Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/5.8.3.2
5.8.3.2 Waarborgen
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192653:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. het in nr. 55 en 119 besproken common pool-probleem. Zie ook Jackson 1986, p. 151-152.
Vgl. Warren 2008, p. 34-35; Jackson 1986, p. 151-153; ABI-rapport 2014, p. 69-70 (toegespitst op ‘adequate protection’); Baird 2014, p. 195-196.
§363(c)(1) BC spreekt van “use, sell or lease”.
§552(a) BC. Dat is anders wanneer het gaat om ‘cash collateral’. Daaronder worden onder meer de geïnde bedragen ter zake van verpande vorderingen en de opbrengsten van verpande zaken verstaan. Zie voor de definitie van ‘cash collateral’ §363(a) BC. In afwijking van de hoofdregel dat goederen die de schuldenaar verkrijgt ná het openen van een insolventieprocedure niet bezwaard zijn (§552(a) BC), verkrijgt de pandhouder van verpande vorderingen of zaken een pandrecht op de opbrengst daarvan (§552(b)(1) BC). Om het geïnde bedrag te kunnen aanwenden voor de gewone bedrijfsuitoefening, heeft de schuldenaar toestemming van de rechter of van de zekerheidsgerechtigde nodig: §363(c)(2) BC. De gedachte achter deze strenge beperking is dat cash “fungible, easily concealed or commingled” is. Vgl. Norton Bankruptcy Law & Practice 2019, §94:6; Nieuwenhuis & Tollenaar 2019, §9. In de praktijk wordt door schuldenaren op de eerste dag na opening van de Chapter 11-procedure om een ‘cash collateral order’ verzocht. Zij vragen dan om goedkeuring van een door de schuldenaar en zekerheidsgerechtigde gesloten ‘cash collateral agreemeent’. Vgl. Norton Bankruptcy Law & Practice 2019, §44:5; Warren 2008, p. 70-71. Een zekerheidsgerechtigde kan bezwaar maken tegen het aan de rechter gedane verzoek en vragen om ‘adequate protection’. Zie over dat begrip nr. 265-266 in deze paragraaf.
Hoogenboezem 2019, p. 41-42.
De wet kent deze bevoegdheid toe aan een ‘party in interest’. Op een enkele uitzondering na gaat het om zekerheidsgerechtigen. Een zekerheidsgerechtigde is per definitie belanghebbende, omdat hij bij gebreke van een afkoelingsperiode over zou kunnen gaan tot executie en verhaal. Vgl. Salerno, Hansen & Meyer 2019, §8.58.
Zie over het verschil tussen deze vormen van ‘relief’ Salerno, Hansen & Meyer 2019, §8.70.
Zie voor een bespreking van de discussie over de relevante waarderingsmaatstaf voor het bepalen van de ‘secured creditor’s interest in a debtor’s interest in property’ ABI-rapport 2014, p. 70-72.
Vgl. §362(d) en (e) BC. Het is mogelijk dat op grond van lokale regelingen of op grond van een bevel van de rechter nog meer partijen moeten worden opgeroepen en gehoord: Salerno, Hansen & Meyer 2019, §8.59.
§362(d)(2) BC.
Salerno, Hansen & Meyer 2019, §8.106. Vanzelfsprekend geeft dit vereiste aanleiding tot complexe waarderingsdiscussies. Zie daarover uitgebreid: Salerno, Hansen & Meyer 2019, §8.107-8.124.
In re United Savings Ass’n v. Timbers of Inwood Forest Associates, Ltd., 484 U.S. 365 (1988); Salerno, Hansen & Meyer 2019, §8.125.
Warren noemt het voorbeeld van een zeer kostbaar schilderij dat in het hoofdkantoor hangt en aan een bank is verpand. Indien de vordering van de bank hoger is dan de waarde van het schilderij, dient de rechter toe te staan dat de bank overgaat tot uitwinning. Het schilderij is immers niet cruciaal voor het welslagen van de reorganisatie, bovendien is er als gevolg van het feit dat de vordering van de bank de waarde van het schilderij overstijgt geen waarde die beschermd moeten worden voor de gezamenlijke crediteuren “no value to protect for the benefit of the general unsecured creditors”. Zie Warren 2008, p. 36.
§362(d)(1) BC.
