De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie
Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/6.2.1:6.2.1 Ter introductie
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/6.2.1
6.2.1 Ter introductie
Documentgegevens:
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS383742:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 16 Tiende Richtlijn moet voorkomen dat vennootschappelijke medezeggenschapsrechten wegvloeien als een gevolg van een grensoverschrijdende fusie. Op basis van deze bepaling gaat men na aan welk medezeggenschapsregime de uit de fusie ontstane vennootschap onderworpen raakt. Het begrip medezeggenschap neemt binnen de systematiek van art. 16 Tiende Richtlijn een prominente plaats in. Over het algemeen wordt aangenomen dat de definitie van art. 2 (k) SE-Richtlijn van overeenkomstige toepassing is. Deze bepaling verstaat onder medezeggenschap: ‘de invloed van het orgaan dat de werknemers vertegenwoordigt en/of van de werknemersvertegenwoordigers op de gang van zaken bij een vennootschap via het recht om een aantal leden van het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de vennootschap te kiezen of te benoemen of het recht om met betrekking tot een aantal of alle leden aanbevelingen te doen of bezwaar te maken’. In aanvulling hierop schaart de Tiende Richtlijn de invloed op de samenstelling van het leidinggevende orgaan onder het toepassingsbereik. Hieronder wordt in een monistische bestuursstructuur het uitvoerende bestuur (afzonderlijk directiecomité of uitvoerende bestuursleden) en in een dualistische bestuursstructuur het bestuursorgaan verstaan (vgl. hoofdstuk 3.4.4).
Art. 16 Tiende Richtlijn kent een eenvoudige benadering van het concept medezeggenschap. De systematiek gaat uit van een proportioneel aantal medezeggenschapsrechten en de vorm daarvan. Het proportionele aantal medezeggenschapsrechten wordt bepaald op basis van de ‘hoogste aantal doctrine’. De vorm van het medezeggenschapsrecht (keuze, benoeming, aanbeveling of bezwaar) doet in deze doctrine niet ter zake. Ook blijft buiten beschouwing of de invloed is gericht op de samenstelling van het leidinggevende, het toezichthoudende of het bestuursorgaan. Het gaat louter om het proportionele aantal medezeggenschapsrechten. Geven de wettelijke referentievoorschriften inhoud aan het medezeggenschapssysteem na de fusie, dan is de vorm van de medezeggenschapsrechten bij het bestaan van meerdere vormen in de deelnemende vennootschappen ter keuze van de BOG. Bestaat voorafgaand aan de fusie slechts één vorm van medezeggenschap in de deelnemende vennootschappen, dan geldt deze vorm ook na de fusie (vgl. hoofdstuk 3.10.2).