Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/5.3.2.1
5.3.2.1 Het enkelvoudige en verruimde eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90968:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Dit geldt eveneens voor de koop op afbetaling (Abzahlungskauf).
RG, 9 juli 1909, DasRecht 1909, nr. 2376; Serick 1982, p. 16.
Serick 1982, p. 17-18.
Larenz 1986, p. 126-127. Zie ook Tiedtke 2000, p. 829-848; Verheul 2018, p. 75-77.
Serick 1982, p. 142-144.
RG 15 maart 1935, RGZ 147, 321. Serick 1982, p. 139-142, 144-148, 190. Zie ook Verheul 2018, p. 206-208.
Staudinger/Beckmann 2013, § 449 BGB, nr. 150; MünchKomm/Ganter 2013, § 47 InsO, nr. 90; Uhlenbruck/Brinkmann 2015, § 47 InsO, nr. 35; MünchKomm/Westermann 2016, § 449 BGB, nr. 76. In uitzonderingsgevallen kan het eigendomsvoorbehoud blijven bestaan, indien er op een bepaald moment geen vordering meer openstaat, maar de zakelijke relatie nog niet beëindigd is. Dit is afhankelijk van de formulering van het eigendomsvoorbehoud. Zie Verstijlen & Knot 2015, p. 75; Staudinger/Beckmann 2013, § 449 BGB, nr. 150.
HR 4 december 1998, NJ 1999/549 (Potharst/Serrée).
Bülow 2012, nr. 1519.
Verheul 2018, p. 208-210.
De wet bepaalt in § 449 lid 1 BGB dat de leverancier zich de eigendom van de zaak kan voorbehouden totdat de koopprijs van de zaak is betaald.1 Negen jaar na de inwerkingtreding van het huidige BGB oordeelde het Reichsgericht in 1909 dat een eigendomsvoorbehoud dat mede strekt tot zekerheid van andere vorderingen op de koper (een erweiterter Eigentumsvorbehalt) ook geldig is. Het Reichsgericht knoopt aan bij de rechtsgeldigheid van de fiduciaire eigendomsoverdracht die ook kan strekken tot zekerheid van meerdere vorderingen. Daarnaast overweegt het Reichsgericht dat er geen wettelijke bepaling bestaat die het eigendomsvoorbehoud beperkt tot de koopprijsvordering.2 Het BGH heeft het verruimde eigendomsvoorbehoud ook van meet af aan als vanzelfsprekend geldig geacht, zonder daar argumenten voor aan te voeren.3
De leverancier kan dus een eigendomsvoorbehoud bedingen voor elk type vordering op zijn koper. Het Duitse recht kent geen beperkingen zoals art. 3:92 lid 2 BW in het Nederlandse recht.4 Naast de koopprijsvordering van de geleverde zaak, kan het eigendomsvoorbehoud strekken tot zekerheid van koopprijsvorderingen van andere geleverde of nog te leveren zaken, maar bijvoorbeeld ook voor vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad.
Er zijn twee veelvoorkomende vormen van het erweiterter Eigentumsvorbehalt. Ten eerste kan de leverancier bedingen dat hij eigenaar blijft van de geleverde zaken totdat alle huidige en toekomstige vorderingen die voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen de verkoper en de koper zijn voldaan.5 Bij dit Kontokorrentvorbehalt, ook Geschäftsverbindungsklausel genoemd, gaat dus niet alleen om de koopprijsvordering(en), maar om alle vorderingen die de leverancier op grond van de rechtsverhouding met de koper heeft of zal verkrijgen. Door een minderheid in de literatuur wordt het Kontokorrentvorbehalt ongeldig geacht, omdat ‘der innere Zusammenhang zwischen Sicherungsmittel und zu sichernder Forderung gelöst ist’.6 Dit argument sluit aan bij het nauwe verband-vereiste dat ten grondslag ligt aan de beperking van het eigendomsvoorbehoud door art. 3:92 lid 2 BW.
