Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/5.3.2
5.3.2 Vaste inrichting
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS395250:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld TC 24 februari 1976, de uitspraak is opgenomen in HR 5 april 1978, nr. 18 223, BNB 1978/123, Hof Den Bosch 19 juni 1997, nr. 95/0457, VN 1997, blz. 3868 en HR 7 januari 2005, nr. 39 386, BNB 2005/126. Vgl. HR 20 augustus 1997, nr. 32 454, BNB 1998/49.
Hof Arnhem 1 maart 2004, nr. 03/1845, VN 2004/30.21.
HR 7 januari 2005, reeds aangehaald.
Hof Arnhem 9 februari 2006, nr. 05/00283, VN 2006/35.23.
Hof Den Bosch 16 september 2010, nr. 09/00344, te vinden op www.rechtspraak.nl.
Hof Den Bosch 19 juni 1997, reeds aangehaald.
Vgl. B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde, Deventer, Uitgeverij FED, 1992, blz. 213, noot 24.
Advocaat-generaal van Soest, bij HR 25 augustus 1993, nr. 28 496, BNB 1993/337.
Rechtbank Den Haag 21 december 2006, nr. AWB 06/1140, gepubliceerd op www. rechtspraak.nl.
De uitspraken in de Nederlandse jurisprudentie over het begrip vaste inrichting kenmerken zich in de eerste plaats door het feit dat veel betekenis wordt toegekend aan het bestaan van een kantoorruimte.1 De zaken die voor de rechter komen zijn ook vaak die zaken waarin er slechts een zeer gering aantal omstandigheden zijn die wijzen op een vaste inrichting in het door belanghebbende gewenste land. Zo oordeelt bijvoorbeeld Hof Arnhem in zijn uitspraak van 1 maart 2004, opgenomen in VN 2004/30.21,2 dat de vermelding van een adres in Nederland op verkoopcontracten en facturen, het aanhouden van bankrekeningen in Nederland, het gebruik van het adres in Nederland tegenover bankrelaties en de omstandigheid dat de administratie van belanghebbendes onderneming zich in Nederland bevindt en mogelijk ook in Nederland wordt gevoerd onvoldoende is om een vaste inrichting van belanghebbende in Nederland aan te nemen. De Tariefcommissie oordeelt in haar uitspraak van 24 februari 1976,3 opgenomen in BNB 1978/123, dat belanghebbende niets heeft kunnen aanvoeren waaruit blijkt dat de dienstverrichter van wie hij prestaties heeft afgenomen een vaste inrichting heeft in Nederland. Het feit dat belanghebbende telefonisch contact had met de directeur van de dienstverrichter die woonde in Nederland en op de facturen en het briefpapier een adres en telefoonnummer in Nederland werden vermeld is hiertoe onvoldoende. De facturen en brieven werden opgemaakt in België en betaling moest plaatsvinden op een Belgische bankrekening in Belgische valuta. Uit het feit dat voornamelijk dit soort zaken voor de rechter komen, kan worden afgeleid dat in Nederland in de meeste gevallen geen problemen zijn bij het vaststellen of iemand een vaste inrichting heeft of dat men in een eerder stadium, in overleg met de belastingdienst, tot overeenstemming komt.
