Rechtbank Noord-Nederland 4 mei 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1724.
Hof Den Haag, 20-01-2026, nr. 200.343.519/01
ECLI:NL:GHDHA:2026:19
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
20-01-2026
- Zaaknummer
200.343.519/01
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2026:19, Uitspraak, Hof Den Haag, 20‑01‑2026; (Verwijzing na Hoge Raad)
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2023:776
Uitspraak 20‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Arrest na verwijzing door Hoge Raad. Memorie van grieven wordt niet tijdig ingediend na ambtshalve peremptoirstelling. (Advocaat van) appellant stelt dat memorie ten gevolge van internetstoring niet tijdig kon worden ingediend. Hof oordeelt dat (advocaat van) appellant internetstoring onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en verklaart appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer gerechtshof Den Haag : 200.343.519/01
Zaaknummer gerechtshof ’s-Hertogenbosch: 200.341.843/01
Zaaknummer Hoge Raad der Nederlanden: 22/00225
Zaaknummer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: 200.298.215/01
Zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Nederland: 8502867 CV EXPL 20-3156
Arrest na verwijzing van 20 januari 2026
in de zaak van
InBev Nederland N.V.,
gevestigd te Breda,
appellante,
advocaat: mr. E.P.W. Korevaar, kantoorhoudend in Eindhoven,
tegen
Beleggingsmaatschappij Reimborg B.V.,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde,
advocaat: mr. W.J. Leerink, kantoorhoudend in Groningen.
Het hof noemt partijen hierna InBev en Reimborg.
1. De zaak in het kort
1.1
InBev huurt een bedrijfspand van Reimborg. Partijen hebben een geschil over de huurprijs. De kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft de huurprijs met ingang van 29 juni 2017 vastgesteld op € 185.264,42 per jaar. InBev heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Aan InBev is uitstel verleend tot 19 oktober 2021 voor memorie van grieven (ambtshalve peremptoir). Op die roldatum heeft InBev niet tijdig een processtuk ingediend. Daarop heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden InBev niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de zaak naar dit hof verwezen omdat een raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof ’s- Hertogenbosch in de procedure in cassatie is opgetreden als advocaat voor Reimborg.
1.2
Het hof is van oordeel dat de advocaat van InBev onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest vaneen internetstoring waardoor hij het processtuk niet tijdig heeft kunnen indienen. Daarom is InBev niet ontvankelijk in haar hoger beroep.
2. Procesverloop in hoger beroep na verwijzing
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep na verwijzing blijkt uit de volgende stukken:
- -
de oproeping van 2 juli 2024, waarmee InBev Reimborg heeft opgeroepen te verschijnen voor dit hof;
- -
het arrest van dit hof van 30 juli 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 november 2024;
- -
de akte uitlating van Reimborg, met bijlagen;
- -
de antwoordakte van InBev;
- -
de antwoordakte van Reimborg;
3. Uitgangspunten en feiten
3.1
InBev huurt voor onbepaalde tijd een bedrijfspand van Reimborg. In deze procedure vordert Reimborg nadere vaststelling van de huurprijs met ingang van 29 juni 2017 op een bedrag van € 209.660,53 per jaar. In reconventie vordert InBev nadere vaststelling van de huurprijs op een bedrag van € 113.325,50 met ingang van 1 mei 2020. De kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft in conventie de huurprijs met ingang van 29 juni 2017 vastgesteld op € 185.264,42 per jaar en heeft in reconventie de vorderingen van InBev afgewezen.1.
3.2
InBev heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de zaak aangebracht tegen de roldatum 10 augustus 2021. In de appeldagvaarding heeft InBev onder meer gevorderd dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de huurprijs met ingang van 29 juni 2017 nader vaststelt en dat het met ingang van 15 maart 2020 de huurprijs verlaagt vanwege gebreken, althans de huurovereenkomst wijzigt wegens onvoorziene omstandigheden, tot het moment dat geen coronagerelateerde vrijheidsbeperkende maatregelen meer door de overheid worden opgelegd.
3.3
Aan InBev is uitstel verleend voor het nemen van de memorie van grieven tot de roldatum 21 september 2021 en is vervolgens een nader uitstel verleend tot de roldatum 19 oktober 2021. Daarbij is in het roljournaal vermeld dat dit een ambtshalve peremptoir uitstel was.
