Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/1.2:1.2 Opzet van het onderzoek
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/1.2
1.2 Opzet van het onderzoek
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692107:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de actuele stand van zaken www.justitie.belgium.be/nl/bwcc. Op 1 november 2020 is de wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot invoeging van boek 8 ‘Bewijs’ in dat Wetboek in werking getreden. Sindsdien draagt het Burgerlijk Wetboek van 21 maart 1804 het opschrift ‘oud Burgerlijk Wetboek’. Zie over de modernisering van het Burgerlijk Wetboek: Dirix 2021.
Par. 7.14.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
13. Het onderzoek is gericht op beantwoording van de vraag of er een recht bestaat op een preventieve remedie, welke eisen aan een effectieve remedie kunnen worden gesteld en of de wettelijke regeling van het rechterlijk bevel en verbod voldoet aan de eisen die aan een effectieve remedie mogen worden gesteld. Het onderzoek is in drie delen verdeeld. Die delen laat ik vooraf gaan door een hoofdstuk waarin een definitie wordt bepaald van de belangrijkste begrippen die in het boek zullen worden gebruikt, waaronder het bevel en verbod, de andere remedies, verbintenissen en rechtsplichten (hoofdstuk 2). Daarin zal ook het begrip schadevoorkomingsplicht worden uitgewerkt (paragraaf 2.5).
14. Het eerste deel van het boek gaat vervolgens in op de vraag of er naar nationaal en/of naar supranationaal recht een aanspraak bestaat op een preventieve remedie, met andere woorden, of het burgerlijk recht en het burgerlijk procesrecht meebrengen dat er een remedie moet zijn die ertoe strekt schade te voorkomen in plaats van die te vergoeden. Ik werk uit wat de doelen van het (nationale) procesrecht en het aansprakelijkheidsrecht zijn en ik kijk of daaruit en uit het supranationale recht ook overigens eisen kunnen worden afgeleid die aan een remedie kunnen worden gesteld om te kunnen spreken van een effectieve remedie. Ik onderzoek voorts welke implicaties die eisen hebben voor het nationale rechterlijk bevel en verbod.
15. Bij het onderzoek naar het supranationale recht zal ik primair kijken naar het EVRM (hoofdstuk 4) en het Unierecht (hoofdstuk 5) en zal ik ook onderzoeken of uit de verdragen (en ander Unierecht) aanknopingspunten voortvloeien die in zuiver nationale situaties (dus situaties die niet betrekking hebben op verdragsrechtelijk beschermde fundamentele rechten of op Unierecht) kunnen worden toegepast. Dat de blik ook op het Unierecht wordt gericht, ligt voor de hand wanneer wordt bedacht dat er uit het Unierecht vele rechten en verplichtingen voortvloeien ten aanzien waarvan een effectieve rechtsbescherming wordt vereist. Ik zal in dat verband aan de hand van het aanbestedingsrecht en de Richtlijn oneerlijke bedingen uitwerken hoe sterk het Unierecht van invloed kan zijn op de nationale remedies (paragrafen 5.7 en 5.8).
16. In het tweede deel van het boek ga ik in op de huidige stand van zaken met betrekking tot het rechterlijk bevel en verbod. Ik zet daarin uiteen hoe het rechterlijk bevel en verbod thans in het Nederlandse recht zijn geregeld en hoe de remedie zich in de jurisprudentie heeft ontwikkeld. Ik werk uit aan welke voorwaarden moet zijn voldaan voor het opleggen van een rechterlijk bevel of verbod (hoofdstuk 7), en ik ga ook in op de afwijzingsgronden (hoofdstuk 8). Voorts werk ik uit wanneer een rechterlijk bevel of verbod vervalt (hoofdstuk 9). Die uiteenzetting is nodig om te kunnen toetsen of de wettelijke regeling van het rechterlijk bevel en verbod voldoet aan de eisen die aan een effectieve remedie kunnen worden gesteld, of dat er punten zijn waarop de huidige regeling tekortschiet.
17. Om de Nederlandse wettelijke regeling te beoordelen zal ook een vergelijking worden gemaakt met het Belgische recht. De reden om voor het Belgische recht te kiezen is dat in België een modernisering van het Burgerlijk Wetboek plaatsvindt.1 De keuzes die de Belgische wetgever maakt kunnen een nader licht werpen op de vraag of de Nederlandse regeling voor verbetering vatbaar is. Dat is in het bijzonder het geval omdat, zoals ik zal uitwerken, de grondslag voor een preventief verbod bij onrechtmatig handelen tot de wetswijziging in België ‘wankel’ werd geacht en voor die ‘wankele’ grondslag een oplossing is gezocht die op onderdelen verschilt van de Nederlandse regeling.2 De beschrijving van het Belgische recht vervlecht ik, waar dat nuttig is, door het boek heen in de paragrafen over deelonderwerpen. Ik beperk de rechtsvergelijking tot België omdat het doel van dit boek niet is om aan de individuele rechtsstelsels van verschillende landen elementen te ontlenen die relevant kunnen zijn voor de vraag wanneer een remedie effectief is, maar omdat het doel juist is te onderzoeken of dergelijke elementen zijn te ontlenen aan het Unierecht en het EVRM, dat in gelijke mate voor de lidstaten geldt.
18. Nadat deelconclusies zijn getrokken met betrekking tot de vraag of het rechterlijk bevel en verbod voldoen aan de eisen die uit de doelen van het nationale (proces)recht en uit het supranationale recht voortvloeien, is er ruimte om die vraag aan de hand van de verschillende thema’s in deel 3 nader te onderzoeken. Ik doe dat in de hoofdstukken 10, 11 en 12.
19. Vervolgens kan de balans worden opgemaakt en kan in het afsluitende hoofdstuk 13 enerzijds in algemene zin worden beoordeeld of de huidige wettelijke regeling voldoet aan de eisen die aan een effectieve en preventieve remedie mogen worden gesteld. Anderzijds zullen aan de hand van de hierboven geschetste thema’s de geformuleerde subvragen worden beantwoord.
20. In het boek spreek ik in algemene zin over het burgerlijk recht en het burgerlijk procesrecht. De analyse die ik maak is vooral gericht op het aansprakelijkheidsrecht en het verbintenissenrecht. Waar nodig, wordt dat gespecificeerd. Wanneer ik spreek over het aansprakelijkheidsrecht en het verbintenissenrecht is de analyse overigens niet steeds noodzakelijkerwijs daartoe beperkt, maar doe ik dat ook om praktische redenen en met het oog op de leesbaarheid van de tekst.