Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.6.1
8.6.1 Pringle: inhoud
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS454088:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook: Borger 2011, p. 214-215.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 46 t/m 70.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 71 t/m 75.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 68.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 183 t/m 185.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 92 t/m 182.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 130.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 131.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 135. Zie over deze interpretatiemethode van het Hof van Justitie ook: Lenaerts & Gutiérrez-Fons 2014, p. 24-25.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 136 en 142.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 138 t/m 141, 144 t/m 146.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 143.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 115 t/m 122. Deze bepaling correspondeert met het in het Verdrag van Maastricht opgenomen artikel 103A, tweede lid, EG-verdrag. Zie par. 6.8.2.2.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 118.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 65. Deze redenering overtuigt niet. Met de oprichting van het permanente ESM wordt immers nog geen financiële bijstand verstrekt aan een lidstaat, maar wordt slechts die mogelijkheid gecreëerd. Van die mogelijkheid wordt op grond van het ESM-verdrag vervolgens slechts in noodsituaties en dus in lijn met artikel 122, tweede lid, VWEU gebruik gemaakt. Zie hierover: Borger 2013, p. 128.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 120.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 121.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle), r.o. 68. Zie ook r.o. 105 en 109.
Ten eerste wilde de Ierse rechter weten of de wijziging van artikel 136 VWEU via de vereenvoudigde herzieningsprocedure van artikel 48, zesde lid, VEU heeft kunnen plaatsvinden.1 Deze lichtere wijzigingsprocedure kan volgens dat artikel alleen gebruikt worden als het gaat om ‘bepalingen van het derde deel van het VWEU over het intern beleid en optreden van de Unie’ en er mag dan geen sprake zijn van ‘uitbreiding van de door de Verdragen aan de Unie toegedeelde bevoegdheden’. Het Hof oordeelde dat de wijziging van artikel 136 VWEU zowel qua plaatsing als qua inhoud past binnen het derde deel van het VWEU.2 Voor deze conclusie ging het Hof in op het onderscheid tussen economisch en monetair beleid, dat in de in par. 8.8.1 te bespreken Gauweiler-zaak opnieuw van belang zou blijken en daar nader aan bod zal komen. Het Hof kwam verder tot de conclusie dat er geen sprake is van uitbreiding van bevoegdheden, omdat de wijziging van artikel 136 VWEU er niet toe leidt dat meer handelingen mogelijk worden dan daarvoor het geval was.3 Volgens het Hof waren de eurolanden al voor de wijziging van artikel 136, derde lid, VWEU bevoegd om onderling een overeenkomst te sluiten over de instelling van een stabiliteitsmechanisme, op grond van de artikelen 4, eerste lid, en 5, tweede lid, VEU, waarin staat dat bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, toebehoren aan de lidstaten.4 De wijziging van artikel 136, derde lid, VWEU heeft volgens het Hof dus slechts declaratoire werking.
De derde prejudiciële vraag gaat over de procedurele kant van de zaak. Het ESM-verdrag werd gesloten op 2 februari 2012. De Europese Raad stelde het besluit tot wijziging van artikel 136 VWEU vast op 25 maart 2011, maar dit besluit trad pas na ratificatie op 1 mei 2013 in werking.5 Het is daarom de vraag of de lidstaten het ESM-verdrag voor de inwerkingtreding van het besluit tot wijziging van artikel 136 VWEU hebben kunnen sluiten. Het Hof is hier kort over: dit kan.6 Het Hof stelde in dit kader nogmaals vast dat de wijziging van artikel 136 VWEU geen nieuwe bevoegdheden toekent aan de lidstaten, waardoor voor het sluiten van het ESM-verdrag niet is vereist dat het besluit tot wijziging van artikel 136 VWEU in werking is getreden.
De tweede prejudiciële vraag was tot slot gericht op de vraag of verschillende artikelen en beginselen van het Unierecht zich niet verzetten tegen het sluiten van het ESM-verdrag. In dit kader werd onder meer een beroep gedaan op de artikelen 125 en 122 VWEU. Het Hof van Justitie concludeerde, na uitgebreide overwegingen, dat geen van de ingeroepen artikelen en beginselen in de weg staat aan het ESM-verdrag.7 Hoewel het oordeel van het Hof over de tweede prejudiciële vraag vele interessante punten bevat, zal hieronder uitsluitend worden ingegaan op de argumentatie van het Hof met betrekking tot artikel 125 en artikel 122, tweede lid, VWEU, aangezien de vraag of het ESM-verdrag niet in strijd was met de no bail out-clausule van artikel 125 VWEU een van de belangrijkste juridische vragen is gebleken die voortvloeiden uit de eurocrisis.
