Hof 's-Hertogenbosch, 20-06-2024, nr. 20-001195-21
ECLI:NL:GHSHE:2024:2064
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
20-06-2024
- Zaaknummer
20-001195-21
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2024:2064, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 20‑06‑2024; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:1753
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2021:1988
Uitspraak 20‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Vrijspraak feit 2 en 3. Veroordeling ter zake van 'Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, en artikel 10a van de Opiumwet' tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.
Parketnummer : 20-001195-21
Uitspraak : 20 juni 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 april 2021, in de strafzaak met parketnummer 02-294805-19 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard en deze gekwalificeerd als:
- feiten 1 en 2
de eendaadse samenloop van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- feit 3
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank heeft de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelast van de inbeslaggenomen personenauto, merk Porsche (goednummer 574565).
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft de teruggave aan verdachte gelast van de inbeslaggenomen Porsche personenauto (574565). Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte te kennen gegeven dat hij deze auto inmiddels heeft teruggekregen. Derhalve is ten aanzien van het beslag geen beslissing van het hof meer vereist.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft dan ook uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met verbetering van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft:
- -
primair integrale vrijspraak bepleit;
- -
subsidiair een strafmaatverweer gevoerd, waarbij is verzocht om geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan de straf van de rechtbank.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 3 juli 2019 in na te noemen plaatsen heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en na te noemen perso(o)n(en), te weten
* in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, en/of te Bergen op Zoom en/of te Tiel en/of te Culemborg en/of Renesse en/of Brouwershaven en/of Burgh-Haamstede en/of Oosterland en/of Serooskerke Schouwen en/of elders in Nederland met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer (andere) perso(o)n(en) (criminele organisatie 11B Opiumwet lab Esch)
welke organisatie tot oogmerk had het (telkens) plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid, 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk
- het (telkens) bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of
- het (telkens) buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of
- het (telkens) plegen van voorbereidings-of bevorderingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10A eerste lid van de Opiumwet;
2.hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een of meer middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
EN/OF
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 3 juli 2019, althans op of omstreeks 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende (telkens) een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of - zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van het/die delict(en),
immers, heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in voornoemde periode / op voornoemd tijdstip in voornoemde pleegplaats
* een (in werking zijnde) laboratorium-opstelling / productieplaats, althans (een) de(e)l(en) van een laboratorium-opstelling / productieplaats bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van 1-fenyl-2-propanon/benzylmethylketon, ook wel genaamd BMK en/of de omzetting van a-fenylacetoacetonitril/APAAN en/of APAA en/of MAPA naar/in 1-fenyl-2-propanon/benzylmethylketon (BMK) en/of
* een (in werking zijnde) laboratorium-opstelling / productieplaats, althans (een) de(e)l(en) van een laboratorium-opstelling / productieplaats bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van N-formylamfetamine en/of amfetamine en/of tenamfetamine en/of * een (in werking zijnde) laboratoruim-opstelling / productieplaats, althans (een) de(e)l(en) van een laboratorium-opstelling / productieplaats bedoeld/bestemd voor de productie/vervaardiging van MDMA en/of N-ethyl-MDA (MDMA) (MDEA) en/of
*(grote/aanzienlijke) hoeveelheden 1-fenyl-2-propanon, ook wel genaamd BMK (Benzylmethylketon) en/of
*(grote/aanzienlijke) hoeveelheden a-fenylacetoacetonitril / APAAN en/of APAA en/of MAPA en/of
*(grote/aanzienlijke) hoeveelheden (andere) chemicaliën en/of grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/vervaardiging van 1-fenyl-2-propanon, ook wel genaamd BMK (Benzylmethylketon) en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine en/of N-formylamfetamine, althans synthetische drugs en/of
* een of meer productiemiddel(en) / voorwerp(en) bestemd voor de productie/vervaardiging van 1-fenyl-2-propanon / benzylmethylketon (BMK) en/of MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine en/of amfetamine en/of N-formylamfetamine, althans synthetische drugs voorhanden gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);3.hij op of omstreeks 10 december 2019 te Tiel, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) ongeveer 26 gram metamfetamine, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een of meer middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Het onder 2 tenlastegelegde behelst – kort samengevat – het verwijt dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het drugslab te Esch. Op grond van bestendige jurisprudentie moet voor medeplegen sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411).
