Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/6.1:6.1 Samenvatting
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/6.1
6.1 Samenvatting
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS489865:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eind negentiende eeuw begon het besef te ontstaan dat de factor arbeid op deze of gene wijze betrokken zouden moeten worden bij besluitvorming in de onderneming waarin werknemers werkzaam waren. Het duurde echter tot 1950 voor met de Wet op de ondernemingsraden (‘WOR’) in algemene zin vorm werd gegeven aan medezeggenschap van werknemers. Het hoofd of de bestuurder van de onderneming waarin meer dan 25 personen werkzaam waren, werd verplicht een ondernemingsraad in te stellen. Sprekend voor de geest van eendracht in de jaren na de Tweede Wereldoorlog was dat de ondernemingsraad in de wet van 1950 werd gevormd door het hoofd of de bestuurder en de gekozen afgevaardigden van de werknemers. Pas vanaf 1979 maakt de bestuurder geen deel meer uit van de raad. Het overleg tussen de bestuurder(s) en de ondernemingsraad ‘nieuwe stijl’ vindt sindsdien plaats in de overlegvergadering.
Met invoering van de Wet op de ondernemingsraden is gekozen voor uitoefening van zogenaamde directe medezeggenschap, dat wil zeggen voor beïnvloeding van de gang van zaken in de onderneming door middel van het voeren van overleg, en het geven van advies dan wel het verlenen van instemming aangaande bepaalde besluiten van de ondernemer. Men spreekt wel van medezeggenschap ‘aan de voet’. Indirecte medezeggenschap, door mij ook aangeduid als medezeggenschap ‘via de top’ of als vennootschappelijke medezeggenschap, krijgt gestalte in de vorm van betrokkenheid bij de samenstelling van organen van de ondernemer. Een goed voorbeeld biedt de structuurregeling.
De WOR heeft nauwelijks oog voor het bestaan van vennootschappelijke structuren en van daaraan inherente beleids -en besluitvormingsprocessen. Zo is in alle eenvoud sprake van advies en instemming met betrekking tot besluiten ‘van de ondernemer’. Het feit dat de WOR zich onvoldoende rekenschap geeft van de rechtspersoonlijkheid van de ondernemer, leidt tot een bepaalde spanning tussen het medezeggenschaps- en het ondernemingsrecht die ik in de titel van mijn onderzoek tot uiting heb willen brengen.
In de jaren zestig van de vorige eeuw ging het behartigen van de specifieke belangen van werknemers een rol spelen bij de uitoefening van medezeggenschap. Dit ging, in 1971, gepaard met een aanzienlijke uitbreiding van de bevoegdheden van de ondernemingsraad, in 1979 met de invoering van een beroepsrecht ten aanzien van besluiten in de zin van art. 25 WOR. Daarmee werd overigens geen afbreuk gedaan aan het bredere belang van de onderneming dat met de instelling van de ondernemingsraad gediend wordt (vgl. art. 2 lid 1 WOR) en aan het feit dat de ondernemingsraad er verstandig aan doet dit bredere belang in zijn overwegingen te betrekken. Het feit dat de door de ondernemingsraad vertegenwoordigde werknemers direct en/of indirect invloed kunnen uitoefen op beleids- en besluitvorming met betrekking tot de onderneming waarin zij werkzaam zijn, heeft, bezien vanuit het perspectief van de ondernemer, de belangrijke toegevoegde waarde dat het draagvlak van dat beleid en van die besluiten, hoe vervelend soms ook, groter zal zijn.
