Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/20.1
20.1 Een overzicht van de periodieke publicatieverplichtingen
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS575534:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ingevolge art. 2:394 BW, voor alle Nederlandse rechtspersonen. Openbaarmaking vindt plaats door nederlegging van de stukken ten kantore kantore van het handelsregister dat wordt gehouden door de Kamer van Koophandel en fabrieken. Ingevolge art 5:25o Wft geldt voor beursvennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt een afwijkende regeling. Deze houdt in dat binnen vijf dagen na vaststelling de jaarrekening aan de AFM dient te worden gezonden.
Art. 5:25c Wft. Doorgaans zal op Nederlandse beursvennootschappen waarvan aandelen zijn toegelaten tot de handel van een gereglementeerde markt, deze verplichting toepasselijk zijn. Ik duid deze verplichting, in navolging van de terminologie in art. 5:25c, lid 1, Wft hierna aan als de verplichting tot publicatie van jaarlijkse financiële verslaggeving.
Op welke wijze publicatie — in de terminologie van de Wft: 'algemeen verkrijgbaarstelling' plaats dient te vinden, regelt art 5:25m Wft. In ieder geval dient een persbericht te worden gepubliceerd. Daarin kan worden verwezen naar de website van de beursvennootschap waarop de jaarlijkse financiële verslaggeving volledig dient te worden opgenomen (en ten minste vijf jaar beschikbaar gehouden). Gelijktijdig met de publicatie dient te informatie aan de AFM te worden gezonden.
Publicatie dient plaats te vinden, aldus art. 5:25e, lid 1, Wft in de eerste en in de tweede helft van het boekjaar in een periode die gelegen is tussen tien weken na aanvang en zes weken voor het einde van de betreffende periode. Hierover ook Kuijpers (2008), p. 9, met verdere verwijzingen. Kritisch over deze termijn van tien weken is Hoff (2008a), p. 80. Zijns inziens biedt deze periode '(te) veel ruimte aan uitgevende instellingen om zelf de timing van de tussentijdse bestuurdersverklaring te bepalen.' Ik deel zijn bezwaar niet. Deze verplichting doet niet af aan de, uit art. 5:25i, lid 2, Wft voortvloeiende, verplichting om onverwijld 'voorwetenschap' te publiceren. De 'timing' van dergelijke informatie wordt derhalve niet beïnvloed.
De reikwijdte van deze bepaling wijkt derhalve af van de andere periodieke publicatieverplichtingen. De verplichting geldt, ingevolge art. 5:25f, lid 1, Wft niet voor alle Nederlandse beursvennootschappen, maar voor alle beursvennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen of functionerende gereglementeerde markt.
Deze bepaling vormt de implementatie van art. 10 Prospectusrichtlijn. In het voorstel tot aanpassing van de Prospectusrichtlijn van de Europese Commissie van 23 september 2009 (besproken in § 3.2 van hoofdstuk 1 van deze studie) wordt voorgesteld die bepaling te schrappen. Hierover: Hijink (2009a), p. 270, waarin ik opmerkte dat het schrappen van deze bepaling op zichzelf bezien terecht is, maar de motivering daarvoor niet steekhoudend is.
Ingevolge art. 5:25f, lid 2, Wft. Over (art. 5:25 Wft, de voorganger van) deze bepaling: De Brauw/Raaijmakers (2007) en Grundmann-van de Krol (2008a), p. 144 en 301-302.
Voor een beschrijving verwijs ik naar Hijink (2006a), p. 47 e.v., met verdere verwijzingen. Hierover ook Grundmann-van de Krol (2008a), p. 301-303 en p. 314-330
Hoff (2008a), p. 84 spreekt over 'een potpourri van informatieverplichtingen van uitgevende instellingen', maar waarvan een pluspunt is dat deze 'systematisch en daarmee handzaam bij elkaar worden gebracht.'
Over deze implementatie: Hoff (200a), (2008b) en (2008c), Krol/Lieverse (2008), Kuijpers (2008, Dinant (2009a) en Strik (2009c), p. 149-154. Zie over de Transparantierichtlijn ook reeds Dinant (2005) en Strik (2005). Ook Josephus Jitta besteedde in zijn, naar verwachting in 2010 te publiceren, voordracht tijdens het congres over 'Geschillen in de vennootschap' te Nijmegen op 13 november 2009 aandacht aan hoofdstuk 5.1a Wft. Hij wees daarbij, in onderdelen 6, 7 en 12 van zijn voordracht, op een groot aantal foutjes en fouten in (de afstemming tussen) hoofdstuk 5.1a Wft en Wtfv.
