Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.5.1:2.5.1 Wet- en regelgeving, algemeen
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.5.1
2.5.1 Wet- en regelgeving, algemeen
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469253:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet tot heffing eener Vermogensbelasting van 27 september 1892, Stb. 223.
Wet tot heffing eener belasting op bedrijfs- en andere inkomsten van 2 oktober 1893, Stb. 149.
Zijnde vier procent van de vermogenswaarde. Pierson was zijn tijd ver vooruit (vgl. de huidige fictieve rendementsheffing over box 3-inkomen).
Memorie van Toelichting op de Wet op de belasting uit inkomsten van vermogen (TK, vergaderjaar 1891-1892, 125, nr. 3, p. 8).
Van Soest 1974, p. 13.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toen in 1821 het Algemeen Stelsel het licht zag, maakte een algemene inkomstenbelasting of vermogensbelasting daar nog geen onderdeel van uit. Wel werden destijds gedeelten van inkomsten belast door middel van de grondbelasting en het patentrecht en werd belasting geheven over bepaalde vermogensbestanddelen onder meer op grond van de personeele belasting. Het was de toenmalige minister van Financiën Pierson die in de jaren 1892 en 1893 het belasten van inkomen hernieuwd wilde vormgeven. Hiertoe werden twee belastingen geïntroduceerd, de vermogensbelasting1 en de bedrijfsbelasting2, die tezamen ook wel de gesplitste inkomstenbelasting werden genoemd. De reden van deze tweedeling was dat over het belasten van het vermogen en het belasten van de opbrengsten uit vermogen verschillend werd gedacht. Pierson wilde de belasting over het vermogen berekenen over een verondersteld rendement,3 de belasting over inkomsten uit bedrijf en beroep werden berekend naar een aantal soorten reële inkomstenbronnen. Een ander verschil is dat Pierson het vermogensbezit hoger wilde belasten dan de inkomsten uit bedrijf en beroep.
Vermogensbelasting
Zoals gezegd werd de vermogensbelasting geheven naar een fictief rendement van vier procent van het vermogen. De regering vond de gekozen maatstaf de eenvoudigste en rechtvaardigste.4 Met het eenvoudige stelsel werd een antwoord gegeven op de vraag of het redelijk was dat hoogrentende beleggingen aanmerkelijk zwaarder werden belast dan laagrentende beleggingen. Ook werd voorkomen dat de kleine belegger, die volgens de regering anders dan de grootkapitalisten veelal investeerden in hoogrentende beleggingen, gebukt gingen onder een onevenredige belastingdruk. Daarnaast vond men een belasting naar de waarde van het vermogen billijker, dan een belasting van de reële inkomsten uit vermogen; deze inkomsten zouden namelijk gelijk kunnen blijven, terwijl het vermogen wel degelijk in waarde fluctueert.
Bedrijfsbelasting
De bedrijfsbelasting werd over drie inkomstenbronnen geheven: inkomsten van onderneming en arbeid, inkomsten van rechten en periodieke uitkeringen en inkomsten uit vermogen beneden ƒ 13.000. De bovengrens van de laatste inkomstenbron hield verband met het feit dat voor de vermogensbelasting vermogen tot ƒ 13.000 was vrijgesteld.
De Wet op de inkomstenbelasting 1914
Al vrij snel na de invoering van de hierboven genoemde gesplitste inkomstenbelasting bleek dat de tweedeling de nodige problemen veroorzaakte. Een algemene inkomstenbelasting moest deze problemen het hoofd kunnen bieden. Op 1 mei 1915 trad de Wet op de inkomstenbelasting 1914 in werking. Alle inkomsten werden vanaf die datum op eenzelfde wijze belast. Voor de heffing van de inkomstenbelasting maakte het niet langer uit of de inkomsten bijvoorbeeld uit vermogen of uit arbeid werden verkregen. Degene die (inkomsten uit) vermogen bezat, werd een grotere draagkracht toegeschreven. Dit bleek uit het feit dat de vermogende naast inkomstenbelasting ook een vermogensbelasting moest gaan betalen, die niet langer was gebaseerd op veronderstelde, fictieve rendementen maar op de waarde van het vermogen zelf. Van een principiële inkomstenbelasting werd de vermogensbelasting een aanvullingsbelasting.5