Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.D.1.3.7
III.D.1.3.7 De verbintenis kan vervallen of verjaren; korte termijnen (de zesde zwakke plek)
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS407161:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Of de 'boedelnotaris'?
Zie hierover B.M.E.M. SCHOLS, Legaat of legitimaire plicht, vraag het aan het 'Oberlan-desgericht'?,WPNR (2003), 6551, p. 791-793.
ASSER-HARTKAMP 4-I, De verbintenis in het algemeen, Deventer: Kluwer 2004,nr. 686.
KERSCHER/TANCK, Pflichtteilsrecht in der anwaltlichen Praxis, Bonn: Deutscher, An-waltverlag 1997, p. 215.
§ 195 BGB.
TM, p. 163 en 165, Parl. Gesch. Boek 4 Vast., p. 439 en p. 531 e.v., waar gehamerdwerdop de rechtszekerheiden in dit licht geconstateerdwerddat de kennisneming geruime tijdkon uitblijven. Deze kennisneming is dan ook uiteindelijk komen te vervallen.
Afgezien dat hier de onrechtmatige daad uitkomst zou kunnen bieden en het feit dat een wettelijk vertegenwoordiger in beginsel ook op enig moment 'rekening en verantwoording' zal moeten afleggen.
R.L. ALBERS-DINGEMANS, Enige beschouwingen over de notariele deontologie bij een nalatenschap,WPNR (2004) 6585, p. 559-565.
De minister heeft het niet zo op 'inkorting' zo blijkt uit de parlementaire ge-schiedenis:1
'De inkorting, die de begiftigde tot terugbetaling verplicht, artikel 4:90 lid 1 BW, dient [...] tot zo weinig mogelijk gevallen beperkt te blijven.'
Beperken tot 'zo weinig mogelijk gevallen' stemt een legitimaris niet erg gunstig. De minister lijkt partij te kiezen en in ieder geval niet voor de legitimaris. Het verbaast dan ook niet dat de 'moderne' legitieme portie kan vervallen of verjaren. Dat dit niet vanzelfsprekend is, blijkt wel uit het feit dat onder het oude recht de verjaring van de legitieme niet geregeld was. Wat het verval betreft, geldt in het nieuwe recht zelfs een termijn van 'uiterlijk vijfjaar na het overlijden' of na het verstrijken van een door belanghebbende gestelde redelijke termijn, aldus art. 4:85 lid 1 BW. Deze termijn is keihard en maakt deel uit van de aan het nieuwe erfrecht ten grondslag liggende filosofie van de 'hard- en fast rules'. 'Hard' omdat de soepele verlengingsmogelijkheid door de kantonrechter van art. 4:77 BW hier, op deze vijfjaarstermijn, niet van toepassing is.
Ter illustratie een voorbeelddat zich in de praktijk ongetwijfeldnog wel eens zal gaan voordoen. De legitimaris heeft het vermoeden dat door zijn vader substantieel geschonken is. Hij heeft echter geen flauw idee aan wie. Op grondvan art. 4:90 lid 3 BW zal hij toch binnen vijf jaren na het overlijden de 'verklaring van inkorting' dienen uit te brengen? Tot wie moet hij zich richten? Kennen de erfgenamen2 de 'onbekende' begiftigde? Een regeling als in art. 29 SW 1956 met betrekking tot onzekerheid rondom de verkrijger ontbreekt in het civiele recht. Misschien kan de fiscus zich nog iets van de schenking herinneren? Ik zie hier in beginsel ook geen taak voor de executeur nu de verklaring blijkens art. 4:90 lid 1 BW uitdrukkelijk aan de begiftigde dient te worden uitgebracht.
De verjaringstermijn van een ingeroepen legitieme is blijkens art. 3:306 BW twintig jaar. De vervaltermijn in beginsel vijf jaar, te rekenen vanaf overlijdensdatum. Dit onderscheid is met name van belang als erflater in zijn testament een zinspeling op de rechten van de legitimaris maakt. Zou de verwijzing hierdoor het karakter van legaat krijgen, dan is de wettelijke vervaltermijn van art. 4:85 BW niet meer van toepassing, maar wordt het legaat door de spelregels van de verjaring beheerst.3
Asser-Hartkamp4 geeft kort en krachtig aan dat er twee essentiele verschillen zijn tussen 'verjaring en verval':
'In de eerste plaats doet verjaring de rechtsvordering tenietgaan, verval de bevoegdheid zelf. Ten tweede is voor het tenietgaan der rechtsvordering bij verjaring nodig dat de schuldenaar een beroep doet op de verjaring, terwijl door het verstrijken van een vervaltermijn het recht van rechtswege tenietgaat.'
Gezien het feit dat de verjaringstermijn van de legitieme blijkens art. 3:306 BW twintig jaar is, zal hier in de praktijk niet snel aan toegekomen worden, omdat een legitimaris die ervoor zorgdraagt dat hij er binnen vijf jaar 'bij is', er in de regel ook wel voor zorg zal dragen dat hij er binnen twintig jaar 'bij is'.
Wie vijf jaar kort vindt, kan al helemaal zijn borst nat maken bij kennisneming van de in art. 4:85 lid 2 BW 'weggemoffelde' regel:
'Indien negen maanden na het overlijden van de erflater niet vaststaat in hoeverre diens echtgenoot aanspraak zal maken op de vestiging van een vruchtgebruik krachtens artikel 30, vervalt het deel van de vordering dat ten laste van de echtgenoot zou komen, tenzij de legitimaris binnen die termijn aan de echtgenoot heeft verklaarddat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen.'
