Procestaal: Duits.
HvJ EU, 15-09-2022, nr. C-18/21
ECLI:EU:C:2022:682
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
15-09-2022
- Magistraten
K. Jürimäe, K. Lenaerts, N. Jääskinen, M. Safjan, N. Piçarra
- Zaaknummer
C-18/21
- Conclusie
A. collins
- Roepnaam
Uniqa Versicherungen
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2022:682, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 15‑09‑2022
ECLI:EU:C:2022:245, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 31‑03‑2022
Uitspraak 15‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Europese betalingsbevelprocedure — Verordening (EG) nr. 1896/2006 — Artikel 16, lid 2 — Termijn van dertig dagen om een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel in te dienen — Artikel 20 — Heroverwegingsprocedure — Artikel 26 — Toepassing van het nationale recht voor procedurekwesties die niet uitdrukkelijk door die verordening worden geregeld — COVID-19-pandemie — Nationale regeling waarbij de procestermijnen in burgerlijke zaken gedurende enkele weken zijn gestuit
K. Jürimäe, K. Lenaerts, N. Jääskinen, M. Safjan, N. Piçarra
Partij(en)
In zaak C-18/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 27 november 2020, ingekomen bij het Hof op 12 januari 2021, in de procedure
Uniqa Versicherungen AG
tegen
VU,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Jääskinen, M. Safjan en N. Piçarra, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: M. Krausenböck, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 januari 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Uniqa Versicherungen AG, vertegenwoordigd door S. Holter, Rechtsanwalt, en S. Pechlof, Prozessbevollmächtigter,
- —
VU, vertegenwoordigd door M. Brandt, Rechtsanwalt,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, E. Samoilova, U. Scheuer en J. Schmoll als gemachtigden,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door S. Charitaki, V. Karra en A. Magrippi als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en I. Zaloguin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 maart 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 20 en 26 juncto artikel 16, lid 2, van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB 2006, L 399, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2015/2421 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 (PB 2015, L 341, blz. 1) (hierna: ‘verordening nr. 1896/2006’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Uniqa Versicherungen AG — een Oostenrijkse verzekeringsmaatschappij — en VU — een Duitse onderdaan — over de tenuitvoerlegging van een Europees betalingsbevel dat aan laatstgenoemde is betekend.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 8, 9, 18 en 24 van verordening nr. 1896/2006 luiden als volgt:
- ‘(8)
De daaruit voortvloeiende belemmeringen voor de toegang tot efficiënte verhaalmogelijkheden in grensoverschrijdende zaken en de verstoring van de mededinging binnen de interne markt ten gevolge van de ongelijke procedurele middelen die de schuldeisers in de verschillende lidstaten ter beschikking staan, vragen om communautaire wetgeving die schuldeisers en schuldenaren in de gehele Europese Unie gelijke concurrentievoorwaarden waarborgt.
- (9)
Doel van deze verordening is de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren, en het vrije verkeer van Europese betalingsbevelen tussen de lidstaten te bewerkstelligen door minimumnormen te stellen waarvan de naleving tot gevolg heeft dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de erkenning en de tenuitvoerlegging geen intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid.
[…]
- (18)
In het Europese betalingsbevel moet de verweerder ervan in kennis worden gesteld dat hij ofwel het vastgestelde bedrag aan de eiser kan betalen, ofwel binnen een termijn van dertig dagen een verweerschrift kan indienen indien hij de vordering wenst te betwisten. Naast de volledige informatie over de vordering, die door de eiser wordt verstrekt, moet de verweerder op de hoogte worden gebracht van de juridische betekenis van het Europese betalingsbevel en met name van de gevolgen van het niet betwisten van de vordering.
[…]
- (24)
Een tijdig ingediend verweerschrift moet een einde maken aan de Europese betalingsbevelprocedure en moet de zaak automatisch doen overgaan naar een gewone civielrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht om de procedure in dat geval stop te zetten. Het concept ‘gewoon civielrechtelijke procedure’ wordt niet in de zin van het nationaal recht uitgelegd.’
4
Artikel 1 van deze verordening bepaalt:
- ‘1.
Deze verordening heeft ten doel:
- a)
de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren;
en
- b)
het vrije verkeer van Europese betalingsbevelen tussen de lidstaten te bewerkstelligen door minimumnormen te stellen waarvan de naleving tot gevolg heeft dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de erkenning en de tenuitvoerlegging geen intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid.
- 2.
Deze verordening belet geenszins dat een eiser een vordering in de zin van artikel 4 geldend maakt met behulp van een andere procedure waarin het recht van een lidstaat of het Gemeenschapsrecht voorziet.’
5
Artikel 12 van deze verordening bepaalt in lid 3:
‘In het Europees betalingsbevel wordt de verweerder meegedeeld dat hij de volgende mogelijkheden heeft:
- a)
het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser te betalen;
of
- b)
verweer tegen het bevel aan te tekenen door bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift in te dienen, dat binnen 30 dagen nadat het bevel aan de verweerder is betekend of ter kennis gebracht wordt verzonden.’
6
Artikel 16 van die verordening heeft als opschrift ‘Verweer tegen een Europees betalingsbevel’ en bepaalt in de leden 1 tot en met 3:
- ‘1.
De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen door middel van het standaardformulier F van bijlage VI, dat hem samen met het Europees betalingsbevel wordt verstrekt.
- 2.
Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht.
- 3.
In het verweerschrift vermeldt de verweerder dat hij de schuldvordering betwist, zonder gehouden te zijn te verklaren op welke gronden de betwisting berust.’
7
Artikel 17 van verordening nr. 1896/2006, met als opschrift ‘Gevolgen van de indiening van een verweerschrift’, luidt:
- ‘1.
Indien binnen de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn een verweerschrift is ingediend, wordt de procedure voortgezet voor de bevoegde gerechten van de lidstaat van oorsprong, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken. De procedure wordt voortgezet volgens de regels van:
- a)
de in verordening (EG) nr. 861/2007 [van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB 2007, L 199, blz. 1)] vastgelegde Europese procedure voor geringe vorderingen, indien van toepassing, of
- b)
een passende nationale civielrechtelijke procedure.
- 2.
Indien de eiser niet heeft aangegeven welke van de in lid 1, onder a) en b), vermelde procedures hij op zijn vordering toegepast wil zien in de procedure die volgt bij indiening van een verweerschrift, of indien de eiser heeft verzocht om toepassing van de in [verordening nr. 861/2007] vastgestelde Europese procedure voor geringe vorderingen op een vordering die niet onder het toepassingsgebied van die verordening valt, gaat de procedure over naar de dienstige nationale civielrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht die overgang niet te laten plaatsvinden.
- 3.
Indien de eiser zijn vordering door middel van de Europese betalingsbevelprocedure geldend heeft gemaakt, laat het nationaal recht zijn positie in de daaropvolgende civielrechtelijke procedure onverlet.
- 4.
De overgang naar de civielrechtelijke procedure in de zin van lid 1, onder a) en b), wordt beheerst door het recht van de lidstaat van oorsprong.
- 5.
Aan de eiser wordt medegedeeld of de verweerder een verweerschrift heeft ingediend en of er naar een civielrechtelijke procedure wordt overgegaan in de zin van lid 1.’
8
Artikel 20 van verordening nr. 1896/2006, met als opschrift ‘Heroverweging in uitzonderingsgevallen’, luidt:
- ‘1.
De verweerder heeft het recht om, na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, het bevoegde gerecht van de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
- i)
het betalingsbevel is op een van de in artikel 14 genoemde wijzen betekend of ter kennis gebracht;
en
- ii)
de betekening of kennisgeving is buiten zijn schuld, niet zo tijdig geschied als met het oog op zijn verdediging nodig was,
of
- b)
de verweerder de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden, buiten zijn schuld,
mits hij in beide gevallen onverwijld handelt.
- 2.
Na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2 gestelde termijn, heeft de verweerder tevens het recht om het bevoegde gerecht in de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden.
- 3.
Indien het gerecht het verzoek van de verweerder weigert omdat geen van de in de leden 1 en 2 bedoelde heroverwegingsgronden van toepassing is, blijft het Europees betalingsbevel van kracht.
