Exit rights of minority shareholders in a private limited company
Einde inhoudsopgave
Exit rights of minority shareholders in a private limited company (IVOR nr. 72) 2010/9.2.4:9.2.4 De uittredingsprocedure
Exit rights of minority shareholders in a private limited company (IVOR nr. 72) 2010/9.2.4
9.2.4 De uittredingsprocedure
Documentgegevens:
mr. dr. P.P. de Vries, datum 03-05-2010
- Datum
03-05-2010
- Auteur
mr. dr. P.P. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS409639:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nederlandse uittredingsprocedure biedt een oplossing ingeval van voortdurende geschillen tussen aandeelhouders en ingeval van voortdurende inbreuken op de belangen van minderheidsaandeelhouders (§ 6.5.1). Uit de letterlijke tekst van art. 2:343 BW volgt dat een aandeelhouder slechts een recht tot uittreding heeft indien zijn belangen zodanig door de gedragingen van een medeaandeelhouder zijn geschaad dat zijn aandeelhouderschap niet langer van hem gevergd kan worden. Hieruit blijkt dat een causaal verband aanwezig dient te zijn tussen enerzijds de gedragingen van de medeaandeelhouder en anderzijds de schade aan het belang van de aandeelhouder.
Gelet op de verstrekkende consequenties van het uittredingsrecht voor de medeaandeelhouders en de vennootschap, is een bijzondere rechtvaardiging nodig voor de toekenning van het uittredingsrecht. Naar mijn mening is daarvoor het element causaliteit onvoldoende. De bijzondere rechtvaardiging kan worden gevonden in het element verwijtbaarheid. Steun voor deze opvatting is te vinden in de parlementaire geschiedenis van art. 2:343 BW (§ 6.5.4).
Deze studie toont aan dat het aantal mogelijkheden van een meerderheidsaandeelhouder om de belangen van een minderheidsaandeelhouder te schaden legio is (§ 6.5.9). Het verdient daarom aanbeveling om geen gesloten systeem van uittredingsgronden te introduceren, maar een uittredingsprocedure met een open norm te handhaven.
In § 6.5.9.2 heb ik geschetst dat er een beroep kan worden gedaan op de uittredingsprocedure als een aandeelhouder als bestuurder wordt ontslagen, mits sprake is van een persoonlijke samenwerking van de aandeelhouders in de BV als ware het een personenvennootschap. Een vergelijkbare uittredingsgrond is duidelijk te vinden in het Engelse recht (§ 3.3.9.2). Andere voorbeelden van situaties waarin de uittredingsprocedure een uitweg biedt zijn het uithollen van het vermogen van de vennootschap door het 'graven van tunneltjes', de situatie waarin de vennootschap concurrentie wordt aangedaan, het uithongeren van de minderheidsaandeelhouder, het verwateren van aandelen, niet-naleving van de statuten of de wet en onoplosbare impasses (§ 6.5.9).
De opvatting dat alleen gedragingen die in hoedanigheid van medeaandeelhouder of binnen de sfeer van de vennootschap zelf zijn verricht relevant zijn voor de invulling van de norm van de uittredingsprocedure is te beperkt. Ook gedragingen die buiten de sfeer van de vennootschap vallen kunnen leiden tot de conclusie dat de belangen van een aandeelhouder zodanig zijn aangetast dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem gevergd kan worden (§ 6.5.6). Een voorbeeld hiervan is het opzetten van een concurrerende vennootschap door een van de aandeelhouders, met als gevolg dat de belangen van alle aandeelhouders worden aangetast.
Een interessante bevinding van deze studie is dat een aantal van de hiervoor genoemde uittredingsgronden ook terug zijn te vinden in het Engelse recht (§ 3.3.9) en het Duitse recht (§ 4.3.5). Anders dan in Engeland en Nederland, wordt in Duitsland aangenomen dat een aandeelhouder ook vanwege persoonlijke omstandigheden (langdurige ziekte, emigratie of dreigende insolventie) kan uittreden. Naar mijn mening dient persoonlijke misère, hoe vervelend dit voor de persoon in kwestie ook is, voor rekening van de aandeelhouder zelf te komen. De gevolgen van persoonlijke misère dienen in beginsel niet afgewenteld te worden op medeaandeelhouders of de vennootschap (§ 6.5.4). De huidige maatstaf van art. 2:343 BW, welke een causaal verband eist tussen het gedrag van de aandeelhouder of vennootschap en de onhoudbare situatie, biedt daarnaast geen grondslag voor het toekennen van een uittredingsrecht op grond van deze persoonlijke omstandigheden (§ 6.5.4).
Ook ben ik geen voorstander van de Duitse visie dat voor een beroep op een uittredingsgrond geen rechterlijke tussenkomst vereist is. Zoals blijkt uit § 4.3.6 leidt deze Duitse benadering tot onduidelijkheid over de wijze van executie van het uittredingsrecht.