Het hof overweegt verder als volgt.
Uit het strafdossier kan wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het drugslab in Esch niet meer worden vastgesteld dan dat hij daaraan financieel heeft bijgedragen (geïnvesteerd) en dat hij, nadat hij door medeverdachte [medeverdachte 2] is benaderd, zal regelen dat het lab zal worden opgeruimd. Van enige andere betrokkenheid voor, tijdens of na het tenlastegelegde delict, is uit het strafdossier onvoldoende gebleken. Het hof is van oordeel dat tegen het hiervoor geschetste toetsingskader, onvoldoende bewijs is geleverd om daarop de conclusie te kunnen baseren dat de verdachte bij de voorbereiding van de productie van synthetische drugs c.q. het produceren van synthetische drugs, zoals onder feit 2 tenlastegelegd, zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat van medeplegen van het tenlastegelegde delict kan worden gesproken. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de rol van de verdachte niet zonder meer als “een essentiële rol bij het in stand houden van het productieproces” kan worden aangemerkt.
Dat betekent dat de verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is allereerst vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en voorts dat deze verdovende middelen zich (ook) in de machtssfeer van de verdachte bevonden.
Gelet op het feit dat de drugs (26 gram metamfetamine) zijn aangetroffen in de garage waar het eenmansbedrijf van verdachte was gevestigd, zijn er sterke aanwijzingen die in de richting van verdachte wijzen als eigenaar van de drugs. De verdachte heeft echter verklaard dat deze drugs niet van hem maar van zijn broer waren en dat hij ook geen wetenschap had van de aanwezigheid van deze drugs. De broer van de verdachte, [medeverdachte 7] , heeft in een ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde schriftelijke verklaring gedateerd 21 januari 2021 bevestigd dat deze drugs van hem waren en dat hij de drugs zonder medeweten van verdachte in de garage had verstopt. Op 18 oktober 2022 heeft [medeverdachte 7] deze verklaring bij de raadsheer-commissaris onder ede herhaald. Bij deze stand van zaken blijft redelijke twijfel bestaan omtrent het bewijs van het opzettelijk aanwezig hebben van de verdovende middelen. Het ontbreekt dus aan voldoende bewijsmiddelen om te kunnen vaststellen dat de verdachte als enige eigenaar van de verdovende middelen kan hebben te gelden. Het hof zal de verdachte derhalve van het onder 3 tenlastegelegde vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij in de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 in na te noemen plaatsen heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en na te noemen personen, te weten
* in of omstreeks de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 te Esch, gemeente Haaren, en/of te Tiel en/of elders in Nederland met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid, 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk
- het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en
- het plegen van voorbereidings-of bevorderingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10A eerste lid van de Opiumwet.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het hof neemt de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen over met uitzondering van de bewijsmiddelen onder 12.2, 12.3, 12.49 en 12.50, welke worden geschrapt. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in Bijlage II bij het vonnis. De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De rechtbank heeft – met weglating en aanpassing van passages waarmee het hof zich niet verenigt en met enkele toevoegingen – onder meer het volgende vastgesteld en overwogen:
“Productie synthetische drugs
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 3 juli 2019 in de kelder van een pand aan [adres 2] een amfetaminelaboratorium is aangetroffen. Door het LFO en het NFI zijn rapporten opgesteld over de aangetroffen goederen en stoffen in het lab en in aangrenzende ruimten. Het NFI heeft gerapporteerd dat in het lab sprake was van twee productieprocessen: het vervaardigen van BMK en het vervaardigen van amfetamine. Naar schatting zou het lab 186-254 kg onversneden amfetaminepasta hebben opgeleverd.
