Hof Arnhem-Leeuwarden, 19-06-2014, nr. 200.134.042
ECLI:NL:GHARL:2014:4938
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
19-06-2014
- Zaaknummer
200.134.042
- Vakgebied(en)
Verkeersrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2014:4938, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 19‑06‑2014
Uitspraak 19‑06‑2014
Inhoudsindicatie
Parkeren buiten parkeervak binnen parkeerzone RVV 1990
Partij(en)
WAHV 200.134.042
19 juni 2014
CJIB 159193361
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 25 juni 2013
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te Amsterdam,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [naam gemachtigde] ,
kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft, voor zover hier van belang, het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 85,- opgelegd ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod / parkeerverbodszone (bord E1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 januari 2012 om 9.47 uur op de Overhoeksparklaan te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene kan zich niet verenigen met de beslissing van de kantonrechter tot ongegrondverklaring van het beroep tegen deze beschikking. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat de auto van de betrokkene ten tijde van de overtreding niet geheel in een parkeervak stond geparkeerd op de Overhoeksparklaan te Amsterdam. Ter plaatse is een parkeerverbodszone kenbaar gemaakt, door middel van verkeersbord E1, waarbij is aangegeven dat het om een zone gaat. Een verplichting om de auto in een parkeervak te parkeren is er dan niet. De kantonrechter heeft overwogen dat op een locatie waar een parkeerverbod(zone) van kracht is, slechts in de vakken mag worden geparkeerd, maar deze verplichting bestaat niet, zodat de opgelegde sanctie in strijd is met het legaliteitsbeginsel. Voorts voert de gemachtigde aan dat ter plaatse geen parkeervakken als zodanig zijn aangegeven, slechts bestrating in een lichte steensoort in de vorm van een rechthoek. Onduidelijk is dat deze figuren gelden als parkeervak. Nu het parkeervak niet duidelijk is aangegeven in de bestrating valt de betrokkene geen strafrechtelijk verwijt te maken. Op 10 april 2012 heeft de betrokkene een zelfde bekeuring gekregen voor dezelfde overtreding, welke bekeuring in september 2013 door de officier van justitie is vernietigd. Handhaving van de bestreden beschikking is daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Subsidiair wordt verzocht om matiging van het sanctiebedrag.
3. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:
“overtreden artikel: 62 jo bord E1 RVV 1990. (…)
Opmerkingen ambtenaar 1: parkeerverbod.
De waarnemingstijd in minuten: 05”
4. Namens de betrokkene wordt uitgebreid verweer gevoerd over de verplichting in een parkeervak te parkeren en over de onduidelijkheid van de parkeervakken. Echter, zoals ook de gemachtigde stelt, bevat het RVV 1990 geen bepaling die voorschrijft dat in een parkeerverbodszone, welke is aangeduid met bord E1 uit het RVV 1990, in de parkeervakken moet worden geparkeerd. Indien voor een bepaalde zone verkeersbord E1 is geplaatst, zonder onderbord dat aangeeft dat dit verbod niet geldt voor parkeervakken, mag in de gehele zone niet geparkeerd worden. Derhalve is voor vaststelling van de vraag of de gedraging is verricht niet relevant of de betrokkene in een parkeervak stond geparkeerd.
5. Gelet op de stukken in het dossier, waaronder de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht van het CJIB, en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet bestrijdt te hebben geparkeerd binnen de parkeerverbodszone, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
6. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Ook als ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van gelijke situaties, leidt dit niet tot het door de gemachtigde beoogde resultaat nu een beroep op het gelijkheidsbeginsel er niet toe kan leiden dat het bestuursorgaan verplicht is om bij een onjuiste beslissing te blijven.
7. Het verzoek om matiging van het sanctiebedrag is niet onderbouwd, zodat hierin geen aanleiding kan worden gevonden om te bepalen dat de sanctie op een lager bedrag moet worden gesteld.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard, zij het dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat op een locatie waar een parkeerverbod(zone) van kracht is, slechts in de vakken mag worden geparkeerd. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter, voor zover aan het hoger beroep onderworpen, dan ook met verbetering van gronden bevestigen.
9. Gegeven deze beslissing zal het hof de advocaat-generaal veroordelen tot vergoeding van proceskosten van de betrokkene, gemaakt in hoger beroep. Ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. De volgende proceshandeling is verricht: indienen van het hoger beroepschrift (1 punt). De waarde per punt bedraagt € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak is licht) toe. Dit leidt tot de volgende berekening: 0,5 x € 487,- = € 243,50.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt, met verbetering van gronden, de beslissing van de kantonrechter;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 243,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.