Beheer van familievermogen door middel van certificering
Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/6.4.2:6.4.2 Bescherming van art. 3:259 BW
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/6.4.2
6.4.2 Bescherming van art. 3:259 BW
Documentgegevens:
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS957895:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:227 lid 1 BW. Zie ook Van der Grinten 1964, p. 36. Hij stelt dat de maatschappelijke behoefte aan een dergelijk recht van hypotheek waarschijnlijk niet groot is. Uniken Venema heeft het in dit kader over verbrokkeling van certificaathouders met verschillende rechten. Uniken Venema 1985-1, p. 772, voetnoot 6.
Zie voetnoot 95 van hoofdstuk 4.
Zie bijvoorbeeld Van der Grinten 1938-2, p. 296 en ten aanzien van zogenoemde ‘Grootboek certificaten’ De Leeuw B.J. 1914, p. 183.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 3:259 BW voorziet in een wettelijk pandrecht voor bepaalde groepen certificaathouders. Het ziet, uiteraard, niet op de situatie dat onroerend goed is gecertificeerd. Mocht deze bescherming bij onroerend goed wettelijk geregeld worden, dan zou er een wettelijk recht van hypotheek moeten worden geïntroduceerd.1 De vestiging van dit hypotheekrecht zou dan met de vereiste publiciteit gepaard moeten gaan.2 Het creëren van deze bescherming omvat meer uitvoeringshandelingen dan bij het wettelijk pandrecht het geval is.
Bij een gecertificeerd kunstwerk is het vestigen van een pandrecht wel mogelijk, maar die mogelijkheid is niet opgenomen in art. 3:259 BW.
Art. 3:259 BW is door Meijers geïntroduceerd om aan certificaathouders een sterker recht dan enkel een persoonlijk recht te geven. Doel van het pandrecht was dat de certificaathouders een recht op de vorderingen of aandelen kregen die aan de juridisch rechthebbende toebehoorden.3 Zodoende werden de certificaathouders beschermd tegen schuldeisers van de juridisch rechthebbende. Deze bescherming was al vaker in de literatuur verdedigd door auteurs die van mening waren dat de stak juridisch rechthebbende was van de aandelen en de certificaathouders slechts in een persoonlijke rechtsverhouding stonden tot de stak.4 Meerdere van deze auteurs gaven aan dat een versterking van het persoonlijke recht van de certificaathouder zou moeten plaatsvinden.5
In de Parlementaire Geschiedenis is het beoogde doel van art. 3:259 BW later nog meer specifiek omschreven in die zin dat de minister aangaf dat zijns inziens art. 3:259 BW niet veel zal worden toegepast. Het belang is voornamelijk erin gelegen, aldus de minister, dat het derden zal afhouden van verhaal op het gecertificeerde vermogen.6 De minister heeft gelijk gehad in zijn vermoeden. Er is geen rechtspraak bekend over art. 3:259 BW, wat doet vermoeden dat er niet vaak van het artikel gebruik wordt gemaakt. Een mogelijke reden daarvoor is dat bij certificering van aandelen en schuldvorderingen gebruik wordt gemaakt van een rechtspersoon als juridisch rechthebbende die geen ander vermogen heeft dan de aandelen of schuldvorderingen. Zoals hierboven aangegeven is het ook niet noodzakelijk voor deze stak om meer vermogen te hebben, omdat er geen extra vermogen nodig is voor het behoud van de aandelen of schuldvorderingen. Dit ligt zoals gezegd anders bij kunst. De kans dat de stak meer schuldeisers heeft op het moment dat er kunst is gecertificeerd is aannemelijk. Er moeten immers meer activiteiten in de stak worden ontplooid om in het behoud van de kunst te voorzien. De bescherming die met art. 3:259 BW is bedoeld is om die reden meer relevant bij kunst dan bij schuldvorderingen of aandelen. Een grotere bescherming voor kunst tegen schuldeisers van de stak kan worden bereikt door de kunst onder te brengen in een aparte stichting die een bewaarfunctie vervult.