Een zaak waarin wel wordt bekeken of sprake is van voldoende personeel en middelen om een bepaalde activiteit uit te oefenen is die van de Hoge Raad van 7 januari 2005, opgenomen in BNB 2005/126.4 In deze zaak gaat het om een in België woonachtig natuurlijk persoon die een administratie- en advieskantoor heeft. Hij heeft afnemers in Nederland. Omdat de omzet die hij behaald in Nederland beperkt is wil hij de kleine ondernemersregeling van art. 25 Wet OB 1968 toepassen. Hij stelt daarom dat hij een vaste inrichting in Nederland heeft. Deze zou naar zijn mening kunnen bestaan uit zijn rijdend kantoor in de vorm van een kampeerauto of een kantoorruimte in Nederland. Hof Den Bosch oordeelde ten aanzien van de rijdende kantoorruimte dat deze niet kon worden aangemerkt als vaste inrichting, omdat deze niet beschikte over de technische middelen, zoals een computer, faxapparatuur en telefoon die noodzakelijk zijn voor belanghebbendes advies- en administratiekantoor. Het hof gaat echter voorbij aan belanghebbendes stelling dat hij een kantoorruimte heeft in Nederland. De Hoge Raad oordeelt dat het hof hieraan niet voorbij mocht gaan omdat de beschikking over een kantoorruimte in Nederland van belang kan zijn voor de vraag of belanghebbende in Nederland was gevestigd of een vaste inrichting had. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Arnhem. Voor Hof Arnhem5 brengt belanghebbende naar voren dat hij een zolderkamer huurt in het huis van zijn zus. De kamer heeft een oppervlakte van 12 vierkante meter en is ingericht met een bureau, kastruimte, computer en printer. Belanghebbende ontvangt nauwelijks klanten op dit adres. Het hof stelt dat de geschetste feiten en omstandigheden in deze zaak er niet op wijzen dat belanghebbende een vaste inrichting in Nederland heeft. In zijn bezwaarschrift noch in het voor Hof Den Bosch ingediende beroepschrift wordt gesproken van een kantoorruimte in de woning in Nederland. Het briefhoofd van deze geschriften vermeldt dit adres evenmin en belanghebbende ontvangt nauwelijks klanten op het adres.
In de zaak van Hof Den Bosch van 16 september 2010, nr. 09/003446 gaat het om een onderwijsinstelling die computers en printers leaset van een in Ierland gevestigde firma. Noch de Ierse firma noch de Nederlandse onderwijsinstelling hebben in Nederland btw voldaan over de leasediensten. Hof Den Bosch oordeelt dat de Ierse firma niet kan worden geacht in Nederland over een vaste inrichting te beschikken. De onderwijsinstelling had contact met [getuige] vanuit een gebouw in Nederland. Richting klanten trad hij op als vertegenwoordiger van de Ierse firma, maar hij was formeel in dienst bij een andere vennootschap. Hij kreeg vanuit Ierland standaardcontracten aangeleverd. Hij was ook niet bevoegd daarin zonder toestemming vanuit Ierland aanpassingen te doen. In de offerte die namens [getuige] aan de onderwijsinstelling is toegezonden is niet vermeld dat de firma is gevestigd in Ierland. Wel wordt een adres in Nederland genoemd. De leaseovereenkomst is getekend door iemand die in dienst is van de firma in Ierland. De facturen vermelden een correspondentieadres in Ierland. Als sales office staat het adres in Nederland vermeld en voor opmerkingen wordt een telefoonnummer in Nederland vermeld. Uit interne correspondentie bij de Ierse firma blijkt dat de vennootschap waarbij [getuige] in dienst is als agent optreedt voor de Ierse firma. De vennootschap fungeerde als doorgeefluik tussen de Ierse firma en de klant en legde verder alleen maar contact met potentiële klanten. Alle wezenlijke beslissingen werden genomen in Ierland. De Ierse firma beschikt in Nederland niet over een structuur die geschikt was om zelfstandig leaseovereenkomsten te sluiten. In deze zaak kan de vraag worden gesteld in hoeverre belanghebbende op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat [getuige] niet zelfstandig leasecontracten kon afsluiten. Belanghebbende heeft immers geen zicht op de interne verhoudingen tussen de Ierse firma en de vennootschap waarbij [getuige] in dienst is. Bij ontvangst van de leaseovereenkomst weet zij niet dat deze niet door [getuige] is opgesteld, maar dat sprake is van een standaardovereenkomst die [getuige] ook niet zonder voorgaande toestemming mag aanpassen. Ook is belanghebbende vermoedelijk niet op de hoogte van de interne correspondentie waarin is aangegeven dat de vennootschap slechts als agent optreedt. Hoewel de btw-richtlijn hier niet specifiek in voorziet, kan de vraag worden gesteld of belanghebbende in deze situatie niet een zekere mate van bescherming verdient. Het enkele feit dat de lease-overeenkomst wordt getekend door een werknemer van de Ierse firma brengt mijns inziens hierbij niet op zichzelf beschouwd met zich dat belanghebbende had moeten aannemen dat geen sprake kon zijn van een vaste inrichting in Nederland. Het leasecontract had een zekere omvang. Het zou intern beleid kunnen zijn dat dergelijke leasecontracten door de hoofdvestiging in Ierland ondertekend moeten worden. Ook het feit dat de Ierse firma op de facturen melding maakte van de verleggingsregeling kan niet als een dergelijke omstandigheid worden gezien. De Ierse firma kan immers een onjuiste beoordeling hebben gemaakt. Wel brengen de omstandigheden in deze zaak naar mijn mening met zich dat bij belanghebbende toch sprake is van een zekere onderzoeksplicht. Uit de zaak blijkt niet of belanghebbende aan een dergelijke onderzoeksplicht heeft voldaan.
