Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.2.1
III.2.1 Inleiding
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS305545:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 6. Ter nuancering moet worden opgemerkt dat dit altijd veeleer een uitgangspunt dan een harde regel is geweest. Zoals in het navolgende aan de orde komt, behoorde buitengerechtelijke afdoening door middel van een transactie immers ook aan het begin van de twintigste eeuw al tot de mogelijkheden. Van daadwerkelijke bestraffing is bij de transactie strikt genomen echter geen sprake; het gaat veeleer om het afkopen van het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie door de verdachte.
Zie in dit verband onder meer Simmelink 2015.
Wet OM-afdoening van 7 juli 2006, Stb. 2006, 330, in werking getreden op 1 februari 2008.
Zie nader § 3.1.2 over de opkomst van en gang van zaken binnen de ZSM-werkwijze.
Zie de Aanwijzing slachtofferzorg (2010A029) van 13 december 2010, Stcrt. 2010, 20476 (in werking getreden op 1 januari 2011), onder 1.3. Indien de zaak wordt afgedaan met een transactie of een strafbeschikking moet het slachtoffer en de benadeelde partij daarover worden geïnformeerd. Zie ook het voornemen van de wetgever in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering om de waarborgen rondom de vervolgingsbeslissing te versterken (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, par. 2.3.3).
Zie Geelhoed 2010, p. 15. Geelhoed vergelijkt de positie van het slachtoffer met de belanghebbende bij de bestuursrechtelijke afdoening. Zie ook Cleiren en Frielink 2010, p. 168.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 334, p. 17; gesproken wordt van het op elkaar aansluiten van werkprocessen tot een gezamenlijk werkproces. Zie ook Brouwer 2010 en Bac en Vink 2014.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr, 334, par. 6.3.2, waar wordt gesproken van ‘equality of arms’. Het Openbaar Ministerie zou de informatie die het tot zijn beschikking heeft direct bij het uitmelden van de zaak moeten aanleveren aan de advocaat (p. 16-17).
In de praktijk wordt namelijk in een aanzienlijk deel van de zaken verzet tegen de strafbeschikking aangetekend. Zie Jacobs e.a. 2015 en Van Tulder, Meijer en Kalidien 2017.
Zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 334, par. 5.5.2. Er wordt melding gemaakt van ‘feedback-loops’, ofwel problemen ten aanzien van het op gelijke voet uitwisselen van informatie. Zie voorts Jacobs e.a. 2015, p. 7-8. Als oorzaken voor de tekortschietende informatie-uitwisseling worden genoemd: de externe positie van de advocatuur, de korte termijnen en logistieke problemen.
Zie onder meer Van Kampen 2013, Van der Meij 2014, Brouwer 2015 en Grijsen 2015. Zie nader § 3.1.2.
Zie Kamerstukken II 2015/2016, 29 279, nr, 334, p. 17. Aangekondigd wordt dat een separate beleidsbrief wordt uitgebracht over de kwestie van de rechtsbijstand.
Zie § 3.1.2 voor een nadere uitwerking van de ZSM-werkwijze.
Zie Boutellier 2004 en Blad 2005.
Bottoms spreekt van een ‘anamolous growth’ van het herstelrecht (Bottoms 2003, p. 100). In gelijke zin Crawford 2000.
Zie Van Hoek e.a. 2011 en Van Hoek en Slump 2011. Het betreft beide inventarisaties opgesteld door Restorative Justice Nederland in opdracht van het Ministerie van Veilig-heid en Justitie.
Op de achtergrond speelt bovendien het debat over de invulling van het opportuniteitsbeginsel en de vraag naar de wenselijkheid van rechterlijke toetsing op grond van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Zie Duker 2010, Geelhoed 2010, Spek 2010, Lindeman 2013 en Buruma 2015.
In het voorgaande is al gewezen op de procesverplichting: het uitgangspunt waarop ook het Wetboek van Strafvordering uit 1926 is gebaseerd en dat voorschrijft dat het strafrecht zich in beginsel via de rechter realiseert en dat straffen in beginsel door de rechter worden opgelegd.1 Hoe heeft het zover kunnen komen dat sindsdien zulke verschillende varianten van buitengerechtelijke afdoening als de strafbeschikking en herstelbemiddeling zich hebben kunnen nestelen in het strafrechtelijk domein, althans daartoe in toenemende mate een poging doen? Enerzijds kan op macroniveau worden gewezen op de in het voorgaande al genoemde fragmentarisering en individualisering van de samenleving, en de daaruit voortvloeiende (vermeende) gevoelens van onveiligheid. Vroegere ‘vaste’ maatschappelijke structuren zijn komen te vervallen, er lijkt in toenemende mate sprake te zijn van een gevictimaliseerde moraal en mede als gevolg daarvan een stijgende behoefte aan rechtshandhaving. Dat heeft een aanjagend effect (gehad) op de strafrechtspleging dat, tezamen met de bedrijfsmatige benadering binnen het strafrecht zoals we die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw kennen, heeft geresulteerd in een accentuering van de regulerende, bestuurlijke potentie van het strafrecht met een sterke nadruk op de efficiënte afdoening van strafbare feiten. Dat het Openbaar Ministerie daarin een leidende rol heeft gekregen is gelet op zijn spilfunctie voortvloeiend uit het vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel niet verwonderlijk.2 Dit streven naar ‘snelheid en doelmatigheid’ heeft uiteindelijk geresulteerd in de invoering van de strafbeschikking ingevolge de Wet OM-afdoening3 en kort daarna de vanuit de praktijk ontwikkelde ZSM-werkwijze, die evenals en in lijn met de OM-afdoening gericht is op een snelle, efficiënte afdoening van met name veel voorkomende criminaliteit.4