Zie voor een overzicht van rechtspraak waarin het bestaan van een rechtvaardiging voor opheffing of wijziging van de afkoelingsperiode werd aangenomen Salerno, Hansen & Meyer 2019, §8.75-8.87.
ABI-rapport 2014, p. 69-70.
Het gaat om een niet-limitatieve opsomming, maar in de praktijk blijkt vooral op deze drie vormen te worden teruggevallen. Zie ABI-rapport 2014, p. 69.
§506(b) BC. In een groot aantal zaken werd aangenomen dat de schuldeiser daardoor ‘adequately protected’ is. Er zijn ook enkele zaken bekend waarin de schuldeiser met overwaarde daarnaast ook nog gecompenseerd moet worden om ‘adequately protected’ te zijn: Norton Bankruptcy Law & Practice 2019, §43:45; Salerno, Hansen & Meyer 2019, §8.103.
In re United Savings Ass’n v. Timbers of Inwood Forest Associates, Ltd., 484 U.S. 365 (1988). Zie hierover uitgebreid: Salerno, Hansen & Meyer 2019, §8.89-8.94; Warren 2008, p. 34-35; Baird 2014, p. 206 (“The effect of interpreting adequate protection in this fashion is to require the bank to make a forced, interest-free loan for the duration of the bankruptcy”).
Sinds dit arrest is gewezen baseren ondergezekerde crediteuren hun verzoek om opheffing van de afkoelingsperiode dus veelvuldig op §362(d)(2) BC, door te stellen dat er geen redelijk vooruitzicht op een geslaagde reorganisatie bestaat. Vgl. nr. 265 hiervoor. Zie daarover Salerno, Hansen & Meyer 2019, §8.91 en 8.92; Baird 2014, p. 204.
Baird 2014, p. 203: “If the collateral is not at risk, the secured creditor has no right to have the stay lifted when the collateral is worth more than the amount to gain from getting more than the amount it is owed. Hence, it will be unlikely to sell it in a way that maximizes its value. We do have rules that require the secured creditor to act reasonably, but we are going to be better off if the person conducting the sale has the incentive to get the best price.”.
264. De afkoelingsperiode biedt de schuldenaar ademruimte zodat hij tot een plan kan komen. De afkoelingsperiode voorkomt dat crediteuren door individuele verhaalsacties de onderneming uiteen doen vallen.1 Door de afkoelingsperiode blijven de activa van de schuldenaar bijeen. De veronderstelling is immers dat dat doorgaans tot een hogere opbrengst zal leiden. Bij het vormgeven van §362 BC heeft de Amerikaanse wetgever een balans proberen te zoeken tussen enerzijds het bewaren van de onderneming als going concern en anderzijds het beschermen van de posities van de zekerheidsgerechtigde schuldeisers.2
Gedurende de afkoelingsperiode mag de DIP blijven beschikken over zijn vermogen om de onderneming draaiende te houden. 3 Zolang het om het gebruik of de verkoop in het kader van de normale bedrijfsuitoefening gaat, heeft hij daartoe geen voorafgaande rechterlijk verlof nodig.4 Om te bepalen welke handelingen binnen de gewone bedrijfsuitoefening vallen, hanteert de Amerikaanse rechter een subjectieve test (welke transacties mochten crediteuren verwachten op het moment dat ze krediet verschaften?) of een objectieve test (welke transacties zijn gebruikelijk voor ondernemingen in deze branche?).5 Beschikkingshandelingen van de DIP kunnen de positie van zekerheidsgerechtigden ondermijnen. De zekerheidsgerechtigde kan immers als gevolg van de afkoelingsperiode niet overgaan tot opeising van de aan hem in zekerheid gegeven goederen. Op grond van §362(d) BC kan een zekerheidsgerechtigde6 de rechter verzoeken de afkoelingsperiode ten opzichte van hem (voorwaardelijk) op te heffen, te vernietigen of te wijzigen.7
265. Verzoeken tot wijziging of opheffing van een stay komen veel voor en leiden tot complexe procedures in het Amerikaanse recht.8 Voor toepassing van §362(d) BC zijn diverse – zeer contentieuze – waarderingen vereist.9 Voordat de rechter een beslissing neemt dienen namelijk niet alleen de schuldenaar, maar ook de crediteurencommissie of (wanneer een dergelijke commissie niet benoemd is) de 20 grootste crediteuren opgeroepen en gehoord te worden.10