In hoofdstuk III kwamen begrippen in de Wet op de ondernemingsraden en Boek 2 BW aan de orde die van belang zijn bij mijn onderzoek naar de spanning tussen het medezeggenschaps- en het ondernemingsrecht. Daarbij bleek dat sommige begrippen in de WOR een andere betekenis hebben dan in Boek 2 BW. Een voorbeeld is het begrip onderneming. In Boek 2 BW is het vermogen het aanknopingspunt van de onderneming, in de WOR is dat de arbeidsorganisatie. Om de arbeidsorganisatie voor toepassing van de WOR een onderneming te kunnen noemen, zal deze in de maatschappij als zelfstandige eenheid moeten optreden (art. 1 lid 1 en onder c WOR). De wetgever lijkt zich in overwegende mate te hebben laten leiden door de wens aan de hand van objectieve criteria te bepalen of een arbeidsorganisatie een onderneming in de zin van de WOR is. Dat de wet in dat kader zelfstandigheid als voorwaarde stelt, mag geen verbazing wekken. Aldus wordt namelijk bewerkstelligd dat medezeggenschap van voldoende gewicht wordt uitgeoefend op een niveau waar zeggenschap van voldoende gewicht wordt uitgeoefend, bijvoorbeeld als het gaat om besluiten in de zin van art. 25 WOR. Daar staat tegenover dat een filiaal van een bank of van een grootwinkelbedrijf, die men heden ten dage nog moeilijk kan beschouwen als een zelfstandigeeenheid, niet langer ondernemingen in de zin van art. 1 lid 1 en onder c WOR zijn. Of het een gelukkige keuze is geweest het optreden naar buiten toe (mede) bepalend te achten voor de inrichting van medezeggenschap, die ik toch eerst en vooral als een interne aangelegenheid kwalificeer, betwijfel ik.
Zonder meer een tekortkoming in de huidige regeling betreft de positie van zogenaamde concernwerknemers. Het betreft hier werknemers die formeel in dienst zijn van de ene concernvennootschap, doch feitelijk werkzaam zijn in de onderneming van een andere, tot datzelfde concern behorende vennootschap. Het feit dat zij op grond van een buiten hen om tot stand gebrachte structuur niet in dienst zijn bij de onderneming waar zij feitelijk hun werkzaamheden verrichten, heeft tot gevolg dat zij voor toepassing van de wet pas na 24 maanden worden gerekend tot de personen die in laatstbedoelde onderneming werkzaam zijn. Men zou in deze lacune kunnen voorzien door de art. 1 lid 2 WOR eerste volzin bedoelde personen uitte breiden met werknemers die op basis van een duurzame arbeidsbetrekking in de onderneming werkzaam zijn.
Indien de ondernemer een rechtspersoon is, functioneert hij door middel van zijn organen. Bij de naamloze en de besloten vennootschap zijn dat in ieder geval een bestuur en een algemene vergadering van aandeelhouders. Veel vennootschappen die, alleen of tezamen met andere ondernemers die met hen in een groep verbonden zijn (art. 3 lid 2 WOR), een of meer grote ondernemingen in stand houden hebben daarnaast een raad van commissarissen ingesteld. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van groepsverbondenheid hoeft, blijkt uit de wetsgeschiedenis en uit de Hoge Raad -uitspraak inzake COR /TNT, geen aansluiting gezocht te worden bij de groepsbegrippen in Boek 2 BW. Voor toepassing van art. 3 lid 3 WOR gaat het er om of de ondernemers aan gemeenschappelijke leiding onderworpen zijn, dan wel of één van hen de leiding over de andere(n) uitoefent of kan uitoefenen. De verhouding tussen de vennootschap en degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie betrokken zijn, wordt beheerst door de redelijkheid en de billijkheid (art. 2:8 BW). Tot die betrokken behoort ook de ondernemingsraad. Dat is niet alleen zo indien de ondernemingsraad uit hoofde van de structuurregeling een rol speelt bij besluitvorming inzake benoeming van commissarissen van de vennootschap (vgl. art. 2:158/268 BW), maar ook indien de ondernemingsraad op grond van de artt. 25, 27 en 30 WOR betrokken is bij totstandkoming van besluiten die door de organen van de rechtspersoon worden genomen.
Het bepalen van de strategie van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming is in beginsel een aangelegenheid van het bestuur van de vennootschap, waar de raad van commissarissen toezicht op houdt, en ten aanzien waarvan de algemene vergadering van aandeelhouders haar opvattingen tot uitdrukking kan brengen door uitoefening van haar in de wet en de statuten toegekende rechten. Zeker bij besloten vennootschappen met één aandeelhouder heeft de algemene vergadering van aandeelhouders het, met de mogelijkheid bestuurders te ontslaan en te benoemen, echter in haar macht vergaande invloed uit te oefenen op de strategie van de vennootschap. Deze feitelijke macht is met de wijziging van art. 2:239 lid 4 BW per 1 oktober 2012 geformaliseerd en versterkt. De wijziging van de machtsverhoudingen die daar het gevolg van is, kan van invloed zijn op het moment waarop de ondernemingsraad om advies gevraagd zal moeten worden en op eventuele toerekening van besluiten in concernverband.