Indien het gerecht besluit dat heroverweging om een van de in de leden 1 en 2 bedoelde redenen gegrond is, is het Europees betalingsbevel nietig.’
9
Artikel 26 van deze verordening heeft als opschrift ‘Verhouding tot het nationale procesrecht’ en bepaalt:
‘Niet uitdrukkelijk in deze verordening geregelde procedurekwesties worden beheerst door het nationale recht.’
Oostenrijks recht
10
§ 1, lid 1, van het COVID-19-Justiz-Begleitgesetz (federale wet betreffende begeleidende maatregelen voor de rechtspleging in verband met COVID-19) van 21 maart 2020 (BGBl. I nr. 16/2020), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘Oostenrijkse COVID-19-wet’), bepaalt dat in gerechtelijke procedures in burgerlijke zaken alle procedurele termijnen die ingingen na 21 maart 2020 of op die datum nog niet waren verstreken, werden gestuit tot 30 april 2020 en opnieuw begonnen te lopen op 1 mei 2020.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
11
Op 6 maart 2020 heeft het Bezirksgericht für Handelssachen Wien (handelsrechter in eerste aanleg Wenen, Oostenrijk) op verzoek van Uniqa Versicherungen een Europees betalingsbevel uitgevaardigd, dat op 4 april 2020 is betekend aan VU, een natuurlijk persoon die is gevestigd in Duitsland. VU heeft tegen dit betalingsbevel verweer aangetekend bij een brief die gepost is op 18 mei 2020. Zijn verweer is door die rechterlijke instantie afgewezen op grond dat het niet binnen de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 gestelde termijn van dertig dagen was ingediend.
12
Het Handelsgericht Wien (handelsrechter in tweede aanleg Wenen, Oostenrijk), heeft als beroepsrechter die beslissing vernietigd op grond van § 1, lid 1, van de Oostenrijkse COVID-19-wet.
13
Uniqa Versicherungen heeft tegen de beslissing van het Handelsgericht Wien beroep in Revisioningesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak.
14
Die rechterlijke instantie benadrukt dat § 1, lid 1, van de Oostenrijkse COVID-19-wet tegemoetkwam aan een situatie waarin het wegens ziekte van het gerechtelijk personeel, de gerechtelijke ambtenaren of de partijen of wegens de getroffen maatregelen niet altijd mogelijk was de procestermijnen na te leven.
15
Volgens de verwijzende rechter lopen in de Oostenrijkse rechtsleer de meningen uiteen over de vraag of die nationale regeling kan worden toegepast op de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 vastgestelde termijn van dertig dagen om verweer in te dienen tegen een Europees betalingsbevel, dan wel of artikel 20 van deze verordening uitsluit dat die nationale regeling wordt toegepast op de termijn om een verweerschrift in te dienen.
16
Een deel van de Oostenrijkse rechtsleer is van mening dat artikel 20 van deze verordening erin voorziet dat een Europees betalingsbevel in gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden, zoals de COVID-19-crisis, kan worden heroverwogen, wat tot de vernietiging van dat bevel kan leiden. Aangezien dergelijke situaties door die verordening uitputtend worden geregeld, kan het nationale recht in die opvatting niet worden ingeroepen.
17
Volgens een ander deel van de rechtsleer staat artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 niet in de weg aan de toepassing van een nationale regeling als § 1, lid 1, van de Oostenrijkse COVID-19-wet. Artikel 16, lid 2, van deze verordening ziet immers enkel op de duur van de verweertermijn, terwijl de eventuele stuiting van deze termijn in het Unierecht nergens wordt geregeld. Bijgevolg moet artikel 26 van deze verordening worden toegepast, dat bepaalt dat niet uitdrukkelijk in deze verordening geregelde procedurekwesties worden beheerst door het nationale recht. Zo bezien beoogt artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 enkel billijkheid te garanderen in individuele gevallen en bevat het geen algemene regeling voor een uitzonderlijke situatie als de COVID-19-crisis.
18
In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten de artikelen 20 en 26 van [verordening nr. 1896/2006] aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen zich ertegen verzetten dat de in artikel 16, lid 2, van deze verordening gestelde termijn van dertig dagen voor het indienen van een verweerschrift tegen een Europees betalingsbevel wordt gestuit door § 1, lid 1, van de [Oostenrijkse COVID-19-wet], volgens welke bepaling in procedures in burgerlijke zaken alle procedurele termijnen waarvan de gebeurtenis die de termijn doet ingaan zich voordoet na 21 maart 2020 of die op die datum nog niet zijn verstreken, worden gestuit tot en met 30 april 2020 en opnieuw beginnen te lopen op 1 mei 2020?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
19
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 16, 20 en 26 van verordening nr. 1896/2006 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een nationale regeling die tijdens de COVID-19-pandemie is vastgesteld en waarbij de procestermijnen in burgerlijke zaken gedurende ongeveer vijf weken zijn gestuit, wordt toegepast op de termijn van dertig dagen waarin artikel 16, lid 2, van die verordening voor de verweerder voorziet om verweer aan te tekenen tegen een Europees betalingsbevel.
20
In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat uit overweging 9 en artikel 1, lid 1, onder a), van deze verordening blijkt dat deze verordening tot doel heeft de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren.
21
Deze vereenvoudigde en eenvormige procedure is niet op tegenspraak. De verweerder is pas op de hoogte van de uitvaardiging van het Europees betalingsbevel op het ogenblik dat dit hem wordt betekend of ter kennis wordt gebracht. Zoals blijkt uit artikel 12, lid 3, van verordening nr. 1896/2006 wordt hij pas op dat ogenblik ervan in kennis gesteld dat hij ofwel het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser kan betalen, ofwel verzet kan aantekenen bij het gerecht van oorsprong (arrest van 13 juni 2013, Goldbet Sportwetten, C-144/12, EU:C:2013:393, punt 29).
22
Artikel 16, lid 1, van die verordening preciseert in dit verband dat de verweerder tegen het Europees betalingsbevel een verweerschrift kan indienen bij het gerecht van oorsprong. Volgens lid 2 van dit artikel moet dit verweerschrift worden toegezonden binnen dertig dagen nadat het betalingsbevel aan hem is betekend of ter kennis is gebracht.
23
Blijkens artikel 17 van verordening nr. 1896/2006, gelezen in het licht van overweging 24 ervan, kan de verweerder dus, door binnen de gestelde termijn een verweerschrift in te dienen, een einde maken aan de Europese betalingsbevelprocedure en automatisch overschakelen op de in verordening nr. 861/2007 geregelde Europese procedure voor geringe vorderingen of een passende nationale civielrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken.
24
Deze mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen strekt ertoe te compenseren dat de verweerder volgens het door verordening nr. 1896/2006 ingevoerde stelsel niet deelneemt aan de Europese betalingsbevelprocedure, door hem de mogelijkheid te bieden de vordering te betwisten nadat het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd (arrest van 13 juni 2013, Goldbet Sportwetten, C-144/12, EU:C:2013:393, punt 30). Deze fase van de procedure is dus essentieel om te garanderen dat de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd, zoals deze zijn neergelegd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
25
Bovenop de verweerprocedure heeft de verweerder het recht om een heroverweging van het Europees betalingsbevel te vragen indien de termijn om verweer aan te tekenen is verstreken. Uit het opschrift van artikel 20 van die verordening blijkt evenwel dat heroverweging enkel mogelijk is in ‘uitzonderingsgevallen’ (arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium, C-245/14, EU:C:2015:715, punt 29).
26
Zo bepaalt artikel 20, lid 1, onder b), van verordening nr. 1896/2006 dat een Europees betalingsbevel kan worden heroverwogen wanneer de niet-naleving van de in artikel 16, lid 2, van deze verordening gestelde verweertermijn van dertig dagen te wijten is aan overmacht of buitengewone omstandigheden waardoor de verweerder geen verweer heeft kunnen aantekenen binnen deze termijn.
27
Zoals volgt uit de bewoordingen van dit artikel 20, lid 1, onder b), kan een verweerder enkel om heroverweging van het Europees betalingsbevel krachtens die bepaling verzoeken indien is voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden, te weten: i) er moet sprake zijn van buitengewone omstandigheden of overmacht waardoor de verweerder de vordering niet binnen de gestelde termijn kon betwisten; ii) er mag geen sprake zijn van schuld van de verweerder zelf, en iii) de verweerder dient onverwijld te hebben gehandeld (zie in die zin beschikking van 21 maart 2013, Novontech-Zala, C-324/12, EU:C:2013:205, punt 24).
