Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/9.2.1
9.2.1 Inleiding
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300447:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering vormt van Eikema Hommes 1972, die bijvoorbeeld op p. 247 bekijkt uit welke bouwstenen pand- en hypotheekrechten zijn opgebouwd. Een abstracte bespreking van de opbouw van het eigendomsrecht is te vinden bij Struycken 1903, p. 249, die bij een bespreking van het eigendomsrecht onderscheidt naar de bevoegdheden van de eigenaar en de daarmee corresponderende verplichtingen van anderen, alsmede manieren om die bevoegdheden en verplichtingen te veranderen.
Zie bijvoorbeeld Struycken 2007, p. 230, 268 voor het verschil tussen het (Anglo-) Amerikaanse begrip ‘property’ en het Nederlandse begrip ‘eigendom’. Op beide plaatsen geeft hij aan dat het begrip ‘eigendom’ méér omvat dan alle denkbare bevoegdheden die in een ‘bundle of rights’ zitten.
Zie in gelijke zin Meijers 1910, p. 205; Asser/Scholten 1945, p. 7; de Jong 2006, p. 70–71.
Een parallel tussen de (Anglo-) Amerikaanse en de Nederlandse literatuur die ik hier verder niet uitwerk, is de vraag of ‘gestapelde’ rechten betrekking hebben op elkaar of op het onderliggende rechtsobject; zie hierover voetnoot 74 van hoofdstuk 5, waar ik, kort samengevat, opmerk dat onderscheiden moet worden tussen het in abstracte zin beschrijven van subjectieve rechten (waarin het stapelen van rechten niet nodig is) en de concrete uitwerking van het vermogensrechtelijk systeem (waarin het stapelen tot nuttige vereenvoudiging kan leiden). Zie in vergelijkbare zin Eggens 1960, p. 202–203. Dit onderscheid wordt mijns inziens onvoldoende gemaakt door de Jong 2006, p. 73 e.v. Zie de reacties daarop van Snijders 2006, p. 835; Verstijlen 2006, p. 274.
Zie bijvoorbeeld Snijders 2006, p. 833 voor dogmatische consequenties en Koops 2014, p. 10; Neppelenbroek 2016, p. 195 voor praktische consequenties.
Zie Struycken 2007, p. 266–268 naar aanleiding van het verschil tussen het continentaal-Europese en het (Anglo-) Amerikaanse eigendomsbegrip.
Zo stelt Smits 1996, p. 41 de vraag naar het bestaan van de numerus clausus en het wat en waarom van goederenrechtelijke rechten uitdrukkelijk in elkaars verlengde. Zie over de numerus clausus uitgebreid Struycken 2007, meer specifiek over de rol van de wetgever p. 779 e.v.
Alle in voetnoot 1 van dit hoofdstuk genoemde proefschriften zien (voornamelijk) op deze onderwerpen.
Zie Struycken 2007, p. 229: “De totaliteitsgedachte heeft de beschrijving van het eigendomsrecht aanzienlijk vergemakkelijkt. Het maakt het namelijk overbodig om de eigenaarsbevoegdheden alle precies te specificeren, aangezien zij alle van het eigendomsrecht deel uitmaken.”
De vraag naar wat een rechtsobject is komt überhaupt meer aan de orde in rechtsliteratuur uit landen met een ‘civil law’-traditie; zie Mincke 1996; Praduroux 2017.
368. Hieronder laat ik zien dat een behoorlijk deel van de opvattingen die ik in de voorgaande hoofdstukken heb weergegeven, ook al, in verspreide zin, in de Nederlandse rechtsliteratuur zijn terug te vinden. Ik beperk me in dit overzicht tot publicaties van grofweg de laatste honderd jaar. Het is goed om in het achterhoofd te houden dat de discussie over de aard en bestaansredenen van subjectieve rechten in de Nederlandse literatuur op een andere wijze wordt gevoerd dan in de (Anglo-) Amerikaanse literatuur. Het is in Nederland niet gebruikelijk om subjectieve rechten op te bouwen uit kleinere bouwsteentjes.1 Men begint normaal gesproken met het ‘meest omvattende’ recht dat men kan hebben (zoals het eigendomsrecht op een zaak) en leidt daar de minder omvattende (beperkte) rechten uit af.2 De nadruk ligt daardoor op het ‘volle’ recht en de bevoegdheden die daarin besloten liggen. Dat heeft twee gevolgen.