Het pand waar het lab in was gevestigd, werd gehuurd door [medeverdachte 2] . In het lab werden DNA-sporen aangetroffen van onder andere [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 6] blijkt samen met [medeverdachte 5] meerdere keren in het lab te zijn geweest en de rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat zij samen met [medeverdachte 2] in het lab hebben geproduceerd. Ook [medeverdachte 4] heeft zich volgens de rechtbank beziggehouden met het productieproces. Naar het oordeel van de rechtbank is [medeverdachte 4] “de Duitser” waarover in de taps wordt gesproken. Hij werd ingeschakeld op het moment dat er problemen waren in het lab die moesten worden opgelost.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat om te kunnen concluderen dat ook verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de productie van amfetamine in het lab in Esch. (…)
Blijkens het dossier reed [medeverdachte 2] regelmatig naar het bedrijf van [medeverdachte 3] in Tiel en zijn er door het observatieteam ontmoetingen waargenomen tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Daarnaast zijn de tapgesprekken veelzeggend. De rechtbank is (…) van oordeel dat de tapgesprekken (…) over het lab in Esch gaan. De bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien geven een duidelijk beeld over hoe een en ander in de laatste dagen voor het aantreffen van het lab is verlopen. Uit de tapgesprekken kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] meedeelt dat het allemaal niet lekker loopt met de productie en ook dat hij wil stoppen met het lab. Vervolgens belt [medeverdachte 2] naar verdachte ( [verdachte] ). In dat gesprek wordt besproken dat [medeverdachte 2] wil stoppen met het lab, dat verdachte zal regelen dat de spullen worden opgehaald en dat daarvoor "de Duitser" zal worden benaderd. Ook komt uit de gesprekken naar voren dat verdachte geld had gestoken in het lab in Esch en ook de zeggenschap had om te regelen dat het lab zou worden opgeruimd. [verbetering en toevoeging hof: Kort hierna belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 3] , om door te geven dat hij het heeft geregeld met verdachte ( [verdachte] ) en dat het lab zal worden opgeruimd. [medeverdachte 3] was daar op zijn beurt niet over te spreken. Hij reageert met: “Dikke lul. Dat gaat niet. Ik zorg wel dat ik die auto aan de loop krijg, dan hebben we morgen nog contact.” Iets meer dan een uur later belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] , maar hij krijgt geen gehoor. Desondanks is te horen dat hij tegen een derde spreekt over [medeverdachte 2] die mogelijk al in de kelder hangt waardoor zij niet meer hoeven te delen. Een minuut later belt [medeverdachte 2] terug naar [medeverdachte 3] en praten zij weer (in versluierd taalgebruik) over hoe verder te handelen.] [medeverdachte 4] rijdt vervolgens op 3 juli 2019 met de auto vanuit Culemborg via Tiel naar Esch.
Hoewel in de tapgesprekken soms in versluierd taalgebruik werd gesproken, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat de gesprekken gaan over het productieproces in het laboratorium in Esch. Zo sluiten de bevindingen op 3 juli 2019 over het ontbreken van de branders aan bij het gesprek dat er zich op 2 juli 2019 problemen voordeden. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring dat de gesprekken over een auto gingen die door [medeverdachte 2] zou worden aangekocht ongeloofwaardig is. Immers blijkt [medeverdachte 3] niet te weten over welke auto [medeverdachte 2] hem belt en blijkt uit de gesprekken juist dat [medeverdachte 2] geld (…) vraagt. Bovendien is het niet aannemelijk dat verdachte een derde zou regelen om een onderdeel te laten maken van een door [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] te verkopen auto. [Toevoeging hof: Daar komt bij dat later die dag een telefoongesprek plaatsvindt tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] , waarbij door [medeverdachte 5] ondubbelzinnig over de productie van drugs in het lab te Esch wordt gesproken (“De caustic moet worden aangemaakt toch?”) en [medeverdachte 2] hem vervolgens erop aanspreekt dat er niet teveel over de telefoon moet worden gepraat. Verder memoreert het hof nog maar eens dat in de kelder van de woning van [medeverdachte 2] een amfetaminelab is aangetroffen en voorts overweegt het hof dat [medeverdachte 3] één dag eerder tegen [medeverdachte 2] zegt dat ‘die Duitser’ de koppakking komt maken. Met ‘die Duitser’ wordt gedoeld op [medeverdachte 4] , van wie op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat hij actieve betrokkenheid had bij het lab (vide onder meer de foto’s op zijn telefoon en zijn DNA op een mok in het lab).] De rechtbank gaat er dan ook van uit dat bewoordingen als auto, koppakking en kast in de tapgesprekken verwijzen naar de laboratoriumopstelling in Esch. Uit de tapgesprekken volgt voor de rechtbank dat verdachte met betrekking tot dit lab beslissingsbevoegd was en heeft gefungeerd als geldschieter. (…)
Conclusie
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 13 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 (…) betrokkenheid heeft gehad bij (…) het lab in Esch (…).