28
Wat vervolgens de opzet van verordening nr. 1896/2006 betreft, volgt uit artikel 1, lid 1, onder b), van deze verordening, gelezen in het licht van overweging 9 ervan, dat in deze verordening ‘minimumnormen’ zijn neergelegd om het vrije verkeer van Europese betalingsbevelen te garanderen. Deze verordening roept aldus een eenvormig inningsinstrument in het leven dat schuldeisers en schuldenaren in de gehele Unie gelijke voorwaarden waarborgt, maar bepaalt ook dat het nationale procesrecht van de lidstaten van toepassing is op alle procedurekwesties die niet uitdrukkelijk door deze verordening zijn geregeld (zie in die zin arrest van 10 maart 2016, Flight Refund, C-94/14, EU:C:2016:148, punt 53).
29
Tegen deze achtergrond dienen de vragen van de verwijzende rechter te worden beantwoord.
30
Die rechter vraagt zich in de onderhavige zaak af of artikel 26 van verordening nr. 1896/2006 toestaat dat een nationale regeling die de procestermijnen in burgerlijke zaken wegens de COVID-19-pandemie gedurende ongeveer vijf weken heeft gestuit, wordt toegepast op de in artikel 16, lid 2, van deze verordening vastgestelde termijn van dertig dagen om een verweerschrift in te dienen tegen een Europees betalingsbevel, dan wel of artikel 20, lid 1, onder b), van deze verordening integendeel aldus moet worden uitgelegd dat de procedurele rechten van de verweerder in uitzonderlijke omstandigheden zoals die rond de COVID-19-pandemie op uitputtende wijze worden geregeld door dit artikel, zodat artikel 26 van deze verordening niet van toepassing is.
31
Het is dienaangaande natuurlijk denkbaar dat een verweerder in een Europese betalingsbevelprocedure geen verweerschrift tegen het bevel heeft kunnen indienen wegens uitzonderlijke omstandigheden die te maken hebben met de COVID-19-pandemie. In dat geval kan hij, indien alle in punt 27 van dit arrest in herinnering gebrachte voorwaarden van artikel 20, lid 1, onder b), van verordening nr. 1896/2006 zijn vervuld, de bevoegde rechter van de lidstaat van oorsprong verzoeken het bevel te heroverwegen.
32
Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld dat, aangezien het de bedoeling van de Uniewetgever was de heroverwegingsprocedure te beperken tot uitzonderlijke situaties, de betrokken bepaling noodzakelijkerwijs strikt moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium, C-245/14, EU:C:2015:715, punt 31). Zoals reeds uit de tekst van die bepaling blijkt, en met name uit de daarin genoemde voorwaarde dat de verweerder geen schuld treft, betreffen de buitengewone omstandigheden waarnaar in deze bepaling wordt verwezen omstandigheden die verband houden met de individuele situatie van de betrokken verweerder. In de context van de COVID-19-pandemie gaat het bijvoorbeeld om de omstandigheid dat deze laatste door ziekte of hospitalisatie wegens het coronavirus zijn recht van verweer niet heeft kunnen uitoefenen binnen de gestelde termijn.
33
Artikel 20, lid 1, onder b), van verordening nr. 1896/2006 is daarentegen niet bedoeld om te worden toegepast op buitengewone omstandigheden die systemisch van aard zijn — zoals die welke verband houden met de COVID-19-pandemie — en die de werking van justitie en de rechtsbedeling op algemene wijze aantasten, terwijl de medewerking van het justitiële apparaat nochtans, gezien de bewoordingen van artikel 12, lid 3, onder b), en artikel 16, lid 1, van deze verordening, onontbeerlijk is voor de nuttige uitoefening door de verweerder van zijn recht om binnen de voorgeschreven termijn een verweerschrift in te dienen tegen het Europees betalingsbevel dat hem is betekend of ter kennis is gebracht.
34
In dit verband zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1896/2006, zoals in punt 28 van dit arrest is benadrukt, niet alle aspecten van de Europese betalingsbevelprocedure volledig harmoniseert. Artikel 26 ervan bepaalt immers dat niet uitdrukkelijk in deze verordening geregelde procedurekwesties worden beheerst door het nationale recht.
35
De artikelen 16 en 20 van deze verordening voorzien weliswaar in het recht van de verweerder om een verweerschrift in te dienen tegen een aan hem betekend of ter kennis gebracht Europees betalingsbevel en harmoniseren daartoe een aantal aspecten van dit recht, zoals de nadere regels en de termijn voor de uitoefening daarvan, het aanvangspunt van deze termijn en de uitzonderlijke gevallen waarin de verweerder om heroverweging van het bevel kan verzoeken nadat die termijn is verstreken, maar noch voornoemde artikelen noch andere bepalingen van die verordening regelen enig ander aspect, zoals de gronden voor stuiting of opschorting van die termijn. Bijgevolg hebben de lidstaten overeenkomstig artikel 26 van die verordening het recht om laatstgenoemde aspecten te regelen en dus de procedurele aspecten te vervolledigen die niet door de artikelen 16 en 20 van verordening nr. 1896/2006 worden beheerst.
36
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het, bij ontbreken van Unievoorschriften ter zake, krachtens het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten om die procedurele regels vast te stellen, maar hierbij zij gepreciseerd dat deze niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Randstad Italia, C-497/20, EU:C:2021:1037, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Wat in de eerste plaats het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat § 1, lid 1, van de Oostenrijkse COVID-19-wet zonder onderscheid van toepassing is op alle procestermijnen in burgerlijke zaken, ongeacht de rechtsgrondslag van de vordering in kwestie. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt die regeling dus een gelijke behandeling te garanderen van nationaalrechtelijke betalingsbevelprocedures en soortgelijke procedures die op verordening nr. 1896/2006 zijn gebaseerd.
38
Wat in de tweede plaats het doeltreffendheidsbeginsel betreft, zij erop gewezen dat een nationale procedureregeling moet worden geacht dit beginsel te respecteren indien zij het evenwicht dat verordening nr. 1896/2006 in de Europese betalingsbevelprocedure tot stand heeft gebracht tussen de respectieve rechten van eiser en verweerder niet verstoort. Een nationale regeling die ertoe leidt dat de in artikel 16, lid 2, van deze verordening gestelde termijn om een verweerschrift tegen een dergelijk bevel in te dienen, wordt gestuit, neemt dat beginsel in acht wanneer zij gerechtvaardigd lijkt te worden door de doelstelling om de eerbiediging van de rechten van verdediging van de verweerder te garanderen zonder een snelle en efficiënte inning van de betrokken schuldvorderingen in de praktijk excessief te bemoeilijken. Daartoe moet de duur van de stuiting beperkt worden tot het strikt noodzakelijke.
39
In casu deed de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling geenszins afbreuk aan de in punt 35 van dit arrest aangehaalde aspecten die bij verordening nr. 1896/2006 zijn geharmoniseerd. Zij voorzag louter in een beperkte stuiting van ongeveer vijf weken, welke termijn, zoals de Oostenrijkse regering ter terechtzitting heeft bevestigd, overeenstemde met de periode waarin de gerechtelijke activiteiten ernstig verstoord werden door de strikte quarantaine die wegens de COVID-19-pandemie was opgelegd op het nationale grondgebied. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, heeft die regeling overigens geen verweertermijnen doen heropleven die reeds waren verstreken vóór de inwerkingtreding ervan.
40
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt die nationale procedurele regeling er dus voor te hebben gezorgd dat schuldinvorderingen slechts met enkele weken werden uitgesteld, zonder daarbij iets te hebben gewijzigd aan het in artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 neergelegde recht van verweer, dat essentieel is voor het door de Uniewetgever nagestreefde evenwicht.
41
Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de vraag van de verwijzende rechter te worden geantwoord dat de artikelen 16, 20 en 26 van verordening nr. 1896/2006 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een tijdens de COVID-19-pandemie vastgestelde nationale regeling waarbij de procestermijnen in burgerlijke zaken gedurende ongeveer vijf weken werden gestuit, wordt toegepast op de termijn van dertig dagen waarin artikel 16, lid 2, van die verordening voor de verweerder voorziet om een verweerschrift in te dienen tegen een Europees betalingsbevel.