De rechter zal het verzoek ten eerste toewijzen wanneer het onderpand geen overwaarde heeft en niet nodig is voor de herstructurering.11 Voor de vaststelling of de zaak overwaarde heeft, moeten alle daarop gevestigde zekerheden (en dus niet alleen het zekerheidsrecht van de verzoekende partij) in ogenschouw worden genomen.12 Wanneer de schuldenaar geen ‘equity’ in de zaak heeft, en er dus geen overwaarde is, zal hij moeten aantonen dat de zaak noodzakelijk is voor een effectieve reorganisatie én dat er een redelijk vooruitzicht op een succesvolle reorganisatie binnen een redelijke tijd bestaat.13 Wanneer de schuldenaar dat niet kan bewijzen wijst de rechter het verzoek van de zekerheidsgerechtigde toe.14
De rechter kan het verzoek tot beëindiging, wijziging of vernietiging van de afkoelingsperiode ook toewijzen “for cause”.15 Deze open norm biedt rechters de mogelijkheid om van geval tot geval te bekijken of toewijzing van het verzoek passend is.16 De wettelijke bepaling noemt één belangrijk voorbeeld van ‘cause’: het feit dat de schuldeiser geen ‘adequate protection’ in de zin van §361 BC heeft. Met het leerstuk van adequate protection beoogt de Amerikaanse wetgever enerzijds de continuïteit van de onderneming als going concern gedurende de insolventieprocedure te faciliteren en anderzijds de posities van de schuldeisers voldoende te beschermen.17 Adequate protection vormt niet alleen de beschermingsmaatstaf voor het al dan niet opheffen of wijzigen van een afkoelingsperiode, maar is ook een sleutelbegrip wanneer de schuldenaar wil beschikken over bezwaarde activa18 en wanneer hij zekerheden ter zake van nieuwe financiering wil verstrekken.19 Adequate protection beschermt de verhaalspositie van schuldeisers.
266. Adequate protection kan op diverse manieren gestalte krijgen. De Bankruptcy Code beschrijft drie mogelijkheden.20 In de eerste plaats zijn de rechten van de zekerheidsgerechtigde crediteur voldoende gewaarborgd indien de waardedaling van het onderpand – al dan niet periodiek – wordt vergoed.21 Ook geniet de schuldeiser adequate protection wanneer er aanvullende of vervangende zekerheid wordt verschaft.22 Daarbij is van belang in het achterhoofd te houden dat goederen die de schuldenaar na aanvang van de Chapter 11-procedure verwerft, niet onder voordien gevestigde zekerheidsrechten komen te vallen.23 Omdat deze goederen dus onbezwaard in het vermogen van de schuldenaar vallen, kunnen deze dus worden aangewend om aanvullende of vervangende zekerheid te stellen. Ten derde is er sprake van adequate protection wanneer de schuldeiser het ‘indubitable equivalent’ van het zekerheidsrecht ontvangt.24 Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de waarde van het onderpand groter is dan de omvang van de vordering van de schuldeiser. In een dergelijk geval van overwaarde (‘equity cushion’) heeft de schuldeiser recht op rente, tot dat de opgelopen vordering even groot is als de waarde van het onderpand.25 Ondergezekerde crediteuren worden niet gecompenseerd voor het feit dat zij door de afkoelingsperiode niet over kunnen gaan tot uitwinning van de zekerheden (“lost opportunity costs”), zo besliste de Supreme Court in 1988 in de zaak Timbers.26 Zij hebben dus wél recht op adequate protection, maar krijgen geen rentevergoeding voor het feit dat zij maanden, soms wel jaren, niet kunnen overgaan tot uitwinning.27 Wordt de schuldeiser niet voldoende gecompenseerd voor het mogelijke waardeverlies gedurende de afkoelingsperiode, kan de rechter het verzoek tot opheffing of wijziging van de afkoelingsperiode toewijzen. Wanneer hij voldoende beschermd is, prevaleert echter het belang van de gezamenlijke schuldeisers boven het belang van de zekerheidsgerechtigde om over te kunnen gaan tot opeising en uitwinning.28