De bestuurder van de onderneming oefent rechtstreeks de hoogste zeggenschap uit bij de leiding van de arbeid in de onderneming (art. 1 lid 1 en onder e WOR). De wetgever lijkt, in die gevallen waarin de ondernemer een naamloze of een besloten vennootschap is, in de veronderstelling verkeerd te hebben dat de bestuurder van de onderneming tevens bestuurder van de vennootschap is. Vallen beide hoedanighedenniet in één persoon samen, dan zou dat afbreuk kunnen doen aan zinvol overleg over de algemene gang van zaken van de onderneming (art. 24 lid 1 WOR), maar meer nog aan dat over aangelegenheden waarvan, bijvoorbeeld gezien hun aard, verwacht mag worden dat daarover door het bestuur van de ondernemer wordt beslist, en niet door de bestuurder van de onderneming.
Het overleg van de ondernemer met de ondernemingsraad stond centraal in hoofdstuk IV Op grond van de artt. 23 en 24 WOR kunnen in dat overleg onderwerpen aan de orde komen die betrekking hebben op de onderneming. Het staat de ondernemingsraad evenwel vrij een onderwerp dat betrekking heeft op de vennootschap aan de orde te stellen, mits dat voldoende verband houdt met de onderneming. In de praktijk blijkt bij veel ondernemingsraden de behoefte te bestaan ook het concernbeleid te bespreken. Omdat de in het buitenland gevestigde topholdings niet onder het bereik van de WOR vallen, ligt het voor de hand de ondernemer, en niet de topholding, daartoe te verplichten. De ondernemingsraad mag vervolgens van de ondernemer verwachten dat deze zich inspant over voldoende informatie te beschikken om een zinvolle invulling aan dat overleg te geven. De verplichte aanwezigheid van bestuurders van de aandeelhouder (art. 24 lid 2 WOR) kan daaraan een belangrijke bijdrage leveren.
Besluitvorming vindt plaats in stappen. In dat proces geldt enerzijds dat het advies van de ondernemingsraad op een zodanig tijdstip gevraagd dient te worden dat het nog van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit (art. 25 lid 2 WOR), anderzijds dat het voorgenomen besluit al zodanig concreet is dat de ondernemer kan aangeven wat de te verwachten gevolgen zijn voor personen die in de onderneming werkzaam zijn (art. 25 lid 3 WOR). Om in de spanning tussen deze beide verplichtingen te voorzien, bevat art. 24 lid 1 WOR een regeling voor besluiten die de ondernemer in voorbereiding heeft, dat wil zeggen waaromtrent het concrete voornemen bestaat dit te gaan nemen. De ondernemer zal in het kader van de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming mededeling moeten doen van art. 25 WOR besluiten die hij in voorbereiding heeft. Bovendien zal hij met de ondernemingsraad afspraken moeten maken over het moment waarop de raad bij de besluitvorming betrokken zal worden. Hij is daartoe ook verplicht indien een derde een besluit in voorbereiding heeft dat, als het uiteindelijk wordt genomen, aan de ondernemer toegerekend zou moeten worden. De regeling bestrijkt niet alle gevallen waar deze voor bedoeld is. Het aantal overlegvergaderingen waar de algemene gang van zaken van de onderneming wordt besproken is namelijk beperkt. In dat licht had de wetgever er beter aan gedaan de regeling op te nemen in art. 23 WOR.
Veronachtzaming van de in art 24 lid 1 WOR bedoelde verplichtingen maakt een nadien genomen 25 WOR besluit nog niet kennelijk onredelijk. Wel zal de ondernemer zich moeilijker kunnen verschonen voor het feit dat hij het advies heeft gevraagd op een zodanig tijdstip dat het niet meer of niet ten volle van wezenlijke invloed op het definitieve besluit kon zijn (vgl. art. 25 lid 2 WOR). Beursgenoteerde vennootschappen lopen een niet te veronachtzamen risico dat de geheimhouding die zij hebben te waarborgen met betrekking tot koersgevoelige informatie in gevaar komt, indien zij de ondernemingsraad in kennis stellen van besluiten in voorbereiding. Onder omstandigheden, en mede in ogenschouw genomen dat de mededelingsplicht er hoofdzakelijk toe strekt de ondernemingsraad op het geëigende moment in de adviesprocedure te betrekken, rechtvaardigen de belangen die met het besluit gemoeid zijn dat een ondernemer de effectenrechtelijke geheimhoudingsplicht laat prevaleren boven de medezeggenschapsrechtelijke mededelingsplicht.