Het Hof sloot bij de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag zoals gezegd aan bij de strikte lezing van artikel 125 VWEU. Het hanteerde daarbij in eerste instantie een grammaticale interpretatiemethode en benadrukte dat in dit artikel centraal staat dat de EU of een lidstaat niet aansprakelijk is voor verbintenissen van een andere lidstaat en deze verbintenissen niet overneemt.8 Het is niet de bedoeling van deze bepaling om de Unie en de lidstaten te verbieden om enige vorm van financiële bijstand aan een andere lidstaat te verlenen, aldus het Hof. Volgens het Hof paste deze uitleg van artikel 125 VWEU ook bij andere bepalingen uit hetzelfde hoofdstuk, waarmee het Hof tevens de systematische interpretatiemethode toepaste.9 Om vast te stellen welke vormen van steun wel verenigbaar zijn met artikel 125 VWEU, stapte het Hof over op een teleologische interpretatiemethode. Het doel van artikel 125 VWEU is dat lidstaten een gezond begrotingsbeleid in acht nemen.10 Dit dient een hoger streven, namelijk handhaving van de financiële stabiliteit van de monetaire unie. Nu financiële bijstand vanuit het ESM alleen wordt verleend als dit nodig is voor het waarborgen van de financiële stabiliteit van de eurozone, is deze vorm van steun niet verboden in artikel 125 VWEU.11 Daarnaast wees het Hof erop dat uit het ESM-verdrag blijkt dat het ESM en de lidstaten zich niet garant stellen voor de schulden van andere lidstaten.12 Bovendien moeten de voorwaarden die aan de steun worden verbonden, in overeenstemming zijn met de maatregelen die lidstaten hebben genomen op het gebied van de coördinatie van economisch beleid in het kader van de EU.13 Vanwege deze redenen verzet artikel 125 VWEU zich niet tegen het sluiten van het ESM-verdrag.
Het Hof overwoog verder dat artikel 122, tweede lid, VWEU niet in de weg staat aan het ESM-verdrag.14 Die bepaling maakt mogelijk dat de Raad in geval van moeilijkheden of ernstige dreiging daarvan door natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen die de lidstaat niet kan beheersen, op voorstel van de Commissie financiële bijstand kan verlenen. Volgens het Hof valt het verlenen van steun op grond van het ESM-verdrag niet onder deze bepaling, omdat artikel 122, tweede lid, VWEU uitsluitend financiële bijstand betreft die door de Unie wordt verleend en niet door de lidstaten.15 Bovendien heeft het Hof in het kader van de beantwoording van de eerste vraag al vastgesteld dat ‘de permanente aard van het voorziene mechanisme en het feit dat de activiteiten ervan de financiële stabiliteit van de eurozone in haar geheel beogen te waarborgen’ beletten dat het ESM op basis van artikel 122, tweede lid, VWEU wordt ingesteld.16 Die bepaling vereist immers buitengewone gebeurtenissen in een lidstaat. Het ESM-verdrag kan dus niet gebaseerd worden op deze bepaling.
Dit artikel verzet zich echter ook niet tegen een dergelijk verdrag. Uit artikel 122, tweede lid, VWEU blijkt volgens het Hof niet dat alleen de Unie bevoegd zou zijn om een aan lidstaat financiële bijstand te verlenen.17 Het staat de lidstaten daarom vrij om een stabiliteitsmechanisme in te stellen, zolang het ESM het Unierecht eerbiedigt, hetgeen volgens het Hof het geval is.18 De lidstaten hebben deze bevoegdheid zoals hierboven vermeld op grond van de algemene artikelen 4, eerste lid, en 5, tweede lid, VEU, waarin staat dat bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zij toegedeeld, toebehoren aan de lidstaten.19
Het Hof sluit dus aan bij de strikte interpretatie van artikel 125 VWEU. Financiële steun vanuit het ESM is niet in strijd met artikel 125 VWEU, want de lidstaten en de Unie worden niet aansprakelijk voor verbintenissen van andere lidstaten. De bijstand kan niet gebaseerd worden op artikel 122, tweede lid, VWEU, omdat deze bepaling gaat over hulp vanuit de EU, en niet vanuit de lidstaten, en omdat de aard van het ESM permanent is. Dit wil echter niet zeggen dat het instellen van het ESM niet mogelijk is, want het staat de lidstaten vrij om hier zelf regelingen over te treffen, aangezien het gaat om bevoegdheden die tot de lidstaten behoren.