Indien een activiteit wordt uitgeoefend, als de exploitatie van een vermogensbestanddeel die slechts een beperkte mate van arbeid met zich brengt, is het lastig vast te stellen of en waar de ondernemer een vaste inrichting heeft gevestigd. In zijn uitspraak van 19 juni 1997, opgenomen in VN 1997, blz. 3868,7 oordeelt Hof Den Bosch over de verhuur van een in Nederland gelegen vakantiewoning door een echtpaar uit Duitsland dat de vakantiewoning niet kan worden aangemerkt als vaste inrichting, omdat belanghebbenden in de bungalow geen kantoor houden en dat zij de bungalow vanuit het buitenland verhuren. Van Soest constateert eerder dat in dergelijke situaties drie inrichtingen zouden kunnen worden aangenomen: de plaats waar de exploitant de activiteiten verricht die voor de exploitatie aangewend worden, de plaats waar de gemachtigde/beheerder de activiteiten verricht die de tenuitvoerlegging van de exploitatie vormen of de plaats van de onroerende zaak zelf. De plaats van de onroerende zaak zelf is volgens hem niet geschikt. Het feit dat de onroerende zaak het object van de exploitatie is, brengt nog niet met zich dat de exploitatie ook vanuit die onroerende zaak plaatsvindt. Dat zou nog duidelijker zijn wanneer de exploitatie verscheidene zaken betreft en de zaken op verschillende plaatsen gelegen zouden zijn. Er zou dan sprake zijn van net zo veel vaste inrichtingen als er onroerende zaken zijn.8 Ook de activiteit van de gemachtigde is volgens van Soest geen correct aanknopingspunt. De activiteiten van de gemachtigde zullen weliswaar tezamen met haar andere activiteiten in een vaste bedrijfsinrichting van gemachtigde plaatsvinden, maar dit is niet een inrichting van de exploitant. Als inrichting van waaruit de diensten worden verricht, kan daarom slechts de plaats waar de exploitant zelf zijn eigen, zij het geringe activiteiten, verricht in aanmerking komen.9 Belanghebbende in de zaak van Rechtbank Den Haag van 21 december 2006, nr. AWB 06/114010 verhuurt bedrijfsmatig een automobiel in Suriname. Naar het oordeel van Rechtbank Den Haag is belanghebbende gevestigd in Nederland. Zij leidt dit af uit het feit dat belanghebbende op het bij de belastingdienst ingediende startersformulier een adres in Nederland heeft vermeld wat ook het woonadres is van haar directeur/enig aandeelhouder. Met ingang van 23 september 2003 is dit adres gewijzigd, omdat ook het woonadres van de directeur/enig aandeelhouder wijzigde. Belanghebbende gebruikt het postbus-adres van haar accountant evenals een eigen postbusadres in Nederland voor correspondentie. De rechtbank acht niet aannemelijk dat belanghebbende in het naheffingstijdvak een vaste inrichting in Suriname had. De door belanghebbende overlegde huurovereenkomsten van kantoorpanden in Paramaribo acht de rechtbank onvoldoende. Het feit dat belanghebbende beschikt over panden in Suriname wil nog niet zeggen dat in Suriname sprake is van een vaste inrichting. Pas wanneer vanuit die panden ook activiteiten met betrekking tot de verhuur van het voertuig plaatsvinden, zou dat standpunt eventueel kunnen worden ingenomen.