369. Het eerste gevolg heeft er mee te maken dat het eenvoudiger is om te denken in rechtsobjecten dan in relaties (en de rechten die men daarin jegens anderen heeft).3 De nadruk op een ‘vol’ recht brengt het object van dat recht naar de voorgrond, zelfs zoveel dat recht en object soms vereenzelvigd worden.4 In ons (juridische) spraakgebruik gebeurt dat bijvoorbeeld door het eigendomsrecht van een zaak en die zaak zelf als inwisselbaar te zien. De gevolgen daarvan zijn niet louter taaltechnisch, maar hebben dogmatische en praktische consequenties.5
370. Het tweede gevolg van het gebruik van een ‘vol’ recht op een rechtsobject als startpunt voor begripsvorming is dat er grote(re) nadruk komt te liggen op de vraag of een recht van goederenrechtelijke of verbintenisrechtelijke aard is. De reden daarvoor is dat naarmate goederenrechtelijke rechten dogmatisch strikter worden onderscheiden van verbintenisrechtelijke rechten, het eenvoudiger is om te differentiëren naar de rechtsgevolgen die aan deze onderscheiding worden verbonden.6 Het belang van het onderscheid is terug te zien in de belangrijke rol die de wetgever speelt in het vermogensrecht. Deze bepaalt, door middel van de numerus clausus, welke (beperkte) rechten van goederenrechtelijke aard zijn en welke inhoud deze (beperkte) rechten kunnen hebben.7
371. In de bovenstaande randnummers zijn de thema’s te herkennen die in de Nederlandse rechtsliteratuur ruime aandacht hebben gekregen, omdat zij logisch voortvloeien uit de aandacht voor het ‘volle recht’ en het object van dat recht: de verhouding tussen recht en object, het onderscheid tussen goederen- en verbintenissenrecht, de numerus clausus en de mogelijke inhoud van beperkte rechten.8 Bij het uitdiepen van deze thema’s kan men het ‘volle’ recht als eenvoudig startpunt gebruiken.9 Veel van de literatuur over subjectieve rechten is in Nederland daarom van goederenrechtelijke aard.
372. Auteurs die het gehele vermogensrecht – dus ook het goederenrecht – willen beschrijven op basis van rechtsverhoudingen tussen partijen, hebben het minder eenvoudig. Desalniettemin is ook in de Nederlandse rechtsliteratuur aandacht gevraagd voor een benadering van goederenrechtelijke rechten die uitgaat van een verhouding tussen de gerechtigde, het rechtsobject en andere personen (paragraaf 9.2.2). Het rechtsobject in deze omschrijving heeft in de Nederlandse rechtsliteratuur veel aandacht gekregen. Men lijkt zich er – meer dan in de (Anglo-) Amerikaanse rechtsliteratuur – van bewust te zijn dat een rechtsobject een juridische constructie is, waarvan de inhoud door het recht wordt bepaald en veranderd.10 Dat maakt het mogelijk om met redelijke precisie te omschrijven wat het object is van een goederenrechtelijk recht (paragraaf 9.2.3). Diezelfde precisie ontbreekt echter bij het beschrijven van de elementen waaruit het recht bestaat dat ‘op’ dat rechtsobject rust. Daarvoor zijn twee redenen aan te wijzen. Ten eerste ontbreekt het aan een conceptueel kader om de juridische posities die een gerechtigde in relatie tot anderen ten aanzien van een rechtsobject in kan nemen, te omschrijven (paragraaf 9.2.4). Ten tweede is het daarnaast nog niet mogelijk gebleken een theorie te ontwikkelen die verklaart welke van deze juridische posities wel of niet ‘in’ een goederenrechtelijk recht thuishoren (zie hoofdstuk 12). Ik heb het idee dat deze twee theoretische leemtes ervoor gezorgd hebben dat een ‘relationele’ benadering van goederenrechtelijke rechten in Nederland nooit echt vaste voet aan de grond heeft gekregen.