Negen maanden is kort. Een schrale troost bevindt zich echter in de staart:
'Artikel 77 is op deze termijn van overeenkomstige toepassing.'
Verlenging op grondvan bijzondere omstandigheden (zelfs na het verstrijken van de termijn) is derhalve nog mogelijk.
In het Duitse recht kiest men voor een heel andere route dan de 'hard en fast'-regel zoals neergelegdin de vijfjaarstermijn van art. 4:85 BW. Zij het dat ook de Duitse auteurs in deze van mening zijn: 'Die relativ kurze Verjah-rungsfrist dient dazu, eine rasche Klarung undeine schnelle, eindgultige Abwicklung es Nachlasses herbeizufuhren.'5 Zij lijken nog een stap verder te gaan met het uitdunnen van de rechten van de legitimarissen, aangezien zij een driejaarstermijn hanteren voor een beroep op de legitieme. Schijn bedriegt echter. In de Duitse regeling wordt op aangeven van de wetgever namelijk uitgegaan van: 'kennisneming'; en wel van een 'do^pelte'kennisneming. Zowel dient kennisneming van het overlijden van erflater plaatsgevonden te hebben, als van de betreffende uiterste wilsbeschikking en/ofschenking .Hierbij wordt echter als maximumtermijn van 'verjaring' gehanteerd dertig jaar na het overlijden van erflater.6 Door de (wettelijk) vereiste 'dubbele' kennisneming is de positie van de Duitse legitimaris vele malen beter dan die van de Nederlandse. Een vijfjaarstermijn is nog wel 'strategisch uit te zitten'. Voor een termijn van dertig jaar ligt dit vanzelfsprekend anders. De Nederlandse wetgever heeft echter allesbehalve gekozen voor de dubbele kennisneming, maar voor 'hardand fast rules'. Hoewel Meijers7over de hele linie nog een legitimarisvriendelijke oplossing, met Duitse trekjes voorstond oftewel: 'De keuze, die een legitimaris volgens de vorige leden toekomt, moet door hem worden gedaan binnen drie maanden nadat hij kennis draagt van de beschikking en van het feit, dat deze inbreuk maakt op zijn wettelijk erfdeel'. En: 'Een vordering tot inkorting vervalt in ieder geval drie jaren nadat de legitimaris van een inbreuk op zijn wettelijk erfdeel heeft kennisgedragen.' (Curs. BS)
Degenen die niet voor zichzelf op kunnen komen, zoals minderjarigen,die het moeten hebben van hun wettelijk vertegenwoordiger, kunnen bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd bedrogen uitkomen.'Hard and fast' blijkt niet altijd'hard maar toch fair' te zijn. De vervaltermijn om een beroep te doen op de legitieme is wellicht verstreken. Daar komt bij dat zij niet zelden een tegenstrijdig belang zullen hebben met hun wettelijk vertegenwoordiger. De legitieme zal immers vaak ten laste komen van laatstgenoemde. Mij spreekt dan ook enorm aan de door de Duitse wetgever gekozen oplossing voor deze netelige kwestie. Het spel moet immers sportief gespeeld wor-den.8 Tijdens de minderjarigheid loopt geen 'verjaring' tussen ouders en kinderen, § 207(1)2 BGB en wat de verhouding tussen minderjarigen en derden betreft, treedt de verjaring in beginsel niet eerder in dan na het verstrijken van zes maanden na het bereiken van de meerderjarige leeftijd, § 210 BGB. Deze benadering missen wij in ons nieuwe Nederlandse erfrecht, zowel bij de legitieme als bij de andere wettelijke rechten. Door het ontbreken van een bepaling van gemelde strekking, verbaast het niet dat 'zo nu en dan' een notaris in erfrechtelijke gewetensnoodkomt. De bescherming van minderjarigen is echter niet aan de notaris(ondernemer), maar aan de wetgever, waarover in de volgende paragraaf meer.
In de praktijk zal ook vaak geen beroep gedaan worden op de legitieme uit onwetendheid. En al helemaal als de vordering nog niet opeisbaar zou zijn op grondvan het bepaalde in art. 4:82 BW. Tijdens 'het wachten' is, zacht gezegd, de kans groot dat de vijfjaarstermijn verstrijkt. De werkgroep deontolo-gie nieuw erfrecht9 merkt dan ook op dat als compensatie voor het feit dat de onterfde legitimaris niet door de notaris wordt benaderd, in de media meer aandacht dient te worden gegeven aan de positie van de legitimaris. Met de werkgroep ben ik dan ook verder van mening: 'Het ware gewenst dat de wetgever actie onderneemt om personae miserabiles die legitimaris zijn te beschermen.' De werkgroep had hierbij de casus voor ogen dat de overblijvende ouder, die het gezag heeft over het vermogen van de minderjarige legitimaris, tot enig erfgenaam is benoemd, waarbij vervolgens gesignaleerd en geconcludeerd wordt dat de kans dat in een dergelijke situatie een beroep op de legitieme wordt gedaan, nihil is. De wetgever doet er overigens wijs aan om de 'Duitse oplossing' voor minderjarigen over te nemen. Tijdens minderjarigheid dienen de termijnen met betrekking tot de legitieme portie (en de andere wettelijke rechten) van rechtswege 'gestuit' te worden.