RI 2020/9
Heeft het bestuur ter ontzenuwing van het wettelijk vermoeden een andere belangrijke oorzaak voor het faillissement aannemelijk gemaakt?
Hof 's-Hertogenbosch 06-08-2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2949
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
6 augustus 2019
- Magistraten
Mrs. P.P.M. Rousseau, E.J. van Sandick, P.M.A de Groot-van Dijken
- Zaaknummer
200.217.118_01
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS182058:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHSHE:2019:2949, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 06‑08‑2019
- Wetingang
Art. 2:248 BW
Essentie
Bestuurdersaansprakelijkheid.
Heeft het bestuur ter ontzenuwing van het wettelijk vermoeden een andere belangrijke oorzaak voor het faillissement aannemelijk gemaakt?
Samenvatting
X BV is op 14 december 2010 in staat van faillissement verklaard. De aandelen in het kapitaal van X werden gehouden door Y BV. Op haar beurt hield Z BV 60% van de aandelen in het kapitaal van Y. De heer A is enig bestuurder en aandeelhouder van Z. B BV hield 20% van de aandelen in het kapitaal van Y. De heer C is enig bestuurder en aandeelhouder van B. D was houder van de overige aandelen ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.