Inmiddels lijkt te worden onderkend dat zo’n bestuurlijke, bedrijfsmatige aanpak echter ook zo zijn keerzijden heeft. Enerzijds is er de aandacht voor het slachtofferbelang, dat expliciet betrokken dient te worden bij de afdoeningsbeslissing.5 Dat alleen al geeft aanleiding tot een andere invulling van het algemeen belang als grondslag voor de opportuniteitsafweging dan voorheen.6 Daarbij komt dat de afdoeningsbeslissing in de meerderheid van de zaken – zeker waar het relatief lichte, veel voorkomende criminaliteit betreft – tegenwoordig wordt genomen in het kader van de genoemde ZSM-werkwijze. De uitwisseling van informatie die daar tussen het Openbaar Ministerie en de ketenpartners plaats vindt, kan aanleiding geven tot heroverweging van de in eerste instantie voorgenomen afdoeningsbeslissing of eventueel tot uitstel daarvan om nadere informatie over de verdachte en/of het slachtoffer in te winnen. Het doel van de ZSM-werkwijze is inmiddels dan ook niet meer alleen gelegen in het efficiënt afdoen van strafzaken, maar ook in betekenisvolle, of anders gezegd: zorgvuldige, afdoening.7 Uitgangspunt is voorts dat het Openbaar Ministerie de via de ZSM-tafel verworven informatie op voet van gelijkheid deelt met de advocatuur.8 Door de rechtsbijstand zo vroeg mogelijk binnen het traject te plaatsen wordt de rechtsbescherming beter gegarandeerd en ontstaat in theorie ruimte om over de afdoeningsbeslissing te communiceren en mogelijk te onderhandelen, zo is de gedachte. Hier tekenen zich de contouren af van een weer meer op consensualiteit gebaseerde afdoening, wat zou moeten leiden tot een afname van de gevallen waarin verzet tegen de strafbeschikking wordt ingesteld.9 In de praktijk blijkt de gewenste informatie-uitwisseling echter nog niet geheel naar wens te verlopen,10 met name van de zijde van de advocatuur wordt in dit verband forse kritiek geuit.11 Niettemin wordt op departementaal niveau geconstateerd dat er een goede basis is om de ZSM-werkwijze de komende jaren verder uit te bouwen, met als aandachtspunt de verbetering van de rechtsbijstand.12 Hoewel de ZSM-werkwijze niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met buitengerechtelijke afdoening – dagvaarding voor de rechter vormt immers ook een van de opties binnen de ZSM-werkwijze13 – betekent dit niettemin een verdere consolidering van het buitengerechtelijk spoor.
In voornoemde zoektocht naar meer efficiënte wijzen van afdoening ligt ook een gemene deler tussen de strafbeschikking en de herstelbemiddeling, want beide vormen instrumenten die kunnen worden ingezet ter omzeiling van de klassieke gerechtelijke procedure. Wat betreft de strafbeschikking is dat geen nieuws (juist hierin is immers de bestaansreden van de strafbeschikking gelegen), maar voor de herstelbemiddeling ligt dat anders. De toepassing daarvan in het buitengerechtelijke spoor, mogelijk als onderdeel van een voorwaardelijk sepot, geeft blijk van een veranderende invulling van de opportuniteitsafweging. Herstelbemiddeling staat namelijk eerst en vooral in de sleutel van een ‘betekenisvolle’ afdoening, en niet zozeer in het teken van ‘efficiëntie’.14 Tegen de achtergrond van een overigens sterk punitief en populistisch discours vormt dat op het eerste gezicht een anomalie.15 Maar wie verder kijkt dan de oppervlakte ziet dat daaronder al eerder verkenningen hebben plaats gevonden naar de mogelijke instrumentele betekenis van herstelbemiddeling.16 Tegen de achtergrond van het streven naar efficiëntere én betekenisvollere afdoeningen wijst dat op heroverwegingen betreffende de subsidiariteit en proportionaliteit van strafvervolging en de daaraan verbonden afdoeningsvormen.17
Hoewel er aldus op meer abstract niveau – anders dan wellicht zou kunnen worden verwacht – de nodige samenhang lijkt te bestaan tussen de introductie van de strafbeschikking en de opkomst van de verschillende vormen van herstelbemiddeling, kennen zij daarnaast ook hun eigen meer specifieke oorzaken. Deze bespreken wij in het navolgende. Op voorhand kan evenwel worden vastgesteld dat de ontwikkelingen van de laatste decennia erop wijzen dat procesdifferentiatie inmiddels een onomkeerbaar gegeven is. Weliswaar is er voor de herstelbemiddeling (vooralsnog) geen hoofdrol weggelegd binnen de strafrechtelijke context, maar transacties, voorwaardelijk sepots en – met name – de strafbeschikking zijn niet meer van het strafrechtelijk toneel weg te denken. Ook de ZSM-werkwijze lijkt zich inmiddels een stevige plaats binnen de strafrechtspleging te hebben verworven. Dat alles is niet per definitie een slechte zaak – zeker niet wanneer deze procesdifferentiatie niet enkel in het teken van efficiënte maar ook van betekenisvolle afdoening wordt geplaatst –, maar wel een die tot verdere overdenking stemt.