NJ 1925, p. 612
Beteekenis van de voorrechten van artt. 1185, 3° en 1185, 5° B. W. Verwerking van satijn en bont aan een bontmantel. Moet het gekochte nog als een zelfstandige zaak aanwezig zijn ? „Bearbeiding" der zaak. Beteekenis van „werkman". Verband met retentierecht.
HR 03-04-1925, ECLI:NL:HR:1925:121
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
3 april 1925
- Magistraten
Mrs. Bosch, Savelberg, Jhr. Feith, Ort en Taverne.
- Zaaknummer
[03041925/NJ_1925,_p._612]
- Conclusie
Mr. Tak
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1925:121, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑04‑1925
- Wetingang
(BW art. 1185 onder 3, art. 1185 onder 5.)
Essentie
Beteekenis van de voorrechten van artt. 1185, 3° en 1185, 5° B. W. Verwerking van satijn en bont aan een bontmantel. Moet het gekochte nog als een zelfstandige zaak aanwezig zijn ? „Bearbeiding" der zaak. Beteekenis van „werkman". Verband met retentierecht.
Samenvatting
Voor de uitoefening van het voorrecht van art. 1185, 3°. is het voldoende, dat de kooper de goederen nog in aanwijsbaren vorm in zijn bezit heeft. De door het Hof gewilde beperking, dat de zaken hare zelfstandigheid hebben behouden en niet met andere zaken tot één geheel zijn verwerkt, vindt in de wet geen steun. [Anders ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.