1969, omdat uitsluitend de daarin opgesomde lichamen subjectief belastingplichtig kunnen zijn voor de heffing van vennootschapsbelasting. Lichamen die zijn onderworpen aan de Wet VPB 1969 kunnen vervolgens in verschillende hoedanigheden bij een splitsing betrokken zijn. Allereerst onderscheid ik de hoedanigheden van de splitsende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersoon. Deze actieve partijen bij de splitsing, de splitsingspartners, duid ik bewust aan met de term rechtspersoon omdat alleen de in art. 2:308, lid 1, BW genoemde rechtspersonen kunnen deelnemen aan een splitsing. Meer specifiek gaat het over de NV, BV, vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij en stichting.6 Voor deze hoedanigheden is dit onderzoek beperkt tot een toetsing van de regels uit de Wet VPB 1969 waarmee deze rechtspersonen in aanraking kunnen komen.7 Daarnaast kan een aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichaam als aandeelhouder, lid, winstbewijshouder, schuldeiser en/of optiehouder bij de splitsing betrokken zijn.8 Voor deze hoedanigheden kan dit onderzoek niet beperkt zijn tot de regels die zijn opgenomen in de Wet VPB 1969. Bedacht moet namelijk worden dat de winst op grond van art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 wordt opgevat en bepaald op de voet van een groot aantal winstbepalingen uit de Wet IB 2001, waaronder art. 3.56 Wet IB 2001. Laatstgenoemde bepaling is voor de zojuist genoemde hoedanigheden van groot belang en maakt als gevolg daarvan onderdeel uit van dit onderzoek, uiteraard voor zover lichamen daarmee in aanraking kunnen komen. Veel van mijn bevindingen ten aanzien van art. 3.56 Wet IB 2001 kunnen overigens mutatis mutandis ook van belang zijn voor natuurlijke personen die met deze bepaling in aanraking komen. In die zin heeft het onderzoek een grotere uitstraling. Splitsingsregels in andere heffingswetten, waaronder de Wet DB 1965, zijn geen onderwerp van dit onderzoek.
In dit onderzoek wordt geen aandacht besteed aan de interactie tussen splitsingen en het fiscale-eenheidsregime in de vennootschapsbelasting.9 De belangrijkste reden is dat de fiscale-eenheidsregels bij die samenloop leidend zijn.10 Naar mijn mening kan de wisselwerking tussen splitsingen11 en het fiscale-eenheidsregime daarom het beste worden onderzocht vanuit de leidende fiscale beginselen die ten grondslag liggen aan de fiscale-eenheidsregeling. Een bijkomende reden is dat grote onzekerheid bestaat over de vraag of het fiscale-eenheidsregime in huidige vorm nog lang zal voortbestaan.12
d.
In dit onderzoek wordt in de basis niet onderzocht en gerapporteerd op welke wijze andere landen in de daar geldende winstbelastingregels voor lichamen omspringen met de rechtsfiguur van de splitsing.13 Uitsluitend in de zoektocht naar aanbevelingen maak ik gebruik van een rechtsvergelijking met Duitsland. Dit is een rechtsvergelijking op hoofdlijnen waarbij ik mij beperk tot een aantal meer fundamentele deelgebieden.14 De keuze voor Duitsland is primair ingegeven door het feit dat de Nederlandse winstbelastingregels Duitse wortels hebben.15 Het is mede daarom interessant om te onderzoeken hoe onze ‘Oosterburen’ in hun winstbelastingregels voor lichamen omgaan met de splitsing. Vanzelfsprekend liggen aan de keuze voor Duitsland ook pragmatische redenen ten grondslag, zoals de taal en de beschikbaarheid van bronnen. Naast deze rechtsvergelijking moet dit onderzoek ook door de invloed van belastingverdragen en EU-recht worden geplaatst in een internationaal kader.16