Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/
Verhandeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS361911:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Geen eenduidigheid blijkt onder auteurs te bestaan over het voor het bedoeld 'feitelijk' oordeel, waarbij de rechter ervan uitgaat dat de stellende partij haar stellingen behoudens tegenbewijs afdoende heeft bewezen. Verleidelijk is het te werken met de term 'feitelijk' vermoeden, maar met recht wijst Asser (2004, nr. 44) erop dat de rechter steeds de mogelijkheid heeft om het bewijs langs indirecte wijze geleverd te oordelen. Dit vermoeden wordt ter onderscheiding van het wettelijk vermoeden aangeduid als een rechterlijk of feitelijk vermoeden. De term 'feitelijk' vermoeden is daarmee niet geschikt. Visser (1997, p. 77) hanteert voor het 'feitelijk' oordeel als in de hoofdtekst bedoeld de aanduiding: 'constructie van de voorshandse aannemelijkheid'. Omwille van de leesbaarheid zal ik - in navolging van Asser, maar ik bedoel daarmee hetzelfde als Visser - spreken over het 'voorshandse bewijsoordeel' in die gevallen waarin de rechter voorshands van oordeel is dat het te bewijzen feit vaststaat, behoudens tegenbewijs door de wederpartij.
Grofweg zijn de in art. 150 Rv bedoelde afwijkingen te verdelen in: (a) de geschreven bijzondere regels (a1) en de ongeschreven bijzondere regels (a2). 'Afwijking (b)' ziet op een zuivere omkering van de bewijslast en het bewijsrisico op basis van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Zie op dit punt ook nader de hoofdtekst. Onder (a1) valt de wettelijke omkering van het bewijsrisico (zoals 7:658 lid 2 BW), het wettelijke vermoeden en de jurisprudentiële regels die geen jurisprudentiële vermoedens zijn. Zie over deze laatste categorie Asser 2004, nr. 27. Onder (a2) valt bijvoorbeeld een bewijslastverdeling die de grondslag in de afwijking vindt in de strekking van een wettelijke regeling (zie hierna in de hoofdtekst), maar ook jurisprudentiële vermoedens vallen hieronder.
Bij de zgn. weerlegbare wettelijke vermoedens is sprake van een vermoeden waartegen tegenbewijs geleverd kan worden. Het gaat hier dus om een toedeling van de bewijsvo-eringslast, zonder dat sprake is van een verschuiving van het bewijsrisico/omkering daarvan. Zie ook nader hiervoor onder 1.1.2. Zie voorts in die zin onder vermelding van vele verwijzingen Giesen 2001, p. 67, alsook Asser 2004, nr. 26 en 35.
Op bepaalde terreinen valt waar te nemen dat in de rechtspraak een bewijsregel ontwikkeld wordt, die is geformuleerd met behulp van een vermoeden. Zie hierna onder1.2.1.
Inleidend
Zoals hiervoor reeds aangegeven kan de rechter overgaan tot een andere verdeling dan de hoofdregel, inhoudende dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar feiten en rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt.
Bij het in kaart brengen van deze 'afwijkingen' dient - voor een goed begrip van de materie en de aan de opgelegde bewijs(voerings)last verbonden gevolgen - steeds per geval duidelijk te worden bedacht of een bepaalde bewijslastverdeling nu gebaseerd is op de hoofdregel of niet. Ook de hoofdregel kan immers een verschuiving van de bewijslast met zich brengen. Te denken valt daarbij aan de situatie dat de zich op de rechtsgevolgen beroepende partij naar het 'feitelijk' oordeel van de rechter haar stellingen, behoudens tegenbewijs, afdoende heeft bewezen.1 Dit 'feitelijk' oordeel, dat ik hierna omwille van de leesbaarheid zal aanduiden als het 'voors-handse bewijsoordeel', valt echter niet onder de hier te bespreken wettelijke afwijkingen van de hoofdregel, maar is een procesrechtelijk mechanisme: 'uitsluitend' verschuift hierdoor de bewijsvoeringslast omdat aan de bewijslast voldaan is. Het bewijsrisico blijft dan ook bij de oorspronkelijk daarmee belaste partij.2 Dit mechanisme dient nadrukkelijk onderscheiden te worden van de door de wet geboden handvatten voor een andere verdeling van de hoofdregel.
De wet zegt het in art. 150 Rv aldus:
'De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.'
Met de bedoelde, hier door mij gecursiveerde zinsnede is dus ruimte gegeven om af te wijken van de hoofdregel dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, de bewijslast van die feiten draagt. En wel in twee gevallen, namelijk indien de andere verdeling voortvloeit uit (a) de bijzondere regel (geschreven of ongeschreven) of (b) de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Wat het beschrijven van bedoelde afwijkingen lastig maakt, is allereerst dat een overzichtelijke structuur niet goed aan te brengen is. Vanzelfsprekend zijn de bedoelde gevallen (a) en (b) te beschrijven en met voorbeelden inzichtelijk te maken. Ik zal dat hierna ook doen. Maar tegelijkertijd is het voor die structuur niet bevorderlijk dat de toepassing van een uitzondering als weergegeven in art. 150 Rv niet steeds eenzelfde 'uitkomst' lijkt te hebben.3 Immers, de literatuur geeft steun voor de opvatting dat de toepassing van de uitzondering4 in sommige gevallen 'uitsluitend' leidt tot het opleggen van een bewijsvoeringslast, zonder dat het bewijsrisico meegaat (weerlegbare wettelijke vermoedens5, jurisprudentiële vermoedens6). In andere gevallen gaat het bewijsrisico juist wel degelijk mee (zoals bij de wettelijke omkering: risico gaat over op degene die dat zonder die wettelijke bepaling niet had, maar ook voor de omkering op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid geldt dat onder omstandigheden).
Een deel van die uitzonderingen doet zich binnen het verzekeringsrecht niet voor, eenvoudig omdat dergelijke wettelijke bepalingen of jurispru-dentiële regels ontbreken. Desondanks lijkt het mij goed naar de opbouw van dit boek hieronder het gehele palet, dus vanaf de afwijkingen als bedoeld in art. 150 Rv tot aan de afwijkingen die te duiden zijn als procesrechtelijke mechanismen, weer te geven.