Bijv. HR 22 januari 2008, LJN BC1343.
HR, 01-11-2011, nr. 09/03076
ECLI:NL:HR:2011:BT6250
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
01-11-2011
- Zaaknummer
09/03076
- Conclusie
Mr. Machielse
- LJN
BT6250
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BT6250, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 01‑11‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BT6250
ECLI:NL:PHR:2011:BT6250, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑09‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BT6250
- Vindplaatsen
Uitspraak 01‑11‑2011
Inhoudsindicatie
Ontvankelijkheid cassatieberoep. Verdachte kan niet in het cassatieberoep worden ontvangen, nu de schriftuur niet is ingediend binnen de in art. 437.2 Sv op straffe van niet-ontvankelijkheid voorgeschreven termijn van 2 maanden na de betekening van de aanzegging.
1 november 2011
Strafkamer
nr. 09/03076
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 15 juli 2009, nummer 21/002921-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte die tevens advocaat is. Deze heeft een schrifuur ingediend houdende zijn middelen van cassatie. Vervolgens heeft de verdachte bij de Hoge Raad een schriftelijke toelichting ingezonden.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
1.2. De verdachte heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Blijkens de daarvan opgemaakte akte is de aanzegging als bedoeld in art 435, eerste lid, Sv op 28 juli 2010 (in persoon) aan de verdachte betekend. De schriftuur van de verdachte is op 8 oktober 2010 bij de Hoge Raad ingekomen.
De indiening van de schriftuur heeft dus niet plaatsgevonden binnen de in art. 437, tweede lid, Sv op straffe van niet-ontvankelijkheid voorgeschreven termijn van twee maanden na de betekening van genoemde aanzegging. Dat brengt mee dat de verdachte niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 1 november 2011.
Conclusie 27‑09‑2011
Mr. Machielse
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 1 juli 2009 voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2.
Mr. G.M. Roze, advocaat te Arnhem heeft cassatie ingesteld. Verdachte, zelf advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden met middelen van cassatie. Tevens heeft verdachte de middelen nog schriftelijk toegelicht.
3.
De aanzegging op de voet van het eerste lid van artikel 435 Sv van de ontvangst van het dossier is op 28 juli 2010 in persoon aan verdachte uitgereikt. De schriftuur van verdachte is eerst op 8 oktober 2010, dus na verloop van de in artikel 437 Sv genoemde twee maanden, ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. In een brief van 15 oktober 2010 aan de rolraadsheer poogt de steller van de schriftuur het gevolg dat de wet verbindt aan deze termijnoverschrijding af te wenden op basis van een uitleg van de tekst die is opgenomen in de aan de steller van het middel gezonden ‘mededeling betekening’. In deze mededeling is te lezen:
‘De aanzegging ex artikel 435, lid 1, Sv is op 28 juli 2010 betekend.
Een op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep vereiste schriftuur, houdende middelen van cassatie, kan binnen zestig dagen na deze datum bij de Hoge Raad worden ingediend.’
In de brief van 15 oktober 2010 verdedigt de steller van de schriftuur de uitleg dat de woorden ‘na deze datum’ betrekking hebben op de datum van de mededeling van de betekening (11 augustus 2010). Daarom zou de termijnoverschrijding verschoonbaar zijn. De toelichting op de schriftuur bevat bijlagen die de steller van de schriftuur sterken in zijn opvatting.
4.
In het licht van de tekst van het tweede lid van artikel 437 Sv, waarop de inhoud van de ‘mededeling betekening’ is gebaseerd, kan ‘deze datum’ in de mededeling niet anders worden uitgelegd dan dat is bedoeld de datum van betekening van de aanzegging.
Raadpleging van de genoemde bepalingen in het Wetboek van strafvordering of van de rechtspraak van de Hoge Raad dienaangaande1. had de steller van de schriftuur, zelf advocaat, voor een verkeerde uitleg kunnen behoeden, zodat de termijnoverschrijding geenszins verschoonbaar is te achten. Nu de ontvankelijkheidsdrempel niet wordt gehaald is er ook geen basis voor ambtshalve cassatie zoals de steller van de brief van 15 oktober 2010 heeft bepleit.
5.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑09‑2011