Was er ook sprake van een criminele organisatie?
Om te kunnen spreken van een criminele organisatie is blijkens de jurisprudentie een aantal aspecten van belang. Vereist is dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen twee of meer personen, met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad. Het oogmerk van de criminele organisatie dient te zijn gericht op het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo'n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren, zonder dat vereist is dat zij met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen. Een betrokkene moet weten - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft. Een betrokkene hoeft echter geen opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is evenmin vereist.
Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, dat er in de periode van [hof: 13 juni] 2019 tot en met 3 juli 2019 sprake is geweest van een gestructureerde samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde (…) lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank kan op grond van de stukken vaststellen dat onder meer [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] en verdachte vanaf 13 juni 2019 en [medeverdachte 4] vanaf 28 juni 2019 deel uit hebben gemaakt van dit samenwerkingsverband. (…)
De rechtbank overweegt dat uit de tapgesprekken volgt dat er sprake was van wederzijds vertrouwen tussen de verdachten en dat er werd bemiddeld bij problemen. Er werd samengewerkt om het productieproces in stand te houden en voort te zetten. Evenals bij de meeste legale organisaties was er sprake van een hiërarchische managementstructuur. Ieder had zijn eigen rol binnen het samenwerkingsverband. De (mede)investeerder en (mede) eindverantwoordelijke -verdachte- had de leiding op de achtergrond en werd ondersteund door een assistent - [medeverdachte 3] -. Die assistent onderhield contacten met de meewerkend voorman op de werkvloer - [medeverdachte 2] - en met de technische afdeling met kennis van het productieproces - [medeverdachte 4] - [toevoeging hof: en werd ingeschakeld als er problemen waren, kon blijkens zijn uitspraken toezeggingen doen over hoe die problemen op te lossen en had verder financiële inspraak en belangen.]. Tot slot waren er ook werknemers die net als de meewerkend voorman benodigdheden naar het lab vervoerden en daarnaast werkzaamheden verrichtten in het laboratorium - [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] -. Die structuur komt goed naar voren als de tapgesprekken [toevoeging hof: alsmede de ontmoetingen, reisbewegingen en aangetroffen sporen] in onderlinge samenhang worden bezien.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat bij een aantal verdachten, waaronder verdachte, zogenaamde crypto-telefoons zijn aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke telefoons, waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd, veelvuldig worden gebruikt in het criminele milieu. Dit brengt onder meer met zich dat dergelijke telefoons niet zomaar worden achtergelaten in een huurauto, waarmee de verklaring van verdachte dat dat de reden was voor aanwezigheid van een dergelijke telefoon bij hem als onaannemelijk terzijde wordt geschoven. Daarnaast werd er door een aantal deelnemers van het samenwerkingsverband afgesproken op openbare plaatsen [hof: zoals een parkeerterrein], met de kennelijke bedoeling om zoveel mogelijk het risico te beperken dat hetgeen daar werd besproken bekend zou worden. Tot slot werd gebruik gemaakt van een "bedrijfsauto" die door [medeverdachte 2] was geleased maar die later ook door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] werd gebruikt.
