In de Wet IB 2001 is voor een aantal bepalingen het begrip ‘ levensverzekering’ van belang. De definitie van dit begrip is opgenomen in artikel 1.6a van de Wet IB 2001 en geldt voor de hele wet. Voor de definitie wordt in de wettekst verwezen naar de Wet financieel toezicht. De definitie is van belang voor de volgende gevallen:
⁃
de terbeschikkingstellingsregelingen van artikel 3.91 en 3.92 van de Wet IB 2001;
⁃
de aftrek van lijfrentepremies in artikel 3.124 van de Wet IB 2001;
⁃
het overgangsrecht kapitaalverzekeringen eigen woning in Hoofdstuk 10bis van de wet IB 2001.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 1.6a (aant. 1)
De definitie van het begrip levensverzekering was tot en met 2012 opgenomen in de artikelen over de kapitaalverzekering eigen woning (artikel 3.117). Na afschaffing van de regeling van de kapitaalverzekering eigen woning is de definitie overgebracht naar de algemene bepalingen in het eerste hoofdstuk van de wet. Voor alle regelingen waar het begrip levensverzekering van belang is geldt deze definitie.
2. De definitie van het begrip levensverzekering (aant. 2 en aant. 3)
Voor de begripsomschrijving wordt aangesloten bij artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. De verwijzing naar de Wet op het financieel toezicht is ingevoerd op 1 januari 2007. In aant. 2 wordt ook ingegaan op de verwijzingen naar eerdere wetten. Van een levensverzekering is sprake als deze voldoet aan artikel 7:975 van het BW en de uitkering door de verzekeraar geschiedt in geld of in natura (bij de natuara-uitvaartverzekering). De definitie in het BW houdt kort gezegd in dat het moet gaan om een in verband met leven of dood gesloten verzekering die leidt tot een uitkering, waarbij ongevallenverzekeringen worden uitgezonderd.
Zuivere spaarproducten zonder enige afhankelijkheid van leven of dood van de mens, kunnen geen levensverzekering vormen ( aant. 2.1.3). Voor zogenoemde unit-linkedverzekeringen is geen aparte fiscale status gecreëerd (aant. 2.1.4). Het begrip levensverzekering is een abstract begrip, dat ook kan gelden voor verzekeringen gesloten bij niet-professionele verzekeraars (aant. 2.1.5). Uitsluitend een formele afhankelijkheid van leven of sterven, is onvoldoende om een levensverzekering te vormen. In materiële zin moet ook worden voldaan aan de criteria die de Pensioen- en Verzekeringskamer terzake stelt (aant. 2.1.6).
Voor de toepassing van de Wet IB 1964 had de staatssecretaris in een besluit aangegeven dat voor de fiscaliteit moet worden aangesloten bij de criteria die de toenmalige Verzekeringskamer in 1993 heeft gesteld aan overeenkomsten teneinde die te kunnen aanmerken als levensverzekering. Voor de Wet IB 2001 is dat besluit opnieuw gepubliceerd (aant. 3). Volgens de huidige Pensioen- en Verzekeringskamer moeten verzekeringen, die zijn gesloten met ingang van 1 juli 1993, voldoen aan de gestelde criteria. Dit geld ook voor verzekeringen gesloten vóór die datum, die sedertdien een belangrijke wijziging ondergaan. Dit is een aspect dat in het oog moet worden gehouden bij lijfrenten en kapitaalverzekeringen die worden aangepast in verband met de invoering van de Wet IB 2001 (aant. 3.1).
Het aansluiten voor de fiscaliteit bij de uitleg van de Pensioen- en Verzekeringskamer voor het begrip levensverzekering, is bepaald niet onomstreden ( aant. 3.2).
3. Beleid over totstandkomen levensverzekering (aant. 4)
In een aantal beleidsstandpunten heeft de Staatssecretaris van Financiën aangegeven hoe en op welk tijdstip een levensverzekering tot stand komt (aant. 4). In de meeste gevallen is medische acceptatie door de verzekeraar de (opschortende) voorwaarde voor het tot stand komen van de verzekering. Soms is evenwel sprake van een ontbindende voorwaarde (aant. 4.1) dan is de levensverzekering al eerder tot stand gekomen.
Een premiebetaling zonder dat een offerte door de verzekeraar heeft plaatsgevonden, brengt nog niet het bestaan van een levensverzekering mee ( aant. 4.2).
Ook bij het uitsluitend hebben ontvangen van een offerte van de verzekeraar is nog geen sprake van een in juridische zin perfecte verzekering. Eerst moet de verzekeringnemer de offerte te hebben geaccepteerd (aant. 4.3).
Het tijdstip van premiebetaling is als zodanig niet relevant voor het bepalen van het tijdstip van tot stand komen van de verzekering. Uitsluitend indien de eerste premiebetaling de opschortende voorwaarde is voor het tot stand komen van de verzekering, is dat anders (aant. 4.4).
Een polis vormt het bewijs van het bestaan van een verzekering. Als echter aannemelijk is dat de polis niet strookt met de bedoeling van de partijen, kan deze met terugwerkende kracht worden vervangen door een juiste polis (aant. 4.5).