Kosten
42
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 16, 20 en 26 van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2015/2421 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015,
moeten aldus worden uitgelegd dat:
zij zich er niet tegen verzetten dat een tijdens de COVID-19-pandemie vastgestelde nationale regeling waarbij de procestermijnen in burgerlijke zaken gedurende ongeveer vijf weken werden gestuit, wordt toegepast op de termijn van dertig dagen waarin artikel 16, lid 2, van die verordening voor de verweerder voorziet om een verweerschrift in te dienen tegen een Europees betalingsbevel.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑09‑2022
Conclusie 31‑03‑2022
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Europese betalingsbevelprocedure — Verordening (EG) nr. 1896/2006 — Verweer — Artikel 16, lid 2 — Termijn van 30 dagen om een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel toe te zenden — Artikel 20 — Heroverweging in uitzonderingsgevallen na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, bepaalde termijn — Artikel 26 — Verhouding tot het nationale procesrecht — Nationale regeling inzake maatregelen met betrekking tot COVID-19 waarbij alle procestermijnen in burgerlijke zaken van 21 maart 2020 tot en met 30 april 2020 zijn gestuit’
A. collins
Partij(en)
Zaak C-18/211.
Uniqa Versicherungen AG
tegen
VU
[verzoek van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft een Europees betalingsbevel dat overeenkomstig verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure2. op verzoek van Uniqa Versicherungen AG is uitgevaardigd tegen VU. Het strekt tot uitlegging van artikel 16, lid 2, artikel 20 en artikel 26 van voornoemde verordening.
2.
Artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 bepaalt dat het verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel is betekend of ter kennis is gebracht, bij gebreke waarvan dat bevel uitvoerbaar wordt tegen de verweerder.3. Een verweerder die niet binnen die termijn van 30 dagen een verweerschrift indient, kan op grond van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 in een aantal uitzonderingsgevallen om heroverweging van het bevel verzoeken. Volgens artikel 26 van verordening nr. 1896/2006 worden niet uitdrukkelijk in die verordening geregelde procedurekwesties beheerst door het nationale recht.
3.
Op het hoogtepunt van de COVID-19-pandemie, in het eerste trimester van 2020, heeft de Republiek Oostenrijk een regeling vastgesteld die alle procestermijnen van procedures in burgerlijke zaken van 21 maart 2020 tot en met 30 april 2020 heeft gestuit. Met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing van 27 november 2020, neergelegd ter griffie van het Hof van Justitie op 12 januari 2021, wenst het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk) te vernemen of de artikelen 20 en 26 van verordening nr. 1896/2006 zich tegen een dergelijke nationale regeling verzetten.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht — Verordening nr. 1896/2006
4.
In overweging 9 van verordening nr. 1896/2006 wordt het doel ervan omschreven als:
‘de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren […] door minimumnormen te stellen waarvan de naleving tot gevolg heeft dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de erkenning en de tenuitvoerlegging geen intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid’.
5.
Overweging 24 van deze verordening luidt:
‘Een tijdig ingediend verweerschrift moet een einde maken aan de Europese betalingsbevelprocedure en moet de zaak automatisch doen overgaan naar een gewone civielrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk heeft verzocht om de procedure in dat geval stop te zetten. […]’
6.
Overweging 25 van deze verordening bepaalt:
‘Na het verstrijken van de termijn voor indiening van een verweerschrift heeft de verweerder in bepaalde uitzonderlijke gevallen het recht om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken. Heroverweging in uitzonderingsgevallen houdt niet in dat de verweerder nogmaals de mogelijkheid krijgt verweer te voeren tegen de vordering. Tijdens de heroverwegingsprocedure mag de gegrondheid van de vordering niet verder worden getoetst dan de gronden die voortvloeien uit de door de verweerder aangevoerde uitzonderlijke omstandigheden. De overige uitzonderlijke omstandigheden zouden onder meer kunnen omvatten de situatie dat het Europees betalingsbevel gebaseerd was op verkeerde informatie in het aanvraagformulier.’
7.
In overweging 29 wordt ‘de instelling van een uniforme, snelle en efficiënte procedure voor de inning van niet-betwiste geldvorderingen in de ganse Europese Unie’ tot doelstelling van de verordening verklaard.
8.
Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 bepaalt:
‘Deze verordening heeft ten doel:
- a)
de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren;
[…]’
9.
Artikel 16 heeft als opschrift ‘Verweer tegen een Europees betalingsbevel’ en bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
De verweerder kan bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel indienen door middel van het standaardformulier F van bijlage VI, dat hem samen met het Europees betalingsbevel wordt verstrekt.
- 2.
Het verweerschrift wordt toegezonden binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht.’
10.
Artikel 17, lid 1, van de verordening bepaalt:
‘Indien binnen de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn een verweerschrift is ingediend, wordt de procedure volgens het gewone burgerlijk procesrecht voortgezet voor de bevoegde gerechten van de lidstaat van oorsprong, tenzij de eiser […] uitdrukkelijk heeft verzocht de procedure in dat geval te staken.
[…]’
11.
Artikel 18, lid 1, van deze verordening bepaalt:
‘Indien binnen de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, met inachtneming van een redelijke tijdspanne met het oog op de aankomst van een verweerschrift, geen verweerschrift is ingediend, verklaart het gerecht van oorsprong het Europees betalingsbevel onverwijld uitvoerbaar door middel van het standaardformulier G van bijlage VII. Het gerecht van oorsprong verifieert de datum van betekening of kennisgeving.’
12.
Artikel 20 van verordening nr. 1896/2006, met het opschrift ‘Heroverweging in uitzonderingsgevallen’, bepaalt:
- ‘1.
De verweerder heeft het recht om, na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, het bevoegde gerecht van de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
- i)
het betalingsbevel is op een van de in artikel 14 genoemde wijzen betekend of ter kennis gebracht;
en
- ii)
de betekening of kennisgeving is buiten zijn schuld, niet zo tijdig geschied als met het oog op zijn verdediging nodig was,
of
- b)
de verweerder de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden, buiten zijn schuld,
mits hij in beide gevallen onverwijld handelt.
- 2.
Na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, gestelde termijn, heeft de verweerder tevens het recht om het bevoegde gerecht in de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken, indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden.
- 3.
Indien het gerecht het verzoek van de verweerder weigert omdat geen van de in de leden 1 en 2 bedoelde heroverwegingsgronden van toepassing is, blijft het Europees betalingsbevel van kracht.
Indien het gerecht besluit dat heroverweging om een van de in de leden 1 en 2 bedoelde redenen gegrond is, is het Europees betalingsbevel nietig.’
13.
Artikel 26 van verordening nr. 1896/2006, met het opschrift ‘Verhouding tot het nationale procesrecht’, bepaalt:
‘Niet uitdrukkelijk in deze verordening geregelde procedurekwesties worden beheerst door het nationale recht.’
B. Oostenrijks recht
14.
§ 1, lid 1, eerste en tweede volzin, van het Bundesgesetz betreffend Begleitmaßnahmen zu COVID-19 in der Justiz (1. COVID-19-Justiz-Begleitgesetz — 1. COVID-19-JuBG) (federale wet betreffende begeleidende maatregelen voor de rechtspleging in verband met COVID-19; hierna: ‘nationale COVID-19-wet’)4., bepaalt:
‘Procedures in burgerlijke zaken
Stuiting van termijnen
In gerechtelijke procedures worden alle procedurele termijnen waarvan de gebeurtenis die de termijn doet ingaan zich voordoet na de inwerkingtreding van deze federale wet alsmede procedurele termijnen die bij de inwerkingtreding van deze federale wet nog niet zijn verstreken, gestuit tot het einde van 30 april 2020. Deze beginnen op 1 mei 2020 opnieuw te lopen. […]’
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
15.
Op 6 maart 2020 heeft het Bezirksgericht für Handelssachen Wien (handelsrechter in eerste aanleg Wenen, Oostenrijk) op verzoek van Uniqa Versicherungen een Europees betalingsbevel uitgevaardigd. Dit bevel is op 4 april 2020 aan de in Duitsland gevestigde VU betekend. Hiertegen is op 18 mei 2020 verweer ingesteld. Het Bezirksgericht für Handelssachen Wien heeft het verweer afgewezen op grond dat het niet binnen de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 neergelegde termijn van 30 dagen was ingediend.