3.4
Op de roldatum 19 oktober 2021 heeft InBev geen memorie van grieven genomen. Evenmin heeft zij voor het roltijdstip van 10.00 uur een uitstelverzoek gedaan. Wel heeft InBev op 19 oktober 2021 om 12.10 uur per e-mail een “incidentele memorie tot aanhouding” aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gezonden. In die memorie heeft InBev primair verzocht om op grond van artikel 392 lid 6 Rv de procedure aan te houden totdat de Hoge Raad uitspraak had gedaan op prejudiciële vragen van de rechtbank Limburg,2.waarover de Procureur-Generaal op 30 september 2021 een conclusie had genomen.3.Deze vragen hadden betrekking op de gevolgen van coronagerelateerde vrijheidsbeperkende maatregelen op de huur van bedrijfspanden. Subsidiair heeft InBev in de genoemde memorie verzocht om een afwijkende procesgang vast te stellen met toepassing van artikel 1.5 van het toepasselijke procesreglement en eerst een schikkingscomparitie te gelasten.
3.5
De advocaat van InBev heeft bij de indiening van de hiervoor in 3.4 genoemde incidentele memorie vermeld dat hij door een internetstoring op zijn huisadres de memorie niet voor het roltijdstip van 10.00 uur kon mailen.
3.6
Reimborg heeft bij e-mail van 19 oktober 2021, 13.43 uur, gereageerd. In deze e-mail heeft Reimborg onder meer gesteld dat van de beweerdelijke internetstoring geen bewijs is geleverd en dat de storing voor rekening en risico van InBev komt. Reimborg heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verzocht de incidentele memorie buiten beschouwing te laten en in de hoofdzaak akte niet-dienen te verlenen omdat geen verder uitstel voor indiening van de memorie van grieven meer kon worden verkregen.
3.7
Bij rolbeslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 oktober 2021 is vastgesteld dat het recht van InBev op het nemen van de memorie van grieven is komen te vervallen. In de rolbeslissing van 26 oktober 2021 is daartoe als volgt overwogen:
“3.2 Voor de memorie van grieven was op de rolzitting van 19 oktober 2021 geen regulier uitstel meer mogelijk. De bijzondere uitstelmogelijkheden zijn opgesomd in artikel 2.18. Voor een uitstelverzoek om klemmende redenen wordt daarbij verwezen naar artikel 1.10 van het procesreglement, dat voorschrijft dat een dergelijk verzoek tenminste vier dagen voor de desbetreffende rolzitting moet worden gedaan, met een uitzonderingsmogelijkheid voor overmachtsituaties.
3.3 [
De advocaat van InBev] heeft niet aangegeven waarom hij zijn, in een memorie verpakte, uitstelverzoek niet binnen deze termijn heeft verzonden. Een overmachtsituatie waarom dit niet had gekund is niet aangevoerd en ligt ook niet voor de hand. De conclusie van de PG Wissink waar [de advocaat van InBev] naar verwijst dateert van 30 september 2021 en heeft veel aandacht in de pers gekregen. Aangenomen dat op de ochtend van 19 oktober 2021 [de advocaat van InBev] thuis problemen met de internetverbinding heeft ondervonden, dan kunnen die verbindingsproblemen daarom niet worden aangemerkt als overmacht.
3.4
Het recht op het nemen van de memorie van grieven is komen te vervallen.
(...)”
3.8
Bij eindarrest van 30 november 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de hiervoor in 3.7 genoemde beslissing dat het recht op het nemen van de memorie van grieven is vervallen gehandhaafd en InBev niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Daartoe heeft het hof overwogen:
“2.1 In art. 133 lid 4 Rv is bepaald dat het recht om een proceshandeling te verrichten vervalt als die niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en als daarvoor ook geen uitstel kan worden verkregen. Op grond van art. 353 Rv is deze bepaling ook in hoger beroep van toepassing. In art. 1.8 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr, 12e versie) is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden gehandhaafd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit.
2.2
Aan InBev zijn de reguliere uitsteltermijnen voor het nemen van de memorie van grieven gegeven (zes plus vier weken; art. 2.16 en 2.17 Lpr), laatstelijk tot 19 oktober 2021, ambtshalve peremptoir. In art. 1.4 Lpr is bepaald dat de roldatum en het inlevertijdstip op dinsdag om 10:00 uur is. Op 19 oktober 2021 om 12:10 uur is namens InBev een uitstelverzoek ingediend, subsidiair een verzoek om een afwijkende proceduregang vast te stellen. De rolraadsheer heeft deze verzoeken afgewezen op de in de rolbeschikking weergegeven gronden.
