Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/1.2:1.2 Onderzoeksvraag
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/1.2
1.2 Onderzoeksvraag
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp , datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291233:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. het Groenboek over de toekomst van de btw van 1 december 2010, nr. COM(2010) 695 definitief, p. 12: “Het recht op aftrek is fundamenteel om de neutraliteit van de belasting te garanderen voor de bedrijven.”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek beantwoord ik de vraag: hoe vindt de belastingheffing van vastgoedtransacties in de Europese btw plaats naar positief recht en hoe behoort zij plaats te vinden naar wenselijk recht? Op het onderscheid tussen het positieve en wenselijke recht zal in paragraaf 1.6 nader worden ingegaan. Om de (kern)vraag hoe de belastingheffing van vastgoedtransacties in de Europese btw naar positief plaatsvindt en naar wenselijk recht zou moeten plaatsvinden te kunnen beantwoorden, dienen twee prealabele vragen te worden beantwoord. Immers, op grond van art. 2 lid 1, onderdelen a en c Btw-richtlijn wordt aan belastingheffing (of vrijstelling) daarvan ter zake van een vastgoedtransactie pas toegekomen indien deze transactie belastbaar is. Dit is het geval indien:
degene die de vastgoedtransactie verricht een belastingplichtige is; en
de vastgoedtransactie een levering of een dienst is die – binnen het grondgebied van een lidstaat – door een als zodanige handelende belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht
De vraag of een vastgoedtransactie een belastbare levering of dienst is, is op grond van het positieve recht van belang voor de vraag welke vrijstelling of uitzondering daarop van toepassing kan zijn. De in art. 135 onderdelen j en k Btw-richtlijn opgenomen vrijstellingen (en de uitzonderingen daarop) gelden immers uitsluitend voor leveringen, terwijl de vrijstelling van art. 135, onderdeel l Btw-richtlijn (en de uitzonderingen daarop) uitsluitend geldt voor verhuurdiensten. De kwalificatie van een belastbare vastgoedtransactie als een levering of dienst vormt als het ware de afslag naar de vrijstelling(en) die van toepassing kan (kunnen) zijn.
De kernvraag van dit onderzoek kan niet worden beantwoord zonder hierbij de gevolgen te betrekken van de vrijstellingen voor vastgoedtransacties voor het recht op aftrek van voorbelasting. Op grond van art. 168 Btw-richtlijn bestaat recht op btw-aftrek voor zover de belastingplichtige de afgenomen goederen en diensten gebruikt voor zijn belaste handelingen. Het gebruik van afgenomen goederen of diensten voor een vrijgestelde vastgoedtransactie leidt daarom tot een beperking van het recht op aftrek voor de belastingplichtige die de vastgoedtransactie verricht en kan ook leiden tot een correctie van de oorspronkelijk toegepaste aftrek van de btw, de zogenoemde ‘herziening’. De roep om een neutraler Europese btw is niet los te zien van deze consequentie van de vrijstelling voor het recht op aftrek van voorbelasting.1 Voor de beantwoording van de vraag of en, zo ja, in hoeverre de vrijstellingen voor vastgoedtransacties naar positief recht (on)wenselijk zijn, dient daarom ook in kaart te worden gebracht wat de beperkingen van het recht op aftrek en de eventuele herziening van de toegepaste btw-aftrek betekenen voor de belastingplichtige die de vrijgestelde vastgoedtransacties verricht en zijn afnemer.