16.
Het Handelsgericht Wien (handelsrechter in tweede aanleg Wenen, Oostenrijk) heeft de beslissing van de rechter in eerste aanleg vernietigd. Het was van oordeel dat de termijn voor het indienen van het verweerschrift volgens artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 was gestuit overeenkomstig § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet. Volgens die wet worden alle procestermijnen in burgerlijke zaken die op 22 maart 2020 of later zijn ingegaan gestuit tot het einde van 30 april 2020 en beginnen deze op 1 mei 2020 opnieuw te lopen.
17.
Uniqa Versicherungen heeft beroep in Revision ingesteld tegen de beslissing van het Handelsgericht Wien. Zij vordert herstel van de beslissing van de rechter van eerste aanleg.
18.
Het Oberste Gerichtshof merkt op dat in de Oostenrijkse rechtsleer de meningen uiteenlopen over de vraag of § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet van toepassing is op de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 op 30 dagen gestelde termijn voor het indienen van het verweerschrift, of dat artikel 20 van die verordening de toepassing van de nationale COVID-19-wet uitsluit. Volgens sommige rechtsgeleerden worden gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden als de COVID-19-crisis beheerst door artikel 20 van verordening nr. 1896/2006. Een beroep op nationaal recht is dan niet toegestaan. Andere rechtsgeleerden zijn van opvatting dat § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet niet wordt ‘verdrongen’ door de heroverwegingsprocedure volgens artikel 20 van verordening nr. 1896/2006. Zij stellen dat artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 slechts ziet op de duur van de termijn voor het indienen van een verweerschrift. Een mogelijke stuiting van deze termijn is niet geregeld, zodat dienaangaande — overeenkomstig artikel 26 van verordening nr. 1896/2006 — het nationale procesrecht van toepassing is. Artikel 20, lid 1, onder b), van verordening nr. 1896/2006 beoogt slechts billijkheid in individuele gevallen. Het bevat geen algemene, voor een uitzonderlijke situatie als de COVID-19-crisis vastgestelde regeling.
19.
Het Oberste Gerichtshof heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten de artikelen 20 en 26 van verordening [nr. 1896/2006] aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen zich ertegen verzetten dat de in artikel 16, lid 2, van deze verordening gestelde termijn van 30 dagen voor het indienen van een verweerschrift tegen een Europees betalingsbevel wordt gestuit door § 1, lid 1, van [de nationale COVID-19-wet], volgens welke in procedures in burgerlijke zaken alle procedurele termijnen waarvan de gebeurtenis die de termijn doet ingaan zich voordoet na 21 maart 2020 of die op die datum nog niet zijn verstreken, worden gestuit tot het einde van 30 april 2020 en op 1 mei 2020 opnieuw beginnen te lopen?’
IV. Procedure bij het Hof
20.
Uniqa Versicherungen, VU, de Griekse en de Oostenrijkse regering alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
21.
Uniqa Versicherungen, de Franse en de Oostenrijkse regering alsmede de Europese Commissie hebben deelgenomen aan de terechtzitting van 19 januari 2022.
V. Beantwoording van de prejudiciële vraag
22.
Met zijn vraag wenst het Oberste Gerichtshof te vernemen of de artikelen 20 en 26 van verordening nr. 1896/2006 zich verzetten tegen de vaststelling, in de omstandigheden van de COVID-19-pandemie, van een nationale maatregel die strekt tot stuiting van de in artikel 16, lid 2, van die verordening gestelde termijn van 30 dagen voor het indienen van een verweerschrift tegen een Europees betalingsbevel.
23.
Voorafgaand aan de analyse van de prejudiciële vraag dient de bestaande rechtspraak van het Hof inzake verordening nr. 1896/2006 te worden onderzocht, en dan met name de artikelen 16, 20 en 26 ervan.
A. Overzicht van verordening nr. 1896/2006 en de rechtspraak van het Hof daarover
24.
Verordening nr. 1896/2006 heeft ten doel de beslechting van grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken door een Europese betalingsbevelprocedure in te voeren.5. Zij roept een eenvormig instrument in het leven waarmee schulden kunnen worden geïnd onder voorwaarden die voor schuldeisers en schuldenaren in de gehele Europese Unie gelijk zijn, maar bepaalt ook dat het nationale procesrecht van de lidstaten van toepassing is op alle procedurekwesties die niet uitdrukkelijk in de verordening zijn geregeld. Verordening nr. 1896/2006 waarborgt dus een gelijk speelveld voor schuldeisers en schuldenaren in de gehele Europese Unie.6.
25.
Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1896/2006 stelt de Europese betalingsbevelprocedure beschikbaar voor grensoverschrijdende geschillen. Krachtens artikel 3, lid 1, van de verordening wordt een geschil geacht grensoverschrijdend te zijn wanneer ten minste één van de partijen haar woonplaats of haar gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat van het aangezochte gerecht.7. In casu heeft Uniqa Versicherungen zich tot de Oostenrijkse civiele rechter gewend. VU woont in Duitsland. Er is dus sprake van een grensoverschrijdend geschil in de zin van verordening nr. 1896/2006.
26.
De bij verordening nr. 1896/2006 ingevoerde Europese betalingsbevelprocedure is geen procedure op tegenspraak. De nationale rechter bij wie een verzoek om een dergelijk betalingsbevel is ingediend, beslist uitsluitend op basis van dat verzoek. De verweerder wordt er niet van in kennis gesteld dat de procedure loopt.8. Hij heeft dus pas vanaf de betekening of kennisgeving van het bevel de mogelijkheid om kennis te nemen van zowel het bestaan als de inhoud van de vordering tegen hem. Vanwege dit in wezen eenzijdige karakter van de Europese betalingsbevelprocedure heeft het Hof benadrukt dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging bijzonder belangrijk is.9.
27.
Bij betekening en kennisgeving van het Europees betalingsbevel wordt de verweerder meegedeeld dat hij de mogelijkheid heeft10. om het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser te betalen of binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel is betekend of ter kennis gebracht bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift in te dienen11., overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 1896/2006. In een verweerschrift hoeft niet te worden verklaard op welke gronden de betwisting berust12., omdat het niet dient als kader voor een verweer ten gronde, maar slechts is bedoeld om de verweerder de mogelijkheid te geven de vordering te betwisten.13. Het verweer is het standaardmechanisme dat een einde maakt aan de Europese betalingsbevelprocedure, want het doet de zaak automatisch overgaan naar een gewone civielrechtelijke procedure, tenzij de eiser uitdrukkelijk om stopzetting van de procedure heeft verzocht.14. Zoals de Griekse regering in haar schriftelijke opmerkingen naar voren heeft gebracht, heeft het indienen van een verweerschrift tot gevolg dat er geen sprake meer is van een niet-betwiste geldvordering in de zin van verordening nr. 1896/2006. Met deze mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen wordt beoogd te compenseren dat de verweerder volgens het door verordening nr. 1896/2006 ingevoerde stelsel niet deelneemt aan de procedure. Door gebruikmaking van die mogelijkheid kan de verweerder de vordering betwisten nadat het Europees betalingsbevel is uitgevaardigd.15.
28.
Na het verstrijken van de termijn van 30 dagen om een verweerschrift in te dienen kan het Europees betalingsbevel uitsluitend worden heroverwogen in de ‘uitzonderingsgevallen’16. die limitatief zijn opgesomd in artikel 20 van verordening nr. 1896/2006.17. Bovendien kan een verzoek van een verweerder tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een Europees betalingsbevel krachtens artikel 23 van verordening nr. 1896/2006 slechts in buitengewone omstandigheden slagen. Aldus kan, zoals de Griekse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft benadrukt, het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 bepaalde termijn van 30 dagen voor verweerders ernstige en onomkeerbare gevolgen hebben.
29.
