Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/9.2.2
9.2.2 Plaats in het systeem en wijze van toepassing
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS601320:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In het Nederlandse bestuursrecht is wel voor een dergelijk systeem gekozen. Artt. 7:15 lid 2, 7:28 lid 2 en 8:75 lid 1 Awb verwijzen naar het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarin is een bijlage met forfaitaire tarieven opgenomen. In dat besluit is ook de regel opgenomen dat de rechter in bijzondere omstandigheden van die tarieven mag afwijken (art. 2 lid 3 Bpb). Deze open norm wordt in de jurisprudentie langzaam ingevuld; zo kan een bestuursorgaan dat een beschikking ' tegen beter weten in handhaaft' worden veroordeeld tot integrale vergoeding van proceskosten, evenals de ' in vergaande mate onzorgvuldig' handelende belastinginspecteur (HR 4 februari 2011, LJN BP2975, VN 2011, 10.7).
Teuben 2004, p. 96.
Zo werden voor de Engelse Jackson Reports verschillende organisaties geraadpleegd, waaronder verzekeraars, vakbonden en burgerorganisaties. Zie Jackson 2009, Annex 2. Ook de Nederlandse Gedragscode Behandeling Letselschade is een voorbeeld van een project dat tot stand is gekomen met medewerking van o.a. slachtofferorganisaties en verzekeraars.
De status quo bias kan nog verder worden teruggedrongen als rechters kostenconsequentie moeten opleggen als aan één van de criteria is voldaan of als rechters gedwongen zijn om ook steeds ambtshalve te motiveren waarom niet aan een van de criteria is voldaan. Dit kan echter weer andere nadelen hebben: zie § 8.3.3.
Hoewel de rechter daar terughoudend mee om dient te gaan in het kader van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid; afwijking dient slechts te gebeuren bij ' bijzondere omstandigheden' , aldus Teuben 2004, p. 184.
Bijvoorbeeld door de opstellers van het liquidatietarief en/of door wetenschappers. Vgl. het onderzoek van Jacobs 2010 naar de substantiëringsplicht. Of beter nog: door een experiment te houden. Zie § 9.4.4.
De door mij bepleite scherpe gedragscriteria en maximumtarieven moeten ergens hun plaats in het recht krijgen. Een mogelijkheid zou zijn om ze wettelijk vast te leggen, bijvoorbeeld in artikel 237 Rv, als nadere invulling van de nodelozekostenbepaling. Dat ligt echter systematisch gezien niet voor de hand, omdat dan in de wet moet worden verwezen naar de tariefschalen van het liquidatietarief, die op zichzelf verder geen wettelijke verankering kennen en geen recht in de zin van artikel 79 RO vormen. Om dezelfde reden zou een Koninklijk Besluit, zoals in België, ook onhandig zijn, tenzij het gehele liquidatietarief zou worden overgenomen door de wetgever.1
De wetgever heeft zich echter niet voor niets onthouden van het vaststellen van forfaitaire advocatentarieven in het kader van proceskostenveroordeling en dit overgelaten aan het overleg tussen rechterlijke macht en advocatuur.2 Teuben wijst meer in het algemeen op de artikelen 23 lid 3 en 94 RO, waaruit blijkt dat de wetgever een taak voor de rechterlijke macht ziet in het bevorderen van juridische kwaliteit en een uniforme rechtstoepassing.3 Overigens zou het niet verkeerd zijn als naast advocaten en rechters ook (belangengroepen van) burgers en wetenschappers zouden meepraten. Dat zorgt voor draagvlak en voorkomt dat slechts deelbelangen worden gediend.4
Het liquidatietarief lijkt de aangewezen plaats voor de voorgestelde wijziging. In deze wijziging zouden de huidige bedragen voortaan ' basisbedragen' kunnen worden genoemd. Daaraan worden dan maximumbedragen gekoppeld. Daarnaast moet een bepaling worden toegevoegd die een opsomming bevat met criteria ten aanzien van procesgedrag, die de rechter zal hanteren bij de beslissing om van het basisbedrag af te wijken richting maximumbedrag (of juist naar beneden). Een soortgelijke bepaling kan in de indicatietarieven in IE-zaken worden opgenomen, als invulling van de in artikel 1019h Rv genoemde billijkheid. Voor familiezaken hoeft geen aparte regeling te worden gecreëerd: de rechter kan bij de beslissing om een kostenveroordeling uit te spreken aansluiten bij de criteria in het liquidatietarief.
Bij de toepassing kan de rechter kort motiveren dat aan één of meer van de criteria is voldaan en dat een kostenconsequentie wordt opgelegd. Deze korte motivering kan in cassatie worden getoetst op begrijpelijkheid, zoals nu reeds het geval is.5
Een consequentie van implementatie van de nieuwe regels in het liquidatietarief is dat strikt gezien de rechter nog steeds mag afwijken van het tarief en dus ook van de nieuwe criteria en maximumbedragen.6 Dat gebeurt echter nu al nauwelijks en dit past bovendien prima bij de aanbeveling om de nieuwe criteria niet bindend en uitputtend te laten zijn, maar de rechter de bevoegdheid te laten houden om in klaarblijkelijk onbillijke gevallen een kostenconsequentie achterwege te laten, ook al is aan een criterium voldaan. Het is dan wel van belang dat wordt gemonitord7 of dit niet te vaak gebeurt en of rechters via deze sluiproute niet toch een eis van bijvoorbeeld subjectieve verwijtbaarheid in de criteria ' inlezen' . Rechters moeten in ieder geval druk voelen om de criteria doorgaans wél toe te passen, anders gaan de deterrence en voorspelbaarheid verloren.