De regeling inzake de verplichte aanwezigheid van commissarissen van de ondernemer dan wel van bestuurders van een vennootschap die tenminste de helft van de aandelen in de ondernemer houdt (art. 24 lid 2 WOR), pakt niet altijd even gelukkig uit. Dat hangt samen met het dwingende karakter van de regeling. Uitgangspunt zou moeten blijven dat de commissarissen van de ondernemer aanwezig zijn. Het zou vervolgens aan de ondernemingsraad moeten zijn te bepalen of het overleg in hun plaats wordt bijgewoond door bestuurders van de middellijk of onmiddellijk aandeelhouder. De ondernemingsraad zou er in dat verband ook voor moeten kunnen kiezen divisie -bestuurders uit te nodigen, omdat voorstelbaar is dat zij een wezenlijker bijdrage kunnen leveren aan het overleg dan de concern -bestuurders. Daarnaast zou het mogelijk gemaakt moeten worden in plaats van de bestuurders van de aandeelhouder de commissarissen van de aandeelhouder uit te nodigen. Als het overleg betrekking heeft op een voorgenomen besluit van het bestuur van de ondernemer (vgl. art. 25 lid 4 WOR) dat is onderworpen aan de goedkeuring van de raad van commissarissen van de aandeelhouder, zal zowel de gedachtevorming binnen de ondernemingsraad als die binnen die raad van commissarissen daarmee gebaat kunnen zijn. De uitzonderingsregeling van art. 24 lid 3 WOR is ook voor verbetering vatbaar, met name waar het gaat om de bestuurders van de aandeelhouder. Indien deze zich op art. 24 lid 3 WOR kunnen beroepen, gaat dat er niet mee gepaard dat de verschijningspicht weer komt te rusten op de commissarissen van de ondernemer of op de bestuurders van een aandeelhouder op een lager niveau. Voor de bestuurders van de middellijk of onmiddellijk aandeelhouder zou het beter zijn de vennootschap waar zij bestuurder zijn tot uitgangspunt te nemen: heeft die deelnemingen waarbij tenminste vijf ondernemingsraden zijn ingesteld waarop de WOR van toepassing is, dan komt hún verschijningsplicht te vervallen.
In hoofdstuk V besprak ik het adviesrecht van de ondernemingsraad uit hoofde van de artt. 25 en 30 WOR en het beroepsrecht van art. 26 WOR. Daarbij zagen we dat besluiten van derden die in een bijzondere zeggenschapsrelatie tot de ondernemer staan doorgaans voor (het bestuur van) de ondernemer het karakter hebben van een aanwijzing waaraan hij zich ten gevolge van zijn afhankelijkheid van die derde moeilijk kan onttrekken. Indien (het bestuur van) de ondernemer de vrijheid niet heeft of de vrijheid niet neemt om op basis van een eigenstandige afweging van belangen tot een vennootschappelijk besluit te komen, verliest het besluit van de derde het karakter van een aanwijzing. De derde grijpt met zijn besluit voor toepassing van art. 25 WOR rechtstreeks in de onderneming in. Om te bewerkstelligen dat het besluit van de derde in dergelijke gevallen heeft te gelden als een besluit van de ondernemer, wordt het aan de ondernemer toegerekend. Toerekening bewerkstelligt niet dat adviesplichtig wordt wat dat anders niet zou zijn geweest, maar heeft slechts tot gevolg dat het advies van de ondernemingsraad op een eerder tijdstip dan dat van de totstandkoming van vennootschappelijke besluit van de ondernemer gevraagd zal moeten worden. Heeft de beïnvloeding van de besluitvorming door de derde een stelselmatig karakter, dan kan hij worden aangemerkt als medeondernemer. Medeondernemerschap moet worden beschouwd als een gekwalificeerde vorm van toerekening.