Volgens artikel 20, lid 1, onder b), van verordening nr. 1896/2006 heeft een verweerder het recht om het bevoegde gerecht van de lidstaat van oorsprong om heroverweging van het Europees betalingsbevel te verzoeken als hij de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht18. of als aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet er sprake zijn van buitengewone omstandigheden waardoor de verweerder de vordering niet binnen de gestelde termijn kon betwisten, ten tweede mag er geen sprake zijn van schuld van de verweerder zelf, en ten derde dient de verweerder onverwijld te hebben gehandeld.19. Daarnaast bepaalt artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 dat wanneer de termijn voor het indienen van een verweerschrift is verstreken, het Europees betalingsbevel kan worden heroverwogen als het, gelet op de voorschriften van deze verordening, of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden, kennelijk ten onrechte is toegekend.20.
30.
Aangezien de heroverwegingsprocedure uitsluitend voor uitzonderingsgevallen is bedoeld, heeft het Hof geoordeeld dat artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 strikt moet worden uitgelegd.21. Bovendien houdt de mogelijkheid om krachtens artikel 20 het betalingsbevel te laten heroverwegen blijkens overweging 25 van verordening nr. 1896/2006 niet in dat de verweerder nogmaals verweer kan voeren tegen de vordering.22. Indien de bevoegde rechter in de lidstaat van oorsprong het heroverwegingsverzoek op grond van artikel 20, lid 1, onder b), of artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 van de verweerder weigert, blijft het Europees betalingsbevel van kracht. Indien de bevoegde rechter in de lidstaat van oorsprong echter besluit dat heroverweging gegrond is, is het Europees betalingsbevel nietig.
31.
Hieruit volgt dat de heroverwegingsprocedure van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 niet bedoeld is als vervanging voor de verweerprocedure van artikel 16. De twee procedures zijn geheel verschillend van aard. Een verweerder heeft een absoluut recht van verweer tegen het Europees betalingsbevel binnen de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 neergelegde termijn. In het verweerschrift hoeven geen gronden te worden vermeld. Daarentegen kan de heroverwegingsprocedure van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 slechts in een zeer beperkt aantal ‘uitzonderingsgevallen’ worden benut en slechts nadat de in artikel 16, lid 2, neergelegde termijn is verstreken.
32.
Daarnaast kan een verweerder een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel bij het gerecht van oorsprong indienen door het standaardformulier te gebruiken dat hem samen met het Europees betalingsbevel is overhandigd, terwijl een verweerder om heroverweging van het Europees betalingsbevel moet verzoeken bij de bevoegde rechter in de lidstaat van oorsprong en verordening nr. 1896/2006 voor dat doel géén standaardformulier biedt.
33.
Op grond van artikel 26 van verordening nr. 1896/2006 worden alle niet uitdrukkelijk in de verordening geregelde procedurekwesties ‘beheerst door het nationale recht’. De toepassing van de verordening naar analogie is in dergelijke gevallen uitgesloten.23. Blijkens overweging 9 ervan stelt verordening nr. 1896/2006 dienaangaande minimumnormen, waarvan de naleving tot gevolg heeft dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging voorafgaand aan de erkenning en de tenuitvoerlegging van een Europees betalingsbevel geen intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid. Verordening nr. 1896/2006 bevat derhalve geen uitputtende procedure voor de inning van niet-betwiste vorderingen bij wege van een Europees betalingsbevel. Bovendien is artikel 26 van verordening nr. 1896/2006 in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.24.
B. Analyse van de prejudiciële vraag
34.
De verwijzende rechter en de Oostenrijkse regering stellen in hun schriftelijke opmerkingen dat de bij § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet ingevoerde algemene stuiting van termijnen tot doel had alle procespartijen en hun vertegenwoordigers snel duidelijkheid en rechtszekerheid te verschaffen in de uitzonderlijke situatie van de COVID-19-pandemie, waarin het openbare leven en de openbare activiteit tot een minimum waren beperkt. Wegens de impact van het virus en de quarantainemaatregelen die werden genomen om de verspreiding ervan tegen te gaan, waaronder het zo veel mogelijk vermijden van persoonlijk contact, werd voorzien dat rechtbankpersoneel, raadslieden en partijen hun werkzaamheden niet op de gebruikelijke wijze zouden kunnen verrichten. Dienovereenkomstig heeft de Oostenrijkse wetgever de termijnen in het algemeen en zonder verwijzing naar individuele gevallen gestuit.
35.
Het oogmerk van stuiting van alle procestermijnen in burgerlijke zaken, met inbegrip van die welke in rechtsinstrumenten van de Unie zijn vastgesteld, gaf § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet een uiterst brede werkingssfeer. Niettemin blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de betrokken maatregel van toepassing was op procestermijnen die vóór de inwerkingtreding ervan nog niet waren verstreken en dat deze termijnen voor een periode van ongeveer vijf weken werden gestuit. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, heeft de betrokken maatregel geen verstreken termijnen doen herleven en heeft hij evenmin enige andere terugwerkende kracht. Bovendien heeft de Oostenrijkse regering ter terechtzitting bevestigd dat zij geen andere maatregelen heeft genomen tot stuiting van termijnen als gevolg van de COVID-19-pandemie.
36.
Artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 voorziet niet in de stuiting of de verlenging van de daarin gestelde termijn. Het legt enkel de termijn van 30 dagen vast, die begint te lopen vanaf de datum waarop het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis is gebracht.25. Bij de indiening van een verweerschrift heeft VU de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 gestelde termijn van 30 dagen niet in acht genomen. Krachtens artikel 18 van die verordening is het door Uniqa Versicherungen verkregen Europees betalingsbevel dus in beginsel uitvoerbaar.
37.
Op het eerste gezicht lijkt artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 niet te zien op een maatregel als § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet, die termijnen in het algemeen stuit of schorst. Zoals de Oostenrijkse regering en VU in hun schriftelijke opmerkingen hebben gesteld, voorziet verordening nr. 1896/2006 immers niet in een al dan niet algemene stuiting of schorsing van termijnen, bijvoorbeeld wegens het overlijden van een partij, het verlies van haar bevoegdheid om in rechte op te treden of de inleiding van een faillissements- of insolventieprocedure. Genoemde regering en VU betogen aldus dat de stuiting of schorsing van termijnen in dit soort gevallen wordt beheerst door het nationale recht.
38.
In dit verband zij opgemerkt dat de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 neergelegde termijn voor het indienen van een verweerschrift mogelijkerwijs niet in alle lidstaten gelijk is. Volgens overweging 28 van deze verordening is verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden26. van toepassing op de berekening van de termijnen van verordening nr. 1896/2006. Bijgevolg wordt rekening gehouden met de feestdagen van de lidstaat waar het gerecht dat het Europees betalingsbevel uitvaardigt, zetelt. Aangezien de feestdagen in de lidstaten niet uniform zijn, zullen er verschillen zijn bij het bepalen van de exacte datum waarop een verweerschrift moet worden ingediend.
39.
Artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006, dat voorziet in de heroverweging van een Europees betalingsbevel indien het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, is in het kader van het hoofdgeding niet van toepassing. In de eerste plaats blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet dat het door Uniqa Versicherungen verkregen Europees betalingsbevel ten onrechte is toegekend. In de tweede plaats, en belangrijker nog, stelt artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 criteria vast die van toepassing zijn op specifieke situaties, terwijl § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet een algemene regel vaststelde die van toepassing was op alle procestermijnen in burgerlijke zaken.
40.
Mijns inziens valt § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet wegens het algemene karakter ervan buiten de werkingssfeer van artikel 20, lid 1, onder b), van verordening nr. 1896/2006. Bovendien wordt deze laatste bepaling strikt uitgelegd.27. Een persoon kan zich beroepen op § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet zonder te hoeven aantonen dat hij wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden niet in staat was om verweer aan te tekenen tegen een Europees betalingsbevel.28. Aan die conclusie wordt niet afgedaan door het bestaan van individuele gevallen waarin een verweerder die niet tijdig een verweerschrift had ingediend zich als gevolg van de COVID-19-pandemie onder verwijzing naar artikel 20, lid 1, onder b), van verordening nr. 1896/2006 daadwerkelijk op overmacht of buitengewone omstandigheden kon beroepen.
41.
Aangezien artikel 16, lid 2, artikel 20, lid 1, onder b), en artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 niet voorzien in een algemene stuiting van de in artikel 16, lid 2, van die verordening neergelegde termijn, rijst de vraag of zij, dan wel enige andere bepaling van verordening nr. 1896/2006, zich verzetten tegen de vaststelling van een algemene maatregel als die van § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet.