Goedgekeurd is dat een premiebetaling het karakter van lijfrentepremiebetaling kan hebben als de aanvraag voor de lijfrente ten minste twee werkdagen vóór het fiscaal relevante tijdstip is verzonden aan de verzekeraar. Hieraan doet niet af dat op dat tijdstip de lijfrente in juridische zin nog niet totstandgekomen is (aant. 4.6).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Inkomstenbelasting, artikel 1.6a Wet IB 2001, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 24-04-2026
24-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/57 en V-N 2026/17.30
01-01-2013 tot: -
Vakstudie Inkomstenbelasting, artikel 1.6a Wet IB 2001, aant. 1.1
Inkomstenbelasting / Algemeen
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 1.6a
Beschouwing
Inleiding
In de Wet IB 2001 is voor een aantal bepalingen het begrip ‘ levensverzekering’ van belang. De definitie van dit begrip is opgenomen in artikel 1.6a van de Wet IB 2001 en geldt voor de hele wet. Voor de definitie wordt in de wettekst verwezen naar de Wet financieel toezicht. De definitie is van belang voor de volgende gevallen:
de terbeschikkingstellingsregelingen van artikel 3.91 en 3.92 van de Wet IB 2001;
de aftrek van lijfrentepremies in artikel 3.124 van de Wet IB 2001;
het overgangsrecht kapitaalverzekeringen eigen woning in Hoofdstuk 10bis van de wet IB 2001.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 1.6a (aant. 1)
De definitie van het begrip levensverzekering was tot en met 2012 opgenomen in de artikelen over de kapitaalverzekering eigen woning (artikel 3.117). Na afschaffing van de regeling van de kapitaalverzekering eigen woning is de definitie overgebracht naar de algemene bepalingen in het eerste hoofdstuk van de wet. Voor alle regelingen waar het begrip levensverzekering van belang is geldt deze definitie.
2. De definitie van het begrip levensverzekering (aant. 2 en aant. 3)
Voor de begripsomschrijving wordt aangesloten bij artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. De verwijzing naar de Wet op het financieel toezicht is ingevoerd op 1 januari 2007. In aant. 2 wordt ook ingegaan op de verwijzingen naar eerdere wetten. Van een levensverzekering is sprake als deze voldoet aan artikel 7:975 van het BW en de uitkering door de verzekeraar geschiedt in geld of in natura (bij de natuara-uitvaartverzekering). De definitie in het BW houdt kort gezegd in dat het moet gaan om een in verband met leven of dood gesloten verzekering die leidt tot een uitkering, waarbij ongevallenverzekeringen worden uitgezonderd.
Zuivere spaarproducten zonder enige afhankelijkheid van leven of dood van de mens, kunnen geen levensverzekering vormen ( aant. 2.1.3). Voor zogenoemde unit-linkedverzekeringen is geen aparte fiscale status gecreëerd (aant. 2.1.4). Het begrip levensverzekering is een abstract begrip, dat ook kan gelden voor verzekeringen gesloten bij niet-professionele verzekeraars (aant. 2.1.5). Uitsluitend een formele afhankelijkheid van leven of sterven, is onvoldoende om een levensverzekering te vormen. In materiële zin moet ook worden voldaan aan de criteria die de Pensioen- en Verzekeringskamer terzake stelt (aant. 2.1.6).
Voor de toepassing van de Wet IB 1964 had de staatssecretaris in een besluit aangegeven dat voor de fiscaliteit moet worden aangesloten bij de criteria die de toenmalige Verzekeringskamer in 1993 heeft gesteld aan overeenkomsten teneinde die te kunnen aanmerken als levensverzekering. Voor de Wet IB 2001 is dat besluit opnieuw gepubliceerd (aant. 3). Volgens de huidige Pensioen- en Verzekeringskamer moeten verzekeringen, die zijn gesloten met ingang van 1 juli 1993, voldoen aan de gestelde criteria. Dit geld ook voor verzekeringen gesloten vóór die datum, die sedertdien een belangrijke wijziging ondergaan. Dit is een aspect dat in het oog moet worden gehouden bij lijfrenten en kapitaalverzekeringen die worden aangepast in verband met de invoering van de Wet IB 2001 (aant. 3.1).
Het aansluiten voor de fiscaliteit bij de uitleg van de Pensioen- en Verzekeringskamer voor het begrip levensverzekering, is bepaald niet onomstreden ( aant. 3.2).
3. Beleid over totstandkomen levensverzekering (aant. 4)
In een aantal beleidsstandpunten heeft de Staatssecretaris van Financiën aangegeven hoe en op welk tijdstip een levensverzekering tot stand komt (aant. 4). In de meeste gevallen is medische acceptatie door de verzekeraar de (opschortende) voorwaarde voor het tot stand komen van de verzekering. Soms is evenwel sprake van een ontbindende voorwaarde (aant. 4.1) dan is de levensverzekering al eerder tot stand gekomen.
Een premiebetaling zonder dat een offerte door de verzekeraar heeft plaatsgevonden, brengt nog niet het bestaan van een levensverzekering mee ( aant. 4.2).
Ook bij het uitsluitend hebben ontvangen van een offerte van de verzekeraar is nog geen sprake van een in juridische zin perfecte verzekering. Eerst moet de verzekeringnemer de offerte te hebben geaccepteerd (aant. 4.3).
Het tijdstip van premiebetaling is als zodanig niet relevant voor het bepalen van het tijdstip van tot stand komen van de verzekering. Uitsluitend indien de eerste premiebetaling de opschortende voorwaarde is voor het tot stand komen van de verzekering, is dat anders (aant. 4.4).
Een polis vormt het bewijs van het bestaan van een verzekering. Als echter aannemelijk is dat de polis niet strookt met de bedoeling van de partijen, kan deze met terugwerkende kracht worden vervangen door een juiste polis (aant. 4.5).
Goedgekeurd is dat een premiebetaling het karakter van lijfrentepremiebetaling kan hebben als de aanvraag voor de lijfrente ten minste twee werkdagen vóór het fiscaal relevante tijdstip is verzonden aan de verzekeraar. Hieraan doet niet af dat op dat tijdstip de lijfrente in juridische zin nog niet totstandgekomen is (aant. 4.6).