Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/12.7.3:12.7.3 Toepassingsvoorwaarden
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/12.7.3
12.7.3 Toepassingsvoorwaarden
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS304012:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
502. Uit deel I volgt dat zowel de verschaffer van de extra aanspraken als degene die ze bedongen heeft, niet moeten worden afgeschrikt om hun onderlinge transactie aan te gaan. Voor de verschaffer van de aanspraak gebeurt dat in het Nederlandse vermogensrecht door hem de optie te geven de aanspraak ook op een manier te verschaffen waarop deze niét toekomt aan een opvolgend verkrijger van het subjectieve recht. Dit kan heel expliciet gebeuren door de aanspraak zuiver persoonlijk te maken voor degene die de aanspraak bedongen heeft. Daarnaast is het ook mogelijk om op een meer impliciete wijze ervoor te zorgen dat de verschaffer van de aanspraak niet gebonden is aan een andere wederpartij, door de aanspraak niet onderdeel van het subjectieve recht te maken, maar voor een andere oplossing te kiezen (zoals een aparte overeenkomst, los van het subjectieve recht).
503. Voor de subjectief gerechtigde geldt dat hij niet mag worden afgeschrikt om zijn subjectieve recht te koop aan te bieden. Uit deel I volgt dat het in dat kader nodig is dat de aanspraak zonder het subjectieve recht geen zelfstandig nut meer heeft. Te denken valt bijvoorbeeld aan de onderhoudsverplichting die de eigenaar van een dienend erf bij een recht van erfdienstbaarheid op zich neemt; het ligt voor de hand dat de rechten die hieruit voortvloeien voor de eigenaar van het heersende erf zonder het heersende erf geen zelfstandig nut hebben. Dit vereiste wordt in de Nederlandse literatuur niet gesteld. Wellicht wordt aangenomen dat per definitie aan het vereiste voldaan is, omdat aanspraken die zelfstandig nut hebben onvoldoende verband houden met de aard van het recht waar ze aan worden toegevoegd. Zo dat al waar is, dan zou dat alleen gelden voor beperkte rechten. Om een aanspraak tot onderdeel van een vorderingsrecht te maken geldt de voldoende verband-eis niet. Duidelijk zal echter zijn dat bijvoorbeeld de bevoegdheid om een vordering vervroegd opeisbaar te maken alleen nut heeft wanneer men ook gerechtigd is om betaling van die vordering te ontvangen; deze bevoegdheid is dus onderdeel van het vorderingsrecht.