42.
Ik denk van niet. Zoals blijkt uit overweging 9 en artikel 26 ervan, beoogt verordening nr. 1896/2006 niet de procedureregels voor een Europees betalingsbevel uitputtend te harmoniseren.29. Integendeel, verordening nr. 1896/2006 stelt minimumnormen vast om de erkenning en de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing te waarborgen zonder dat in de lidstaat van tenuitvoerlegging een voorafgaande intermediaire procedure hoeft te worden ingeleid. Ik ben derhalve van mening dat een algemene stuiting van de termijnen wegens de COVID-19-pandemie een procedurekwestie is die in verordening nr. 1896/2006 niet geregeld is. Zij valt bijgevolg onder het nationale recht, overeenkomstig artikel 26 van die verordening.30.
43.
Nationale proceduremaatregelen die overeenkomstig artikel 26 van verordening nr. 1896/2006 zijn vastgesteld, mogen niet discriminerend zijn, dus niet ongunstiger dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden, en mogen geen afbreuk doen aan de met die verordening nagestreefde doelstellingen.31.
44.
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt het erop dat § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet noch direct, noch indirect discriminerend was, aangezien hij van toepassing was op alle procestermijnen in burgerlijke zaken, ongeacht de rechtsgrondslag op basis waarvan zij waren ingeleid. Zoals de Oostenrijkse regering ter terechtzitting heeft opgemerkt, zou er immers, gelet op het bestaan van parallelle nationale procedures met hetzelfde doel als het Europees betalingsbevel, een verboden verschil in behandeling kunnen zijn ontstaan indien het Oostenrijkse recht termijnen voor nationale procedures had gestuit, maar voor de termijnen van verordening nr. 1896/2006 niet dezelfde regels zou hebben toegepast.
45.
Een maatregel als § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet ondermijnt mijns inziens evenmin de doelstellingen van verordening nr. 1896/2006, aangezien een algemene stuiting van de termijnen geen nieuwe procedurestap toevoegt aan de erkenning en de tenuitvoerlegging van een Europees betalingsbevel. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de uniforme procedure van verordening nr. 1896/2006. De betrokken nationale maatregel legde eisers geen extra procedurele last op. Hij heeft slechts gewaarborgd dat de termijn voor het indienen van een verweerschrift tegen een Europees betalingsbevel op het hoogtepunt van de COVID-19-pandemie gedurende een beperkte periode werd gestuit. Daarmee heeft de nationale wetgever ervoor gezorgd dat verordening nr. 1896/2006 doeltreffend functioneerde, door een passend evenwicht te bewaren tussen de bij die verordening gevestigde procedurele belangen van eisers en verweerders, en aldus de rechten van beiden te waarborgen.
46.
Bovendien mag bij het nastreven van de doelstellingen van verordening nr. 1896/2006 geen afbreuk worden gedaan aan de eerbiediging van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechten van verdediging van degenen voor wie een Europees betalingsbevel bestemd is.32. Zoals reeds is opgemerkt, is de heroverwegingsprocedure vanwege de verschillende aard van de twee procedures geen vervanging voor de verweerprocedure.33. Evenmin staat de uitkomst van een eventuele heroverwegingsprocedure vast. De verweerprocedure zorgt er daarentegen voor dat vorderingen niet als niet-betwist worden beschouwd en dat daarover in een gewone burgerlijke procedure uitspraak wordt gedaan, zodat het recht van de verweerder op daadwerkelijke toegang tot de rechter wordt gevrijwaard. Het exceptionele en onvoorziene karakter van de COVID-19-pandemie heeft iedereen in meerdere of mindere mate geraakt. Een verplichting voor verweerders om in het kader van de COVID-19-pandemie een beroep te doen op de heroverwegingsprocedure zou hun een zware last hebben opgelegd. Ten slotte had, zoals de Oostenrijkse regering ter rechtvaardiging van de vaststelling van § 1, lid 1, van haar nationale COVID-19-wet heeft aangevoerd, een veelvuldig beroep van verweerders op de heroverwegingsprocedure in individuele gevallen kunnen leiden tot een toename van het aantal bij de rechter aanhangig gemaakte zaken, hetgeen een goede rechtsbedeling in de nasleep van de COVID-19-pandemie zou hebben aangetast.34.
47.
In het kader van de bij verordening nr. 1896/2006 ingevoerde regeling is de toegang tot de verweerprocedure van fundamenteel belang om een rechtvaardig en billijk evenwicht tussen de partijen tot stand te brengen en de eerbiediging van de rechten van verdediging van degenen voor wie een Europees betalingsbevel bestemd is te waarborgen. Een verzuim om degenen voor wie een Europees betalingsbevel bestemd daadwerkelijk de mogelijkheid te bieden om tegen een dergelijk bevel verweer aan te tekenen, en dus om door een rechter te worden gehoord, in door de COVID-19-pandemie ontstane situaties, had mijns inziens het door verordening nr. 1896/2006 tot stand gebrachte delicate evenwicht tussen eisers en verweerders kunnen ondermijnen, en had aldus een schending van artikel 47 van het Handvest kunnen opleveren.35.
48.
Uitgaande van de toelichting van de verwijzende rechter op de doelstellingen en de werkingssfeer van § 1, lid 1, van de nationale COVID-19-wet lijkt deze maatregel tevens een legitiem doel van algemeen belang te hebben nagestreefd. De stuiting36. van ongeveer vijf weken die op het hoogtepunt van de COVID-19-pandemie in 2020 werd toegestaan, was kort gezien de ernst van de volksgezondheidscrisis en de algemene onzekerheid die toen heerste. De begin- en einddatum van de stuiting zijn duidelijk en transparant vastgesteld. De betrokken maatregel was dus in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en heeft de rechtszekerheid gewaarborgd en zodoende een goede rechtsbedeling bevorderd.
VI. Conclusie
49.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Oberste Gerichtshof te beantwoorden als volgt:
‘De artikelen 16, 20 en 26 van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure verzetten zich er niet tegen dat in de omstandigheden van de COVID-19-pandemie een nationale maatregel is vastgesteld die de in artikel 16, lid 2, van deze verordening gestelde termijn van 30 dagen voor het aantekenen van verweer tegen een Europees betalingsbevel heeft gestuit.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑03‑2022
Oorspronkelijke taal: Engels.
PB 2006, L 399, blz. 1.
Bekendgemaakt op 21 maart 2020, in de versie van het 4. COVID-19-Gesetz (BGBl. I, 24/2020), die gold op het tijdstip van de betekening van het Europees betalingsbevel aan VU op 4 april 2020.
Zie artikel 1 van verordening nr. 1896/2006, gelezen in samenhang met de overwegingen 9 en 29 daarvan. Arrest van 19 december 2019, Bondora(C-453/18 en C-494/18, EU:C:2019:1118, punt 36). Volgens het Hof volgt uit de overwegingen 8 en 10 van verordening nr. 1896/2006, gelezen in samenhang met artikel 26 ervan, dat deze verordening een Europese betalingsbevelprocedure invoert die voor een eiser een aanvullend en facultatief instrument vormt, maar de bestaande mogelijkheden naar nationaal recht voor de inning van niet-betwiste schuldvorderingen niet vervangt of harmoniseert. Arrest van 10 maart 2016, Flight Refund(C-94/14, EU:C:2016:148, punt 53).
Arresten van 13 december 2012, Szyrocka(C-215/11, EU:C:2012:794, punt 30); 13 juni 2013, Goldbet Sportwetten (C-144/12, EU:C:2013:393, punt 28), en 10 maart 2016, Flight Refund(C-94/14, EU:C:2016:148, punt 53).
Zie in die zin arrest van 19 december 2019, Bondora(C-453/18 en C-494/18, EU:C:2019:1118, punt 35).