2.3
Het hof handhaaft de onder 1.1 genoemde beslissing van de rolraadsheer. [De advocaat van InBev] stelt weliswaar dat hij door een internetstoring niet in staat was het uitstelverzoek tijdig - dat wil zeggen: voor het roltijdstip van 10:00 uur - in te dienen, maar hij heeft dit op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Evenmin heeft [de advocaat van InBev] op andere wijze (telefonisch) contact opgenomen met de griffie om aan te kondigen dat hij nog met een uitstelverzoek zou komen, maar dat dit door technische problemen niet tijdig gedaan kon worden.
2.4
Daarmee staat vast dat het recht van InBev is vervallen om de memorie van grieven te nemen. Het hof zal InBev daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep. (...)”
3.9
InBev heeft beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 26 mei 20234.de rolbeslissing van 26 oktober 2021 en het arrest van 30 november 2021 vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling. Aan deze beslissing lagen onder meer de volgende overwegingen ten grondslag:
“3.1.2. In art. 2.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: Lpr), zoals deze bepaling luidde ten tijde van de indiening van de incidentele memorie door InBev, is bepaald dat processtukken kunnen worden ingediend door toezending per post, afgifte aan de Centrale Balie, indiening ter zitting of toezending per fax. In art. 1.3.1 van de Tijdelijke algemene regeling zaaksbehandeling rechtspraak is bepaald dat (proces)stukken en berichten die op basis van de procesreglementen via de fysieke post kunnen worden verzonden, ook uitgewisseld kunnen worden via de ‘veilig mailen voorziening van de Rechtspraak’ (hierna: Veilig mailen). Voor het geval waarin een processtuk of bericht via Veilig mailen wordt ingediend en deze indiening als gevolg van een verstoring te laat plaatsvindt, leent art. 8 van het Besluit elektronisch procederen (hierna: Bep) zich voor overeenkomstige toepassing.
3.1.3
Art. 8 Bep bepaalt dat als op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot het aangewezen digitale systeem voor gegevensverwerking, een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar is als het bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.
Uit de Nota van toelichting bij het Bep blijkt dat ook verstoringen aan de zijde van de partij die langs elektronische weg een stuk of bericht wil indienen (zoals een stroomstoring of storing bij de provider van een partij) een niet aan die partij toe te rekenen (en dus verschoonbare) termijnoverschrijding als bedoeld in art. 8 Bep kunnen opleveren. De partij die zich hierop beroept, zal aannemelijk moeten maken dat zich op de laatste dag van de indieningstermijn (en, in voorkomend geval, voor het roltijdstip) een dergelijke, niet aan haar toerekenbare, verstoring heeft voorgedaan. Welke onderbouwing in dit verband kan worden verlangd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat het in de praktijk niet steeds mogelijk zal zijn om direct bij de indiening van het stuk of het bericht nadat de verstoring is verholpen, de oorzaak en de niet-toerekenbaarheid van de verstoring te onderbouwen.
3.1.4
In dit geval heeft de advocaat van InBev op 19 oktober 2021 om 12.10 uur de incidentele memorie tot aanhouding via Veilig mailen ingediend en daarbij aangevoerd dat hij door een internetstoring op zijn huisadres de memorie niet voor het roltijdstip van 10.00 uur kon mailen. Niet uitgesloten is dat het op dat moment voor hem nog niet mogelijk was om de oorzaak en de niet-toerekenbaarheid van de verstoring te onderbouwen. In de rolbeslissing van 26 oktober 2021 heeft het hof niet geoordeeld dat de gestelde internetstoring onvoldoende aannemelijk was gemaakt, maar heeft het hof (zoals hierna in 3.2.1-3.2.3 wordt overwogen ten onrechte) geoordeeld dat het recht op het nemen van de memorie van grieven is vervallen op de grond dat de incidentele memorie een uitstelverzoek wegens klemmende redenen betrof dat te laat was gedaan. Onder deze omstandigheden kon het hof in zijn eindarrest niet zonder meer (alsnog) oordelen dat de advocaat van InBev de gestelde internetstoring niet aannemelijk heeft gemaakt, maar had het hof eerst gelegenheid moeten bieden om de gestelde verstoring en de niet-toerekenbaarheid daarvan te onderbouwen. De onderdelen 4.1 en 4.2 zijn dus gegrond.
