Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.1.5
15.1.5 Tussenconclusie betreffende de vertrouwensagenda
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458212:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Ch. Janssens, The Principle of Mutual Recognition in EU Law, Oxford: Oxford University Press 2013, p. 240 e.v., die overigens wel een andere indeling en benadering kiest.
Vanwege het gekozen perspectief van dit onderzoek, te weten dat van rechtsbescherming van de verdachte dan wel veroordeelde, blijft de introductie van waarborgen voor slachtoffers en ‘derden’ verder onbesproken.
Waar die samenwerkingsinstrumenten voorwaarden en weigeringsgronden kennen met een rechtsbeschermend karakter groeien deze twee varianten naar elkaar toe.
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, Uitvoering van het Haags programma: koersbepaling, COM(2006)331 def.
COM(2013) 821 def.
Vgl. R. Schütze, European Constitutional Law, Cambridge: Cambridge University Press 2012, p. 410 e.v.
Uit het voorgaande is op te maken dat de Europese instellingen, voornamelijk de Europese Raad en de Commissie, over een periode van ongeveer vijftien jaar een vertrouwensagenda hebben geëxpliciteerd met min of meer consistente lijnen. In deze agenda kan een achttal agendapunten worden ontwaard.1 Deze zijn als volgt te formuleren:
De ontwikkeling van minimumnormen en procedurele waarborgen
Harmonisatie van nationaal straf(proces)recht
Evaluatie van en toezicht op Europeesrechtelijke maatregelen
Gemeenschappelijke gehechtheid aan mensenrechten en fundamentele vrijheden en de ontwikkeling van een Europese justitiële cultuur
Het bevorderen van Europese netwerken van justitiële organisaties en van contact tussen nationale en Europese justitiële organisaties
Opleiding en uitwisseling van functionarissen
Het bevorderen van de efficiëntie en de coördinatie van strafrechtelijke procedures
Verbetering van de detentiepraktijk
Deze agendapunten hangen veelal met elkaar samen en worden, ook in de diverse beleidsstukken, met elkaar in verband gebracht. Zo leidt het vaststellen van minimumnormen en procedurele waarborgen steeds tot een zekere harmonisatie. Niettemin kan tussen die twee agendapunten een onderscheid worden gemaakt. Harmonisatie als zodanig is neutraal van karakter: harmonisatie kan bijvoorbeeld ook tot gevolg hebben dat procedurele waarborgen ‘geharmoniseerd’ worden teruggedrongen en dat het strafrecht in de gehele Unie repressiever wordt. Het vaststellen van minimumnormen en procedurele waarborgen heeft juist een voor de verdachte2 gunstiger harmoniserend effect.
De evaluatie van en het toezicht op Europeesrechtelijke maatregelen is in bepaalde gevallen onlosmakelijk verbonden met het eerste agendapunt van minimumnormen en procedurele waarborgen. Het gaat dan om de evaluatie van en het toezicht op die te introduceren normen en waarborgen. Evaluatie en toezicht kunnen daar evenwel ook los van staan en zien op in EU-verband geïntroduceerde samenwerkingsinstrumenten, zoals het Europees aanhoudingsbevel.3
Verder brengt de Europese Raad de ontwikkeling van een Europese justitiële cultuur in zowel het Haags als het Stockholm-programma in verband met agendapunten vijf (Europese netwerken) en zes (opleiding). Ook deze agendapunten kunnen echter van elkaar worden onderscheiden, en wel omdat de Europese justitiële cultuur vooral ziet op gedeelde en verder te delen waarden en Europese netwerken en opleidingen manieren zijn om die waarden te verspreiden.
Ook over het zevende agendapunt, efficiëntie en coördinatie, is meer te zeggen. Dit agendapunt ziet op de efficiëntie en coördinatie van het verkeer tussen de lidstaten en raakt derhalve aan het agendapunt van de Europese justitiële cultuur alsook aan dat van het bevorderen van netwerken. Maar daarnaast gaat het ook om de verbetering van de rechtsstelsels van de lidstaten zelf, hetgeen in verband kan worden gebracht met een cultuur van rechtsstatelijkheid. En waar die verbetering van de efficiëntie ziet op een eenvoudigere toegang tot de rechter, zijn er weer raakvlakken met bijvoorbeeld (de inroepbaarheid van) minimumnormen en procedurele waarborgen voor de verdachte.
Aldus kan worden gezegd dat de vertrouwensagenda een zekere samenhang vertoont. Niettemin wordt vastgehouden aan de agendapunten zoals hiervoor geformuleerd. Zij hebben een voldoende individualiseerbaar gehalte om, later in dit hoofdstuk, nader te worden geanalyseerd in het licht van de eerder geformuleerde dimensies van het vertrouwensbeginsel.
Alvorens dat te doen zal ik nader ingaan op enkele van deze agendapunten en achterliggende leerstukken. Het voert te ver om voor al deze agendapunten uit te diepen op welke wijze zij in de praktijk zijn gebracht. Gelet op de opzet van dit onderzoek is dat ook niet aangewezen. Een deel van de agendapunten, zoals die van het bevorderen van een Europese justitiële cultuur, door middel van Europese netwerken en opleiding van functionarissen, ziet immers op meer sociologisch getint vertrouwen: door elkaar beter te leren kennen, krijg je meer vertrouwen in de ander. In deze studie staat het vertrouwensbeginsel in juridische zin centraal. De bespreking hierna wordt beperkt tot enkele onderdelen van de vertrouwensagenda die een juridische vertaling krijgen. Het gaat dan vooral om de ontwikkeling van minimumnormen, de positie van fundamentele rechten in de Unie en het toezicht op de naleving van fundamentele rechten en procedurele waarborgen. Aldus ga ik hierna eerst in op de Routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures. Daarnaast besteed ik aandacht aan een enkel initiatief dat niet in die routekaart is opgenomen, maar wel is terug te voeren op de Mededeling van de Commissie uit 2006 over de uitvoering van het Haags Programma4 en later het Stockholm-programma, te weten het voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij het proces aanwezig te zijn.5 Daarna wordt aandacht besteed aan de (voor het strafrechtelijk kader relevante) positie van fundamentele rechten in de Europese Unie. Dit geschiedt aan de hand van de drie bronnen van grond- en mensenrechten in de Unie zoals die ook weerspiegeld worden in artikel 6 VEU: (1) de ongeschreven rechtencatalogus: fundamentele rechten als algemene beginselen van Unierecht, (2) de geschreven rechtencatalogus: het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en (3) de externe rechtencatalogus: het EVRM en de voorgenomen toetreding van de EU tot het EVRM.6 Ten slotte worden de mechanismen besproken waarmee toezicht wordt gehouden op de naleving van het Unierecht en de (al dan niet geschreven) in- en externe rechtencatalogi.