Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.2.3.2
7.2.3.2 Art. 8c Wet VPB 1969: Doorstroomvennootschap met te weinig substance
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395937:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De nieuwe regering heeft in het regeerakkoord van 10 oktober 2017 aangekondigd dat daar verandering in gaat komen. Dit licht ik aan het einde van hoofdstuk 7.2.3.2 nog nader toe.
Rapport werkgroep Primarolo over schadelijke belastingconcurrentie, 23 november 1999, V-N 2000/6.6.
Een doorstroomlichaam kan om een ruling verzoeken waarin de hoogte van de zakelijke vergoeding wordt vastgelegd en/of het lichaam reële risico’s loopt. In het besluit van 3 juni 2014, DGB 2014/3101, V-N 2014/32.5 en het besluit van 3 juni 2014, DGB 2014/3102, V-N 2014/32.6 zijn nadere voorwaarden en een toelichting opgenomen die de Belastingdienst hanteert bij het afgeven van een ruling voor doorstroomvennootschappen.
Zie ook F.P.G. Pötgens, Het regeerakkoord en het vestigingsklimaat, WFR 2017/227 en J. Vleggeert/H. Vording, Naar een bronbelasting op rente en royalty’s: een stap verder dan het regeerakkoord, WFR 2018/3.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 23 februari 2018, Aanpak belastingontwijking en ontduiking, kenmerk 2018-0000026987, V-N 2018/14.2.
Door rente- en royaltystromen via Nederland te laten lopen, wordt toegang verkregen tot de door Nederland gesloten belastingverdragen. Nederland kent tot op heden geen bronheffing op interest en royalty’s.1 Indien de door Nederland met derde-landen afgesloten verdragen op het punt van verrekening van bronheffing voordeliger zijn dan de verdragen die van toepassing zouden zijn indien de renten en royalty’s niet via Nederland lopen (dan wel in niet-verdragssituaties), zijn dergelijke belastingroutes interessant. Internationaal (onder andere in het Primarolo rapport2), kwam er de nodige kritiek op het Nederlandse rulingbeleid en beleid ten aanzien van doorstroomlichamen. Nederland heeft zich iets van deze kritiek aangetrokken en met ingang van 1 januari 2002 is art. 8c Wet VPB 1969 ingevoerd. De regeling heeft als doel te voorkomen dat zogenoemde “doorstroomvennootschappen’’ (vennootschappen zonder substance, die geen reëel risico lopen) via door Nederland gesloten belastingverdragen aanspraak kunnen maken op verrekening van de door andere landen geheven belasting ter zake van rente en royalty’s.3
Art. 8c Wet VPB 1969 is van toepassing indien een lichaam zich bezighoudt met het in– en doorlenen van gelden van en aan verbonden lichamen en het desbetreffende lichaam geen reële risico’s loopt. Een lichaam wordt geacht geen reële risico’s te lopen, indien het eigen vermogen van de doorstroomvennootschap ter dekking van de risico’s minder bedraagt dan € 2.000.000 of 1% van het bedrag van de uitstaande geldleningen. Daarbij moet het doorstroomlichaam aannemelijk maken dat dit bedrag aan eigen vermogen ter dekking van de met de samenhangende leningen gelopen risico’s dient en dat het eigen vermogen daardoor aangetast kan worden.4 Tot slot gelden de in artikel 3a lid 7 Uitvoeringsbesluit internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen genoemde substance-eisen - waaraan houdsters en financieringsmaatschappijen moeten voldoen - over het algemeen ook voor doorstroomvennootschappen. Is er sprake van zogenoemde doorstroomactiviteiten en worden ter zake van de in– en uitlening van gelden geen reële risico’s gelopen dan valt de rente buiten de Nederlandse grondslag en is deze dus niet aftrekbaar en ontvangen rente niet meer belast.
Om belastingontwijking tegen te gaan is de nieuwe regering onder andere voornemens een bronheffing in te voeren op interest en royalty’s op uitgaande financiële stromen naar laagbelastende landen.5 De staatssecretaris heeft aangegeven dat een bronbelasting ingehouden gaat worden als een in Nederland gevestigde entiteit binnen concernverband dividenden, rente of royalty’s betaalt aan een entiteit die is gevestigd in een land met een laag statutair tarief, óf een land dat is opgenomen op de (zwarte) EU-lijst van niet coöperatieve landen.6 Wat verstaan moet worden onder “binnen concernverband’’ is niet geconcretiseerd. Ook is op het moment van schrijven nog niet nader toegelicht wat verstaan moet worden onder een land met een laag statutair tarief. De planning is dat de afschaffing van dividendbelasting en bronheffing op dividenden in bovengenoemde gevallen vanaf 1 januari 2020 van toepassing is en de bronheffing op rente en royalty’s vanaf 1 januari 2021. De staatssecretaris gaat ook in op een mogelijke aanscherping van art. 8c Wet VPB 1969. Hij merkt op dat hij de beleidsmatige noodzaak voor het treffen van een aanscherping wil bezien in samenhang met de in te voeren bronbelastingen op rente en royalty’s.