Sinds oktober 2012 kunnen de statuten van een besloten vennootschap bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan (art. 2:239 lid 4 BW). Het bestuur heeft deze specifieke aanwijzingen op te volgen, tenzij dat in strijd is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Indien de algemene vergadering gebruik maakt van een haar toegekend instructierecht, heeft dat tot gevolg dat het adviesrecht van de ondernemingsraad verschuift van bestuursbesluiten naar ava -besluiten. Bovendien moet de aandeelhouder die er blijk van geeft dat hij een door hem genomen besluit nog slechts zal formaliseren in de algemene vergadering van aandeelhouders van de (dochter)ondernemer, er op bedacht zijn dat zijn besluit aan de ondernemer zal worden toegerekend. Zijn opstelling getuigt er namelijk niet van dat het advies van de ondernemingsraad nog van wezenlijke invloed zal kunnen zijn op het besluit van de algemene vergadering.
Een bijzondere voorwaarde om het besluit van een derde aan de ondernemer toe te kunnen rekenen, is dat de ondernemer het besluit ook zélf had moeten kunnen nemen. In een hoogst uitzonderlijk geval kán de ondernemer dat echter niet. De Heuga -zaak biedt daarvan een goed voorbeeld. De afschaffing van het structuurregime bij de moeder leidde tot een belangrijke wijziging van de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming van de (dochter)ondernemer. De (dochter) ondernemer zou dat besluit echter zelf niet hebben kunnen nemen; dat kan slechts de algemene vergadering van aandeelhouders van de moeder. In dergelijke gevallen brengt de techniek van de vereenzelviging een besluit onder het bereik van het adviesrecht van de ondernemingsraad.
Overdracht van de doorslaggevende zeggenschap in de ondernemer, waaronder mede te verstaan het tenietgaan dan wel het ontstaan van doorslaggevende zeggenschap, heeft te gelden als een overdracht van de zeggenschap over de onderneming, óók indien het structuurregime op de ondernemer van toepassing is. Bij een juridische fusie en bij verpanding van een meerderheid van de aandelen die gepaard gaat met al dan niet voorwaardelijke overdracht van het stemrecht aan de pandhouder, moet men er evenzeer op bedacht zijn dat daarmee de zeggenschap over de onderneming wordt overgedragen. Omdat bij overdracht van de zeggenschap in de ondernemer geen sprake is van een besluit van de ondernemer zelf, zal het besluit dat aan die overdracht ten gronde ligt aan de ondernemer toegerekend moeten kunnen worden. Toerekening vindt dan niet plaats omdat het besluit rechtstreeks in de onderneming ingrijpt, maar omdat het besluit daar specifiek betrekking op heeft; het strekt er immers toe de zeggenschap over de onderneming over te dragen. Bij overdracht van de zeggenschap in de ondernemer zal men niet alleen van toerekening kunnen spreken indien (het bestuur van) de ondernemer daaraan zijn medewerking verleent of daarmee nadrukkelijk instemt, maar ook, als de ondernemer een naamloze of een besloten vennootschap is, ingeval van directe en gecoördineerde betrokkenheid bij het besluit van een of meer aandeelhouders die beschikken over de meerderheid van de stemrechten in de algemene vergadering van aandeelhouders. Omdat daarvan geen sprake is bij een openbaar bod op aandelen, blijft het adviesrecht van de ondernemingsraad in dat geval beperkt tot een voorgenomen besluit van het bestuur van de doelvennootschap zijn steun voor het bod uit te spreken. Reageert het bestuur van de doelvennootschap op een vijandig bod met het plaatsen van een pakket aandelen met doorslaggevende zeggenschap bij een bevriende derde, dan is de vennootschap gehouden de ondernemingsraad dienaangaande op grond van art. 25 lid 1 en onder b WOR in de gelegenheid te stellen een advies uit te brengen.
De ondernemer dient de ondernemingsraad om advies te vragen met betrekking tot een voorgenomen besluit tot een belangrijke wijziging van de verdeling van bevoegdheden in de ondernemer, indien die bevoegdheden zich (mede) uitstrekken tot de onderneming. Het onderscheid tussen de ondernemer en de onderneming komt in dergelijke gevallen, zoals de Ondernemingskamer dat in de Intergasbeschikking heeft uitgedrukt, ‘kunstmatig’ voor. Indien de ondernemer op grond van de wet gehouden is zijn statuten in overeenstemming te brengen met de bepalingen inzake het structuurregime, komt de ondernemingsraad geen adviesrecht toe. Het regime is immers van rechtswege, derhalve zonder dat de ondernemer daartoe besluit, van toepassing. Staat het de ondernemer na verloop van tijd vrij te besluiten het regime te wijzigen of af te schaffen, dan ontkomt hij niet aan het adviesrecht van de ondernemingsraad. Een besluit tot wijziging van het statutaire doel is niet onderworpen aan het adviesrecht van de ondernemingsraad. Dat is, indien die wijziging daarvan blijk geeft, wel het geval met een voorgenomen besluit de werkzaamheden van de onderneming in belangrijke mate in te krimpen, uit te breiden of te wijzigen.
