Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.4.9.5
9.4.9.5 Headcount
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192682:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ook in de finale versie van de Herstructureringrichtlijn keerde de door het Europees Parlement gewenste head count niet als verplicht element terug, vgl. voetnoot 219 in nr. 468.
Vgl. ook Tollenaar 2016, p. 270: “Waar een minderheid van schuldeisers in aantal de meerderheid in bedrag houdt en de stemming controleert, moet de rechter extra alert zijn dat de schuldeisers met de dominante posities niet stemmen met het oog op belangen die niet representatief zijn voor of in strijd zijn met de belangen van de klasse.”
Zie voor eenzelfde gedachte: Payne 2019, p. 184. “In the context of schemes, the protection for small creditors could be achieved by ensuring that the treatment of small creditors is another factor for the court to consider when assessing the overall fairness of the scheme at the sanctioning stage”.
519. In §8.6.1.2 kwam uitgebreid aan bod dat het headcount-vereiste schuldeisers met vorderingen tot een relatief laag beloop beoogt te beschermen, maar dat het deze groep tegelijkertijd een effectief en onwenselijk vetorecht geeft. Bovendien kan het headcount-vereiste manipulatie in de hand werken. Ik onderschrijf daarom de keuze van de Nederlandse wetgever om het getalscriterium niet op te nemen in de WHOA.1
Het feit dat een kleine groep crediteuren met omvangrijke vorderingen een akkoord aanneemt ten gunste van een grote groep met kleine vorderingen zou evenwel een rol moeten kunnen spelen in de homologatiefase.2 Indien wordt aangetoond dat één crediteur met een omvangrijke vordering een grote groep crediteuren met relatief kleine vorderingen overstemt, zou dat reden kunnen zijn voor de rechter om nog eens grondig naar het akkoordvoorstel te kijken. Indien het akkoordvoorstel de kleine crediteuren onevenredig zwaar benadeelt, zou dat een reden voor weigering van de homologatie kunnen zijn.3 Mijns inziens zou het feit dat een akkoord niet zou zijn aangenomen als er een headcount-vereiste had gegolden, een omstandigheid kunnen zijn die de rechter in de homologatiefase meeweegt. Op die manier verkrijgt het afgeschafte – beter gezegd: nooit ingevoerde – headcount-vereiste een zekere reflexwerking via art. 384 lid 2 sub i Fw.