Op basis van het Vaststellingsbesluit nadere voorschriften inhoud jaarverslag. Zie over het (onduidelijke) toepassingsbereik van het Vaststellingsbesluit nadere voorschriften inhoud jaarverslag: § 4.2 e.v. van hoofdstuk 13.
Ingevolge Besluit artikel 10 Overnamerichtlijn. Zie hierover reeds § 2 van hoofdstuk 17.
Onder de periodieke publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen versta ik de verplichtingen voor beursvennootschappen om gedurende in de wet- en regelgeving vastgelegde, vastomlijnde en periodieke, intervallen informatie te publiceren. In de Nederlandse wet- en regelgeving vormt de verplichting om jaarlijks de jaarrekening, de toelichting daarop, en het jaarverslag openbaar te maken daarvan het belangrijkste voorbeeld. Openbaarmaking dient — in beginsel plaats te vinden binnen 8 dagen na de vaststelling van de jaarrekening.1
Voor Nederlandse beursvennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt en waarvan Nederland de lidstaat van herkomst is als bedoeld in art. 5:25a, lid 1, onderdeel c, Wft, geldt een meer specifieke regeling.2 Publicatie van de jaarlijkse financiële verslaggeving, die ook verklaringen van de bij de beursvennootschap als verantwoordelijk aangewezen personen omvat, dient plaats te vinden binnen vier maanden na afloop van het boekjaar.3 Nederlandse beursvennootschappen dienen daarnaast zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee maanden na afloop van de eerste helft van het boekjaar halfjaarlijkse financiële verslaggeving — bestaande uit de halfjaarrekening, het halfjaarverslag en verklaringen — te publiceren.4 Verder geldt de verplichting om twee maal per jaar — (te) kort gezegd: in het eerste en in het derde kwartaal van het boekjaar5 — een tussentijdse verklaring te publiceren. Deze verklaringen, die ik hierna terminologisch gezien niet geheel zuiver aanduid als kwartaalberichten, dienen een toelichting te bevatten op de (gevolgen van de) belangrijkste gebeurtenissen en transacties die in de periode hebben plaatsgevonden. Ook moet in die berichten een algemene beschrijving worden opgenomen van de financiële positie en de prestaties van de beursvennootschap tijdens die periode. Ten slotte geldt voor beursvennootschappen waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen gereglementeerde markt6 thansnog7 een verplichting om jaarlijks een document te publiceren dat, kort gezegd, alle gegevens bevat of naar alle gegevens verwijst die de beursvennootschap in de laatste 12 maanden heeft gepubliceerd of voor het publiek beschikbaar heeft gesteld op grond van effectenrechtelijke wet- en regelgeving.8
De periodieke publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen waren tot 1 januari 2009 verspreid opgenomen in Boek 2 BW, Hoofdstuk II van de Wte 1995 Hoofdstuk 5.1 van de Wft en in (het toenmalige Fondsenreglement, waarvoor in de plaats kwam) Rule Book 11.9 Door de inwerkingtreding van de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn heeft sinds die datum een concentratie10 van de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen plaatsgevonden in hoofdstuk 5.1a Wft.11 Daarmee is overigens niet gezegd dat Boek 2 BW voor (de inrichting van) de periodieke publicatieverplichtingen van Nederlandse beursvennootschappen geen rol meer zou spelen. Sterker; het belang daarvan is de afgelopen jaren toegenomen, onder meer omdat in art. 2:391 lid 5 BW een grondslag is opgenomen op basis waarvan uiteenlopende voorschriften voor de inhoud van het jaarverslag van Nederlandse beursvennootschappen zijn uitgevaardigd. Het gaat daarbij niet alleen om de verplichting om in het jaarverslag mededeling te doen over de naleving van de Nederlandse corporate governance code en om een verklaring inzake corporate governance af te leggen.12 Ook de, deels hiermee overlappende, verplichting voor Nederlandse beursvennootschappen om in het jaarverslag mededeling te doen over aspecten van corporate governance is daarvan een voorbeeld.13