Ten aanzien van sommige besluiten van het bestuur dient de ondernemer niet alleen de ondernemingsraad om advies te vragen, ze kunnen daarnaast ook onderworpen zijn aan de goedkeuring van de raad van commissarissen. De medezeggenschap komt bij een dergelijke samenloop het best tot zijn recht, en naar mag worden aangenomen is de kwaliteit van de besluitvorming binnen de ondernemer er mee gediend, indien de raad van commissarissen bij zijn besluit het advies van de ondernemingsraad zal kunnen betrekken. Is de ondernemer een naamloze vennootschap, dan komt de ondernemingsraad met betrekking tot bepaalde besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders het recht toe een standpunt kenbaar te maken. Bij internationale concerns is de regeling, in ieder geval voor de toepassing van art. 2 : 107 a BW, ongelukkig in de wet vastgelegd. Daaruit blijkt namelijk niet dat de wetgever het bestaan van een spreekrecht van de eigen ondernemingsraad van de vennootschap afhankelijk heeft willen maken van het antwoord op de vraag of de meerderheid van de werknemers van het concern in Nederland werkzaam is. Zo die vraag ontkennend beantwoord zou moeten worden, zou de (centrale) ondernemingsraad een spreekrecht toegekend moeten worden indien het goed te keuren besluit in overwegende mate de Nederlandse onderneming(en) betreft.
De belangen van aandeelhouders zijn in de afgelopen jaren binnen de vennootschap een groter gewicht in de schaal gaan leggen. Dit kan niet zonder gevolgen blijven voor de in art. 26 lid 4 WOR bedoelde afweging van de betrokken belangen die de ondernemer maakt. Op zoek naar een nieuw evenwicht zal aanvaard moeten worden dat de ondernemingsraad zich meer dan voorheen als behartiger van werknemersbelangen opwerpt. Op zijn beurt mag van de ondernemer verlangd worden dat hij de betrokken belangen nog zorgvuldiger tegen elkaar afweegt, en dat hij deze afweging inzichtelijker maakt naarmate die meer in het voordeel van de aandeelhouder(s) uitvalt. Daarbij zal de afweging van de betrokken belangen, meer nog dan uit het voorgenomen besluit dat hij ter advisering aan de ondernemingsraad voorlegt, moeten blijken uit zijn motivering om het advies van de ondernemingsraad niet of niet geheel te volgen.
Het adviesrecht inzake benoeming en ontslag van bestuurders dient zowel belangen van de door de ondernemingsraad vertegenwoordigde werknemers als dat van de onderneming in zijn geheel. Bij veronachtzaming van dit adviesrecht staat de ondernemingsraad, naast de geschillenregeling van art. 36 WOR, de gang naar de Ondernemingskamer open indien de benoeming of het ontslag deel uitmaakt van één meeromvattend besluit in de zin van art. 25 WOR. Wordt de bestuurder van de onderneming benoemd bij besluit van een orgaan van de ondernemer, dan kan de ondernemingsraad bovendien een beroep doen op art. 2:15 lid 1 en onder b BW, nu dat niet met zoveel woorden is uitgesloten en nu het karakter van de door de rechter in dat kader te treffen voorzieningen wezenlijk verschilt met die op grond van art. 36 WOR. Omdat de wetgever bewust heeft afgezien van een inhoudelijke toetsing van art. 30 WOR-besluiten, zal de toetsing van het besluit echter beperkt dienen te blijven tot de gevolgde procedure. Bij het maken van een keus uit de verschillende mogelijkheden doet de ondernemingsraad er goed aan zich rekenschap te geven van het feit dat de kantonrechter niet bevoegd is kennis te nemen van een vordering in de zin van art. 2:15 BW, noch in een bodemprocedure noch bij wege van voorlopige voorziening (art. 254 lid 4 Rv).