HR, 06-10-2009, nr. 09/01319 H
ECLI:NL:HR:2009:BJ9303
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
06-10-2009
- Zaaknummer
09/01319 H
- LJN
BJ9303
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BJ9303, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 06‑10‑2009; (Herziening)
- Wetingang
- Vindplaatsen
NbSr 2009/355
Uitspraak 06‑10‑2009
Inhoudsindicatie
Herziening. Aanvrage niet-ontvankelijk: een beschikking op een verzoek tot schadevergoeding a.b.i. art. 89 Sv is niet een einduitspraak houdende veroordeling i.d.z.v. art. 457.1 Sv.
6 oktober 2009
Strafkamer
nr. 09/01319 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 januari 2007, nummer R 002667-06, ingediend door mr. M.G.C. van Riet, advocaat te Amsterdam, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsvrouwe.
1. De beschikking waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in de beschikking een verzoek van de aanvrager tot schadevergoeding wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis afgewezen.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Art. 457, eerste lid, Sv luidt, voor zover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, als volgt:
"Herziening van eene in kracht van gewijsde gegane einduitspraak houdende veroordeeling, kan worden aangevraagd:
1°. (...)
2°. (...)
3°. (...)"
3.2. De aanvrage zal niet tot herziening kunnen leiden omdat een beschikking op een verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in art. 89 Sv, als waarvan te dezen sprake is, niet is een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvrage kan derhalve niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 6 oktober 2009.