Denemarken is niet gebonden door Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (PbEU 2018, L 303/1). Zie considerans 57 van de Verordening.
HR, 31-03-2026, nr. 25/00144
ECLI:NL:HR:2026:517
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-03-2026
- Zaaknummer
25/00144
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:517, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑03‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:100
ECLI:NL:PHR:2026:100, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑01‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:517
- Vindplaatsen
Uitspraak 31‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Beklag ex art. 5:5.12 jo. 552a Sv na beslag ex art. 94a Sv op geldbedragen (1.701 Deense Kronen en € 7.810,73) onder veroordeelde in Denemarken n.a.v. Europees Bevriezingsbevel van Nederlandse autoriteiten, waarna rechter in ontnemingszaak tegen veroordeelde onherroepelijke betalingsverplichting van € 30.839,88 oplegt en beklagrechter de veroordeelde n-o verklaart in zijn klaagschrift omdat dit niet is ingediend binnen 3 maanden nadat vervolgde zaak tot einde is gekomen. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 6:4:4.2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG, kan HR het cassatieberoep van veroordeelde niet in behandeling nemen. CAG: Door het onherroepelijk worden van ’s hofs uitspraak in ontnemingszaak tegen veroordeelde kon op dat moment worden aangevangen met tul van ontnemingsvordering. Het onherroepelijk worden van ’s hofs uitspraak in ontnemingszaak brengt immers mee dat conservatoir beslag op geldbedragen o.g.v. art. 6:4:9 jo. 6:4:4.2 Sv is overgegaan in executoriaal beslag. Onherroepelijke uitspraak geldt als executoriale titel (art. 6:4:4.2 Sv jo. art. 704.1 Rv). Verhaal geschiedt op wijze voorzien in Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat betekent dat veroordeelde geen belang heeft bij cassatieberoep tegen beschikking Rb. Veroordeelde n-o. Samenhang met 22/01213 P (niet gepubliceerd; ontnemingszaak tegen veroordeelde; art. 80a RO, zonder schriftelijk standpunt AG).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00144 B
Datum 31 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 18 december 2024, nummer RK 24/021503, op een beklag op grond van artikel 5.5.12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[veroordeelde],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de veroordeelde.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft de advocaat V.S.J. Chorus bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de veroordeelde niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.1 tot en met 3.4.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2026.
Conclusie 20‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag tegen beslag op geldbedragen die ter uitvoering van Europees bevriezingsbevel in Denemarken onder veroordeelde in beslag zijn genomen. Door onherroepelijk worden van de beslissing in de ontnemingszaak is het conservatoir beslag reeds overgegaan in executoriaal beslag en heeft de veroordeelde geen belang meer bij het cassatieberoep tegen de bestreden beschikking. Conclusie strekt ertoe dat de veroordeelde niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00144 B
Zitting 20 januari 2026
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[veroordeelde] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de veroordeelde
1. Het cassatieberoep
1.1
Bij beschikking van 18 december 2024 (raadkamernummer 24/021503) heeft de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 5.5.12 Sv op 22 augustus 2024 ingediende beklag.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de veroordeelde. V.S.J. Chorus, advocaat in Nuth, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de veroordeelde niet-ontvankelijk is in zijn klaagschrift vanwege overschrijding van de in art. 5.5.12 jo. 552a lid 3 Sv bedoelde termijn.
1.4
Ik kom aan de bespreking van het middel niet toe, omdat de veroordeelde niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.
2. Het procesverloop
2.1
In Denemarken is ter uitvoering van een door Nederland uitgevaardigd Europees bevriezingsbevel onder veroordeelde conservatoir beslag gelegd op een geldbedrag van 1.701 Deense Kronen en 7.810,71 euro.
2.2
Het Europees bevriezingsbevel betreft een bevel tot inbeslagneming ex art. 5.5.9 Sv en is op 1 mei 2020 uitgevaardigd in verband met een strafrechtelijk onderzoek jegens veroordeelde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de rechter-commissaris machtiging heeft verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot zekerheidstelling van het recht tot verhaal van een aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.3
Volgens art. 5.5.12 lid 3 Sv zijn art. 552a en 552d Sv van overeenkomstige toepassing verklaard bij een door Nederland uitgevaardigd Europees bevriezingsbevel aan een EU-lidstaat die niet is gebonden door Verordening (EU) nr. 2018/1805.1.
2.4
De veroordeelde is bij arrest van 31 maart 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnummer 21-004587-20) veroordeeld wegens onder meer het belemmeren van toegang tot een geautomatiseerd werk, belaging, bedreiging, oplichting, identiteitsfraude, en witwassen. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit arrest – na intrekking van het cassatieberoep – onherroepelijk is geworden op 23 september 2022.
2.5
De rechtbank heeft tevens vastgesteld dat in de ontnemingszaak aan de veroordeelde de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 30.839,88 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en dat deze beslissing ‘na de uitspraak in cassatie’ op 22 januari 2024 voor executie is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB). Een zoekslag binnen de zaaksregistratie van de Hoge Raad leert dat de Hoge Raad het in de ontnemingszaak ingestelde cassatieberoep bij arrest van 12 december 2023 op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk heeft verklaard.2.
2.6
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingediende klaagschrift, omdat het op 22 augustus 2024 ingediende klaagschrift niet binnen de in art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn van drie maanden na het einde van de vervolgde zaak is ingediend.
3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1
Nu de Hoge Raad het in de ontnemingszaak ingestelde cassatieberoep bij arrest van 12 december 2023 op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk heeft verklaard, is het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 maart 2022 (parketnummer 21-004621-20) onherroepelijk geworden.
3.2
Op dat moment kon worden aangevangen met de tenuitvoerlegging van de ontnemingsvordering. Het onherroepelijk worden van ’s hofs beslissing in de ontnemingszaak brengt immers mee dat het conservatoir beslag op de geldbedragen op grond van art. 6:4:9 Sv jo. art. 6:4:4 lid 2 Sv is overgegaan in executoriaal beslag. Het onherroepelijke arrest geldt als executoriale titel (art. 6:4:4 lid 2 jo. art. 704 lid 1 Rv). Het verhaal geschiedt op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.3.
3.3
Dat betekent dat de veroordeelde geen belang heeft bij het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland.
3.4
Gelet daarop dient de veroordeelde niet-ontvankelijk te worden verklaard in het cassatieberoep.
3.5
Ten overvloede merk ik nog op dat de ontnemingszaak door het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2023 al onherroepelijk was op het moment dat het klaagschrift werd ingediend en (logischerwijs) dus ook ten tijde van de op 18 december 2024 gegeven beschikking van de rechtbank. Het conservatoir beslag was door het onherroepelijk worden van de ontnemingsvordering al overgegaan in executoriaal beslag. Uit de beschikking blijkt ook dat de beslissing in de ontnemingszaak al voor executie was overgedragen aan het CJIB. Het oordeel van de rechtbank dat de veroordeelde niet-ontvankelijk moest worden verklaard is, op grond van dezelfde redenering als voor de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, juist. Dat het klaagschrift niet binnen de art. 552a lid 3 Sv gestelde termijn werd ingediend, was daarbij niet langer relevant.
4. Conclusie
4.1
Deze conclusie strekt ertoe dat de veroordeelde niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑01‑2026
Zaaknummer 22/01213 P. Het cassatieberoep was ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 maart 2022 (parketnummer 21-004621-20).
Zie HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:601, rov. 2.4; HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3260, rov. 2.4; en recent HR 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:8 en de bijbehorende conclusie van 14 oktober 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1097.