Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/5.2.1.2
5.2.1.2 Constitutum possessorium
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476862:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:97 lid 1 jo. 3:90 lid 1 jo. 3:115, aanhef en onder a, BW. Vgl. HR 6 maart 1970, NJ 1970/433 (Van Wessem q.q./Traffic), HR 21 juni 1985, NJ 1986/306, m.nt. W.M. Kleijn (LDM/Brock), HR 18 september 1987, NJ 1988/983, m.nt. W.M. Kleijn (Berg/De Bary), HR 18 december 1987, NJ 1988/340, m.nt. W.C.L. van der Grinten (OAR/ABN) en HR 24 maart 1995, NJ 1996/158, m.nt. W.M. Kleijn (Hollander’s Kuikenbroederij). Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/314.
Vgl. art. 3:37 lid 1 BW.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 382 en 402 en MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 384.
HR 29 september 1961, NJ 1962/14, m.nt. J.H. Beekhuis (Smallingerland/Picus); HR 8 juni 1973, NJ 1974/346, m.nt. W. Kuizinga (Nationaal Grondbezit/Kamphuis); en HR 4 december 1998, NJ 1999/549, m.nt. W.M. Kleijn (Potharst/Serrée). Vgl. HR 22 mei 1953, NJ 1954/189, m.nt. J. Drion (Sio) en HR 29 juni 1979, NJ 1980/133, m.nt. W.M. Kleijn (Hoogovens/Matex). Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/229.
Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/314 en 314a.
178. De vervreemder en verkrijger kunnen een toekomstige zaak bij voorbaat leveren door het enkele afleggen van een tweezijdige verklaring met de strekking dat de vervreemder de toekomstige roerende zaak zal gaan houden voor de verkrijger, zodra hij het bezit van de zaak heeft verkregen.1 Deze verklaring is vormvrij en kan bovendien besloten liggen in een of meer handelingen van partijen.2 Zodra de vervreemder de geleverde zaak in bezit en eigendom verkrijgt, wordt hij krachtens het bij voorbaat verrichte constitutum possessorium automatisch houder voor de verkrijger. De verkrijger zal krachtens de eerder afgelegde verklaring het bezit over de zaak zijn verschaft.3 Dit bezit is steeds middellijk, omdat het door middel van de vervreemder wordt uitgeoefend.4
Het gegeven dat de vervreemder vooralsnog geen bezitter is van het goed, vormt geen beletsel voor het verrichten van een geldige levering c.p. bij voorbaat. Evenmin is het gegeven dat de vervreemder vooralsnog houder is van de geleverde zaak een obstakel voor een bij voorbaat verrichte levering c.p. Dat is op het eerste gezicht wellicht verrassend. Ten aanzien van de levering c.p. wordt immers geleerd dat een houder van een roerende zaak niet in staat is om een derde door middel van een constitutum possessorium en buiten de bezitter om tot de nieuwe bezitter te maken.
Het in art. 3:111 BW neergelegde verbod van interversie staat aan de geldigheid van deze verklaring in de weg. Op grond van deze bepaling kan een houder zich niet eenzijdig (of zonder tegenspraak van het recht van de bezitter) tot bezitter of tot houder voor een ander maken. De verklaring van de houder dat hij het goed zal gaan houden voor de verkrijger is aldus krachteloos.5 Bij een anticiperend constitutum possessorium is van een verboden interversie echter geen sprake. De houder maakt zich niet door het afleggen van de verklaring tot houder voor een ander en beoogt evenmin de bezitter zijn bezit te ontnemen. De vervreemder blijft tot het moment dat hij zelf het bezit verkrijgt de zaak houden voor de bezitter. Enige strijd met art. 3:111 BW is er niet.6