Artikel 7 van verordening nr. 1896/2006 bevat limitatieve eisen aan de inhoud en de vorm van een verzoek om een Europees betalingsbevel. Arrest van 13 december 2012, Szyrocka(C-215/11, EU:C:2012:794, punten 25–32). Een rechter bij wie een verzoek om een Europees betalingsbevel is ingediend kan de schuldeiser echter om nadere informatie verzoeken over de contractuele bedingen waarop de betrokken schuldvordering berust, teneinde ambtshalve te toetsen of die bedingen oneerlijk zijn. Arrest van 19 december 2019, Bondora(C-453/18 en C-494/18, EU:C:2019:1118, punt 54). Op deze wijze wordt voorkomen dat het limitatieve karakter van artikel 7 van verordening nr. 1896/2006 schuldeisers de mogelijkheid biedt om de eisen van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) of artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) ter zake van consumentenbescherming te omzeilen.
Arrest van 6 september 2018, Catlin Europe (C-21/17, EU:C:2018:675, punten 44 en 45). Cyril Nourissat heeft de procedure ‘impitoyable’, dat wil zeggen ‘meedogenloos’, genoemd. Zie Nourissat, C., ‘Nouveau refus de la Cour de justice de caractériser des circonstances exceptionnelles en matière de réexamen’, Procédures, 2016, nr. 1, blz. 29.
Zie artikel 12, lid 3, van verordening nr. 1896/2006. Het Hof heeft geoordeeld dat indien de in verordening nr. 1896/2006 bepaalde minimumnormen voor de betekening en kennisgeving van het Europees betalingsbevel niet worden nageleefd, het evenwicht tussen de door deze verordening nagestreefde doeleinden, te weten enerzijds snelheid en efficiëntie garanderen en anderzijds de rechten van de verdediging eerbiedigen, wordt verstoord. Arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen(C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punt 37). In dergelijke omstandigheden is het bevel niet uitvoerbaar, is de verweerprocedure van artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 niet van toepassing en neemt de termijn waarbinnen een verweerder een verweerschrift kan indienen geen aanvang. Arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen(C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punten 41–43 en 48). Zie ook arrest van 6 september 2018, Catlin Europe (C-21/17, EU:C:2018:675, punt 53). Hieruit volgt dat ook de heroverwegingsprocedure van artikel 20 van verordening nr. 1896/2006 niet van toepassing is. Arresten van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen(C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punten 43 en 44), en 6 september 2018, Catlin Europe (C-21/17, EU:C:2018:675, punt 54).
Arrest van 13 juni 2013, Goldbet Sportwetten (C-144/12, EU:C:2013:393, punt 40).
Arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen(C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punt 38). Zie in die zin overweging 24 van verordening nr. 1896/2006. In punt 39 van het arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen(C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144), heeft het Hof erop gewezen dat gelet op de omstandigheid dat ‘de schuldvorderingen die aan de basis liggen van een Europees betalingsbevel worden betwist bij verweerschrift, […] de specifieke procedure van verordening nr. 1896/2006 […] niet langer van toepassing [is], aangezien deze procedure overeenkomstig artikel 1, lid 1, [onder a)], van deze verordening enkel tot doel heeft om ‘de beslechting van een geschil in grensoverschrijdende zaken met betrekking tot niet-betwiste geldvorderingen te vereenvoudigen, te versnellen en goedkoper te maken’’.
Arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium(C-245/14, EU:C:2015:715, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium(C-245/14, EU:C:2015:715, punt 29).
Arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen(C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punt 44).
Mits de verweerder onverwijld handelt.
Beschikking van 21 maart 2013, Novontech-Zala (C-324/12, EU:C:2013:205, punt 24).
Arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium (C-245/14, EU:C:2015:715, punt 30).
Zie naar analogie arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium(C-245/14, EU:C:2015:715, punt 31).
Zie naar analogie arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium(C-245/14, EU:C:2015:715, punt 48). In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat een verweerder na het verstrijken van de in artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 bepaalde termijn van 30 dagen niet om heroverweging van een betalingsbevel krachtens artikel 20 van die verordening kan verzoeken op basis van de onbevoegdheid van het gerecht van oorsprong wegens een bevoegdheidsbeding in een overeenkomst. Het Hof was van oordeel dat de verweerder op de hoogte moet zijn geweest van dit beding en hij derhalve de gelegenheid had gehad om deze kwestie in de verweerprocedure naar voren te brengen. Hij kon daarna niet meer laten gelden dat het betalingsbevel ten onrechte was toegekend wegens uitzonderlijke omstandigheden.
Arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen(C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punt 45).
Zie ook overweging 29 van verordening nr. 1896/2006.
Zie daarentegen artikel 14, lid 2, van verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (PB 2007, L 199, blz. 1) waarin is bepaald dat een gerecht in uitzonderlijke omstandigheden de in die verordening bepaalde termijnen kan verlengen, indien dit nodig is om de rechten van de partijen te waarborgen. Zie ook artikel 45 van verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB 2014, L 189, blz. 59) en overweging 37 van die verordening. Deze vereenvoudigen de mogelijkheid om van de daarin gestelde termijnen af te wijken wanneer het voor de rechterlijke instantie of de betrokken autoriteit onmogelijk is deze in acht te nemen en wanneer deze afwijking wordt gerechtvaardigd door uitzonderlijke omstandigheden. In zijn arrest van 7 november 2019, K.H.K. (Conservatoir beslag op bankrekeningen) (C-555/18, EU:C:2019:937, punt 55), heeft het Hof geoordeeld dat gerechtelijke vakanties geen ‘uitzonderlijke omstandigheden’ in de zin van artikel 45 van verordening nr. 655/2014 zijn. Zie ook artikel 14, lid 3, van verordening nr. 861/2007, waarin wordt bepaald dat indien een gerecht zich in uitzonderlijke omstandigheden niet aan de termijnen van die verordening kan houden, het zo snel mogelijk de bij die bepalingen voorgeschreven maatregelen neemt. Deze bepalingen, die rechterlijke instanties uitdrukkelijk bevoegdheden verlenen om in uitzonderlijke omstandigheden termijnen ad hoc te verlengen, ontbreken in verordening nr. 1896/2006.
PB 1971, L 124, blz. 1.
Zie punt 30 van deze conclusie. In het licht van het arrest van 4 september 2014, eco cosmetics en Raiffeisenbank St. Georgen(C-119/13 en C-120/13, EU:C:2014:2144, punt 45), is het niet mogelijk om artikel 20, lid 1, onder b), en artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1896/2006 naar analogie op abstracte en algemene wijze toe te passen op situaties die door de COVID-19 pandemie zijn ontstaan.
Zoals ziekte of quarantainemaatregelen.
Zie naar analogie artikel 19 en artikel 21, lid 1, van verordening nr. 861/2007 en artikel 46, lid 1, van verordening nr. 655/2014.
Uniqa Versicherungen stelt in haar schriftelijke opmerkingen dat indien de Uniewetgever had gewild dat de termijn van 30 dagen wegens overmacht of wegens buitengewone omstandigheden zou worden gestuit, hij daarin zou hebben voorzien. Dit argument gaat voorbij aan artikel 26, dat uitdrukkelijk bepaalt dat alle niet in verordening nr. 1896/2006 geregelde procedurekwesties worden beheerst door het recht van de lidstaten.
Artikel 26 van verordening nr. 1896/2006 voorziet weliswaar specifiek in de toepasselijkheid van het nationale recht, maar het is vaste rechtspraak dat het, bij ontbreken van Unievoorschriften ter zake van procedurekwesties, krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van hun interne rechtsorde is dergelijke voorschriften vast te stellen, op voorwaarde dat die voorschriften niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Zie in die zin arrest van 17 maart 2016, Bensada Benallal (C-161/15, EU:C:2016:175, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie naar analogie arrest van 6 september 2018, Catlin Europe (C-21/17, EU:C:2018:675, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 22 oktober 2015, Thomas Cook Belgium(C-245/14, EU:C:2015:715, punt 41).
Zie de punten 26–32 van deze conclusie.
Bijvoorbeeld door achterstanden die als rechtstreeks gevolg van ter bestrijding van de pandemie opgelegde maatregelen zijn ontstaan.
In beginsel kan een strikte toepassing van termijnen in het licht van buitengewone omstandigheden een schending van artikel 47 van het Handvest vormen. Zie naar analogie EHRM, 1 april 2010, Georgiy Nikolayevich Mikhaylov tegen Rusland, CE:ECHR:2010:0401JUD000454304,§ 57.