Het samenwerkingsverband tussen de verdachten had naar het oordeel van de rechtbank ook een duurzaam karakter. Dit blijkt onder meer uit de intensiteit van de contacten in de bewezenverklaarde periode en de inhoud van de tapgesprekken waaruit ook de eerder omschreven rolverdeling blijkt. De inhoud van de gesprekken duidt niet op een eenmalig of vluchtig contact. Zo weet [medeverdachte 2] in het gesprek op 2 juli 2019 met wie hij spreekt, zonder dat verdachte hierbij zijn naam hoeft te noemen. Bij [medeverdachte 2] is ook bekend wie door zijn gesprekspartners wordt bedoeld als zij spreken over “de Duitser”. Daarnaast blijkt uit de tapgesprekken dat de gesprekspartners steeds beschikken over achtergrondinformatie om gericht vragen te kunnen stellen over de feitelijke situatie. De rechtbank maakt hieruit op dat de verdachten elkaar kenden, dat ze al langere tijd samen bezig waren met het lab en dat duidelijk was wie waar verantwoordelijk voor was.
Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter. Deze organisatie had als oogmerk het produceren van amfetamine en uiteindelijk ook de verkoop van deze drug om hiermee zichzelf te bevoordelen. De bijdrage die alle verdachten leverden is naar het oordeel van de rechtbank ook van voldoende intensiteit en duur om zodoende ieder van hen aan te merken als deelnemer van de organisatie.
Het bewijs van het opzet van de verdachten, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt reeds uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen over de rol van de verdachten is overwogen.
Conclusie
Op grond van vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er in de periode van [hof: 13 juni] 2019 tot en met 3 juli 2019 sprake was van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde (…) lid van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet, waar verdachte van 13 juni 2019 tot en met 3 juli 2019 onderdeel van uitmaakte.”
Het hof neemt deze overwegingen van de rechtbank – voor zover geciteerd en met inachtneming van de aanpassingen/toevoegingen – over en maakt die tot de zijne.
In aanvulling daarop overweegt het hof in verband met het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep nog het volgende.
De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep wederom vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat het enige potentieel belastende bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij het drugslab in Esch bestaat uit het tapgesprek tussen [medeverdachte 2] en de verdachte betreft maar dat uit hetgeen tijdens dat gesprek is besproken niet kan worden afgeleid dat dit betrekking heeft gehad op dat drugslab in Esch. Het hof verwerpt dat verweer. De verwerping ligt besloten in de overwegingen van de rechtbank die het hof hierboven heeft geciteerd en overneemt.
In de tweede plaats, meer in het bijzonder in het kader van de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie, heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat sprake is van een samenwerkingsverband dat het oogmerk heeft gehad op meer misdrijven, aangezien het te dezen gaat om één drugslab. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
De algemene ervaring leert dat een laboratorium gericht op het produceren van synthetische drugs niet van de ene op de andere dag opgezet wordt en in werking wordt gesteld. Daartoe is de nodige voorbereiding en menskracht nodig. Niet alleen moet de benodigde hardware worden aangezocht en verkregen, deze moet geïnstalleerd worden alvorens er geproduceerd kan worden. Dat kan pas nadat is gezocht naar een geschikte locatie en deze ook is gevonden en verkregen. Ook zijn voor de productie van synthetische drugs verschillende soorten chemicaliën en stoffen noodzakelijk. Leveranciers hiervoor moeten worden aangezocht, de stoffen moeten worden aangekocht en verkregen en naar het lab worden gebracht. Daarna kan er pas worden geproduceerd. Ook de productie van synthetische drugs neemt, gelet op de verschillende stadia van het productieproces, de nodige tijd in beslag. De productie van synthetische drugs geschiedt niet in verband met een uit de hand gelopen chemische hobby. Integendeel, deze productie wordt in gang gezet met het enkele doel om een eindproduct te vervaardigen dat uiteindelijk verkocht kan worden en zo verdiensten genereert. Een samenwerkingsverband dat zich bezighoudt met de productie van synthetische drugs heeft aldus min of meer per definitie, te weten vanwege de aard en doelstelling van hetgeen waarop zij zich toelegt, het oogmerk op het plegen van meerdere uit hoofde van de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven.
Dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat het oogmerk hierop heeft gehad en waaraan de verdachte heeft deelgenomen vloeit voor het overige voort uit hetgeen de rechtbank in de hiervoor geciteerde overwegingen heeft vastgesteld en overwogen en uit de gebezigde bewijsmiddelen. Het verweer vindt voor het overige dus ook zijn weerlegging in hierin.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, en artikel 10a van de Opiumwet.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met het produceren van amfetamine en BMK in een professioneel ingericht drugslab te Esch.