De meerderheid van de literatuur en de rechtspraak gaan echter uit van de geldigheid van een Kontokorrentvorbehalt, zij het met een drietal beperkingen. Ten eerste dient de vraag voor welke vorderingen het uitgebreide eigendomsvoorbehoud is bedongen, restrictief te worden beantwoord.7 Ten tweede mag de leverancier geen eigendomsvoorbehoud bedingen dat tot gevolg heeft dat de voorbehouden eigendom nooit overgaat. Een dergelijke afspraak is ontoelaatbaar, omdat zij zich niet verdraagt met de door koop ontstane verplichting voor leverancier om eigendom te verschaffen volgens het BGH. De verplichting wordt namelijk nooit vervuld, waardoor de eigendom nooit overgaat op de koper.8 Ook lijkt het feit dat de economische bewegingsvrijheid van de koper zeer wordt beperkt door dit verlengde eigendomsvoorbehoud een belangrijke rol te spelen.9
Op grond van deze argumenten heeft het Reichsgericht de Konto- of Saldoausgleich geïntroduceerd.10Dit vormt de derde beperking. Een erweiterter Eigentumsvorbehalt op de geleverde zaken vervalt zodra de koper op een bepaald moment alle vorderingen heeft voldaan, ongeacht of in de toekomst nog nieuwe vorderingen kunnen ontstaan.11 Dit is een beperktere opvatting dan in het Nederlandse recht wordt aangenomen bij het kredieteigendomsvoorbehoud. Op grond van het arrest Potharst/Serrée wordt aangenomen dat het eigendomsvoorbehoud in stand kan blijven indien er in de toekomst nog vorderingen te verwachten zijn.12
Een tweede vorm van een verruiming van het eigendomsvoorbehoud is het Konzernvorbehalt. Dit is een afspraak tussen partijen dat het eigendomsvoorbehoud vorderingen van de leverancier op de koper secureert én vorderingen van andere schuldeisers die deel uitmaken van hetzelfde concern als de leverancier op de koper. Deze verruiming is echter niet geldig (meer). Dit volgt uit § 449 lid 3 BGB.13 Deze bepaling verbiedt een eigendomsvoorbehoud dat tot zekerheid strekt van vorderingen van derden op de koper. De ratio van de beperking van § 449 lid 3 BGB is dat voorkomen moet worden dat de boedel van de koper tijdens zijn faillissement te veel met zekerheidsrechten is belast. Daarnaast zou dit eigendomsvoorbehoud tot gevolg hebben dat de economische bewegingsvrijheid van de koper zeer sterk beperkt werd en het onderpand in de praktijk voor een zeer lange tijd voor de andere schuldeisers van de koper afgezonderd wordt gehouden.14
Een variant op het Konzernvorbehalt is het umgekehrter Konzernvorbehalt. Dit eigendomsvoorbehoud strekt tot zekerheid van betaling van vorderingen van de leverancier op de koper en op met de koper verbonden partijen. De geldigheid van deze afspraak is omstreden in de literatuur. Enerzijds verbiedt § 449 lid 3 BGB deze vorm niet expliciet. Dit vormt een argument voor sommigen in de literatuur om te pleiten voor de geldigheid van dit eigendomsvoorbehoud. Zij menen dat de wetgever slechts heeft gekozen om het Konzernvorbehalt te verbieden in § 449 lid 3 BGB. De wettekst spreekt namelijk niet over de spiegelbeeldige variant. Volgens Bülow staat de ratio van het verbod in § 449 lid 3 BGB ook niet aan dit umgekehrter Konzernvorbehalt in de weg. Volgens hem leidt dit umgekehrter Konzernvorbehalt namelijk niet tot een extra bezwaring van de boedel van de failliete koper. Hij meent voorts dat het leidt tot een versterking van de boedel als de leverancier failleert, omdat de curatore de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken kan revindiceren als de vorderingen op de koper of en daarmee verbonden ondernemingen onbetaald zijn gebleven.15
Andere auteurs stellen daarentegen dat de geldigheid van dit eigendomsvoorbehoud erg twijfelachtig is, omdat het Konzernvorbehalten umgekehrter Konzernvorbehalt veel overeenkomsten vertonen. Beiden leiden tot een beperking van de economische bewegingsvrijheid voor de koper. Bij een umgekehrter Konzernvorbehalt kan de koper zelfs in beginsel de vervulling van de verplichtingen van derden jegens de leverancier niet beïnvloeden, waardoor de beperking van de bewegingsvrijheid nog groter kan zijn dan bij het Konzernvorbehalt. Daarnaast valt de zaak buiten de boedel bij een faillissement van de koper en kunnen ongesecureerde schuldeisers van de koper er geen verhaal op nemen, zolang een derde zijn vordering jegens de koper niet voldoet.16
De vraag kan rijzen of het mogelijk is om door middel van een imputatiebeding het eigendomsvoorbehoud feitelijk toch tot zekerheid van deze vorderingen te laten strekken. De leverancier rekent dan de betalingen door de koper eerst toe aan de vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud niet tot zekerheid kan strekken, voordat andere vorderingen worden betaald. Dit imputatiebeding wordt nietig geacht.17 Deze partijafspraak leidt namelijk tot een feitelijke omzeiling van het verbod op het (umgekehrter) Konzernvorbehalt in § 449 lid 3 BGB. Partijen proberen contractueel een resultaat te bereiken dat door de wetgever is verboden.
Buiten deze niet toegestane partijafspraak, lijkt het imputatiebeding geen toegevoegde waarde te hebben voor de leverancier. Hij kan immers het eigendomsvoorbehoud bedingen voor alle type vorderingen die de leverancier heeft op zijn koper.