(…)
3.2.2
Een partij die aanhouding van de behandeling van de zaak wenst – bijvoorbeeld in afwachting van de beantwoording in een andere lopende procedure van prejudiciële vragen die rechtstreeks van belang zijn om op de vordering of het verzoek te beslissen (art. 392 lid 6 Rv) –, kan ervoor kiezen een daartoe strekkende incidentele vordering in te stellen. Voor de beantwoording van de vraag of een dergelijke incidentele vordering wordt behandeld en beoordeeld voorafgaand aan verdere proceshandelingen in de hoofdzaak, geldt de maatstaf van art. 209 Rv, die inhoudt dat de vordering eerst en vooraf wordt behandeld en beslist “indien de zaak dat medebrengt”.
3.2.3
Onderdeel 2.5 klaagt terecht dat het hof de incidentele memorie van InBev op onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd. Dit processtuk kan niet anders worden uitgelegd dan dat het primair een incidentele vordering tot aanhouding van de procedure op de voet van art. 392 lid 6 Rv inhoudt. Uit hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, volgt dat het hof diende te beoordelen of in dit geval eerst en vooraf diende te worden beslist op deze incidentele vordering.(…)”
3.10
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het geding bij arrest van 18 juni 2024 naar dit hof verwezen omdat een raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in de procedure in cassatie is opgetreden als advocaat voor Reimborg.
3.11
Tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen bij dit hof zijn de volgende procesafspraken gemaakt. Reimborg zal bij akte reageren op de onderbouwing van de internetstoring door InBev in de dagvaarding waarin Reimborg is opgeroepen om te verschijnen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Vervolgens zal InBev bij antwoordakte kunnen reageren, waarna het hof zal beslissen over de ontvankelijkheid van InBev. Als het hof beslist dat InBev ontvankelijk is in haar vorderingen in hoger beroep, zal de zaak inhoudelijk worden behandeld. Na de antwoordakte van InBev hebben partijen over en weer nog een akte genomen.
4. Beoordeling
4.1
Het hof stelt het volgende voorop. De Hoge Raad heeft overwogen dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had moeten beoordelen of eerst en vooraf diende te worden beslist op de incidentele vordering tot aanhouding van de procedure, onder verwijzing naar artikel 209 Rv waarin is bepaald dat op incidentele vorderingen eerst en vooraf wordt beslist “indien de zaak dat mede brengt”. De vraag of dat in dit geval had moeten gebeuren is echter pas aan de orde als InBev de (niet aan haar toerekenbare) internetstoring aannemelijk kan maken. Anders is InBev hoe dan ook niet ontvankelijk in haar hoger beroep, want dan is de incidentele vordering tot aanhouding te laat ingediend. Daarom zal het hof eerst de onderbouwing van de internetstoring beoordelen.
4.2
InBev heeft het volgende aangevoerd om de gestelde internetstoring te onderbouwen. Op de desbetreffende roldatum (19 oktober 2021) was sprake van bijzondere omstandigheden. In het kader van de coronacrisis gold vanaf 19 juli 2021 een thuiswerkadvies. De advocaat van InBev werkte op 19 oktober 2021 thuis. Kort voor 10.00 uur wilde de advocaat van InBev de incidentele memorie tot aanhouding indienen. Toen bleek dat de internetverbinding niet functioneerde is getracht om deze te herstellen met de gebruikelijke handelingen zoals het opnieuw opstarten van de computer en de routers, kabels controleren enzovoort. Dit had geen effect. Daarop is de advocaat van InBev naar zijn kantoor gegaan en is telefonisch contact gezocht met de griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Die adviseerde de memorie zo spoedig mogelijk alsnog in te dienen, wat de advocaat van InBev om 12.10 uur heeft gedaan. Na het arrest van de Hoge Raad heeft de advocaat van InBev getracht om bewijs te verkrijgen van de storing. De internetprovider heeft medegedeeld dat alleen logs van individuele storingen worden gemaakt als een klant belt over een storing. Verder worden dagelijks storingen op postcode- of stadsniveau geplaatst op de website. De logs van individuele storingen worden maximaal twee jaar bewaard. De meldingen van de storingen op postcode- of stadsniveau worden korter of niet bewaard. Bij e-mail van 5 maart 2024 heeft de internetprovider aan de advocaat van InBev bericht dat geen logs van een storing achterhaald kunnen worden. Na de storing zijn nieuwe storingen bij de advocaat van InBev opgetreden. Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat de router enkele maanden na 19 oktober 2021 is vervangen.