De verdachte heeft daarmee geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van het milieu en de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de gezondheid van de gebruikers, maar ook vanwege het feit dat de handel in en het gebruik van harddrugs gepaard gaat met diverse vormen van andere (zware) criminaliteit. Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, vanwege hun misdadige oogmerk en de winsten die dergelijke organisaties maken, waarover geen belasting wordt betaald en welke weer in de legale bovenwereld geïnvesteerd worden. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.
Het hof houdt in strafverzwarende zin rekening met de rol van de verdachte binnen de organisatie als investeerder/financier en als een deelnemer met zeggenschap. Problemen binnen het drugslab werden door [medeverdachte 2] met verdachte besproken en verdachte kon beslissen of de stekker uit het lab werd getrokken. Daarmee begaf verdachte zich op hoger niveau, bleef hij meer op de achtergrond en liep hij daardoor minder (strafrechtelijke en gezondheids-) risico’s dan de deelnemers van de criminele organisatie die in het lab uitvoerende werkzaamheden verrichtten.
Verder heeft het hof acht geslagen op het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 maart 2024. Daaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder een veroordeling in 2016 voor overtreding van de Opiumwet. De verdachte is daarvoor veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Deze veroordeling dateert (inmiddels) weliswaar van langere tijd geleden, maar toont aan dat de verdachte geen onbeschreven blad is en dat deze veroordeling hem er kennelijk niet van heeft weerhouden zich jaren later opnieuw schuldig te maken aan een Opiumwet gerelateerd strafbaar feit. Bovendien liep de verdachte in de eerste dagen van de in onderhavige zaak bewezenverklaarde periode nog in de proeftijd van deze voorwaardelijke veroordeling. Dat weegt het hof in het nadeel van verdachte mee in de strafmaat.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor forse duur met zich brengt.
Met oplegging van de respectievelijk door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, alsook de door de raadsman bepleite gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zou naar het oordeel van het hof onvoldoende recht worden gedaan
aan de ernst van het feit en de positie van de verdachte binnen de criminele organisatie. Hetgeen de raadsman met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, in beginsel passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot de redelijke termijn het volgende.
In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
Aangezien de verdachte een aanzienlijk deel van de procedure in hoger beroep in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, geldt – in elk geval voor dat deel - als uitgangspunt dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden na het instellen van het hoger beroep. Door het Openbaar Ministerie is op 4 mei 2021 hoger beroep ingesteld en op 6 mei 2021 namens de verdachte, terwijl het hof op 20 juni 2024 – en derhalve niet binnen 16 maanden na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. Hoewel sprake is van een omvangrijk onderzoek met een groot aantal medeverdachten en er in deze zaak (mede op verzoek van de verdediging) getuigen door de raadsheer-commissaris zijn gehoord, is het hof van oordeel dat die omstandigheden niet het gehele tijdsverloop kunnen verklaren. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigen is niet gebleken. Er is derhalve sprake van een schending van de redelijke termijn.
Het hof zal de op te leggen gevangenisstraf gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn met 6 maanden matigen. Het hof zal de verdachte derhalve veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van verdachte is bij beschikking van 20 december 2022 per 10 januari 2023 voor onbepaalde tijd geschorst.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De verdediging heeft bepleit daarvan af te zien en verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis te laten voortduren.
Het hof is van oordeel, dat gelet op dit veroordelend arrest en in het bijzonder hetgeen het
hof hiervóór onder het kopje 'Bewezenverklaring' en 'Op te leggen sanctie' heeft
overwogen en beslist, de verdenking, bezwaren en gronden die initieel hebben geleid tot de
voorlopige hechtenis nog onverkort aanwezig zijn.
Bij afweging van de strafvorderlijke belangen bij opheffing van de schorsing en de
persoonlijke belangen van verdachte bij de voortduring daarvan, acht het hof termen
aanwezig om de schorsing met ingang van heden op te heffen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 11b van de Opiumwet en de artikelen en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. F. van Es, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,
en op 20 juni 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. F. van Es is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.