Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/1.1.3
1.1.3 Belang van het onderzoek
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS391758:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Löwensteyn 1979, p. 82.
Nieuwe Weme, Van Olffen & Van Solinge 2011.
Wezeman 2007.
Zie bijvoorbeeld: Werker 1897; Déking Dura 1908; Moll 1913; Smits 1969; Van der Smit 1987; Wuisman 2011; Tervoort 2013. Zie voor een uitgebreider overzicht: Boschma 2014, voetnoot 53 (Meijers 1948, p. 197).
Zie hierover paragraaf 2.3 van dit hoofdstuk.
Bovendien is er, waar het vennootschapsrecht zich vroeger misschien niet zo voor rechtsvergelijking leende (zie bijv. Polak 1965, p. 5), tegenwoordig de nodige concurrentie te duchten van buitenlands (vennootschaps)recht (zie hierover nader hoofdstuk 12).
De analyse van de rechtsfiguur VOF die in dit onderzoek gemaakt wordt, is om drie redenen relevant. Ten eerste is het voor de rechtspraktijk van belang dat duidelijkheid bestaat over het rechtsregime dat de veel voorkomende VOF beheerst: wat betekent het bijvoorbeeld als een overeenkomst wordt gesloten met een VOF of als een VOF niet langer aan haar betalingsverplichtingen voldoet? De gecompliceerde en duistere1 personenvennootschapswetgeving is zonder kennisneming van handboeken en (oude) rechtspraak slecht kenbaar.2 Ten tweede zijn er rechtsgebieden (bestuursrecht, Europees recht) ontstaan en doorontwikkeld waar de personenvennootschapswetgeving (nog) geen rekening mee houdt. Later opgekomen rechtsgebieden lijken de VOF meer als entiteit te accepteren. Onder andere rijzen de vragen of de VOF als zodanig een vergunning kan aanvragen en in hoeverre zij zich grensoverschrijdend kan bewegen. In het verlengde hiervan blijkt het personenvennootschapsrecht op grensvlakken van andere deelrechtsgebieden zoals het rechtspersonenrecht lastige vragen op te roepen.3 Interdisciplinair onderzoek naar de VOF is nog niet veel verricht. Dissertaties hebben zich tot nu toe beperkt tot deelonderwerpen betreffende de VOF.4 Mijn dissertatie beoogt een integraal overzicht te geven van het rechtsregime dat van toepassing is op de VOF en haar vennoten. In het onderzoek wordt materiaal aangedragen waarmee rechtsvragen die de VOF betreffen, kunnen worden opgelost. Tot slot komt in mijn onderzoek naar voren waar de knelpunten bij de rechtsfiguur van de VOF zitten. In hoeverre kunnen de vennoten deze knelpunten zelf oplossen in het vennootschapscontract? In hoeverre en op welke wijze dient de wetgever bij de herziening van de personenvennootschapswetgeving – die hopelijk in de (nabije) toekomst zal plaatsvinden – oplossingen te bieden? In dit kader zal ik onder andere te rade gaan bij het ingetrokken Wetsvoorstel personenvennootschappen,5 het Duitse en het Belgische recht.6