4.3
Reimborg heeft er in reactie op deze onderbouwing onder meer op gewezen dat de stelling van InBev dat de advocaat eerst met de griffie van het hof heeft gebeld en daarna de incidentele memorie alsnog heeft ingediend, niet strookt met de mededeling van de advocaat van InBev in zijn e-mail van 12.16 uur aan het hof: “Ik bel hierover zo met uw griffie”, en met overweging 2.3 in het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat de advocaat van InBev niet telefonisch contact met de griffie heeft opgenomen om aan te kondigen dat hij de incidentele memorie nog zou indienen. InBev is hier in haar antwoordakte niet meer op teruggekomen. Het hof gaat er daarom vanuit dat de eerdere stelling van InBev dat vóór de indiening van de incidentele memorie telefonisch contact met de griffie is gezocht en de griffie heeft geadviseerd de incidentele memorie alsnog in te dienen, niet juist is.
4.4
Afgezien van deze onjuistheid heeft InBev ook overigens onvoldoende gesteld ter onderbouwing van de internetstoring. InBev stelt slechts dat haar advocaat de memorie ten gevolge van een internetstoring niet tijdig heeft kunnen indienen, maar draagt verder niets aan waaruit blijkt dat die internetstoring zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. Dat had wel op haar weg gelegen. Als een advocaat ten gevolge van een internetstoring een processtuk niet op tijd kan indienen, met mogelijke niet-ontvankelijkheid van zijn cliënt in haar vordering tot gevolg, dan mag worden verwacht dat die advocaat direct, of in ieder geval kort na de internetstoring, bewijs van die storing probeert te verzamelen. In dit geval heeft (de advocaat van) InBev informatie opgevraagd bij de provider, maar daarmee is gewacht tot (ruim) na het arrest van de Hoge Raad. Het eerste document dat InBev aandraagt ter onderbouwing van de internetstoring is het bericht van de internetprovider van 5 maart 2024, waarin de internetprovider meedeelt dat gegevens van storingen maar twee jaar worden bewaard. (De advocaat van) InBev legt niet uit waarom zo lang is gewacht met het verzamelen van informatie. Zelfs als (de advocaat van) InBev kort na het arrest van de Hoge Raad - dat op 26 mei 2023 is gewezen - navraag had gedaan bij de internetprovider, had mogelijk nog bewijs van de internetstoring kunnen worden verkregen.
4.5
Als de storing zich niet heeft voorgedaan in het netwerk maar in de aansluiting van de woning van de advocaat van InBev op het netwerk (de router), is het de vraag of deze storing niet toerekenbaar is aan InBev. Maar ook een dergelijke storing maakt InBev onvoldoende aannemelijk. Zij stelt slechts dat er meerdere storingen zijn geweest en de router uiteindelijk enkele maanden na het incident is vervangen. Zij legt daar echter geen bewijsstuk van over, en ook geen enkel stuk waaruit kan blijken dat zich vóór de vervanging van de router storingen hebben voorgedaan, zoals (bewijs van) meldingen van zulke storingen bij de monteur, of verklaringen van de monteur over eerdere gebreken in de router.
4.6
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat InBev de gestelde internetstoring niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Dat betekent dat InBev niet ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Conclusie en proceskosten
4.7
De conclusie is dat het recht van InBev is vervallen om de incidentele memorie te nemen. Het hof zal InBev daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep. InBev zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Reimborg op € 7.144,- (2 punten x tarief V).
5. Beslissing
Het hof:
- verklaart InBev niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
- veroordeelt InBev in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Reimborg begroot op € 7.144,-.
Dit arrest is gewezen door mr. P. Glazener, mr. M.P.J. Ruijpers en mr. C.J. Loggen - ten Hoopen en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑01‑2026
Rechtbank Limburg 31 maart 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:2982.