De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.1:1 Inleiding
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.1
1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948201:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 1 en 6.1 van hoofdstuk 5.
Zie hoofdstuk 2 en 3.
Zie hoofdstuk 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
428. In dit hoofdstuk staan de gemeenschappelijke verkrijgingen met een element van erfrecht of gift centraal. Daarbij passeren verschillende situaties de revue. In al die situaties is telkens de (hoofd)vraag wat de gevolgen zijn voor de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen waarin de echtgenoten zijn gehuwd. Daarbij zal in paragraaf 2 allereerst worden ingegaan op die gevallen waarin een echtgenoot een aandeel in één of meer gemeenschappelijke goederen heeft verkregen, waarna dat aandeel van die echtgenoot wordt uitgebreid. Die uitbreiding kan er in zijn gelegen dat het door de echtgenoot verkregen aandeel door overdracht van (een gedeelte van) een aandeel wordt vergroot (eerder reeds aangeduid met de term ‘opvolgende deelverkrijging’),1 of dat de gemeenschap eindigt zónder dat van een verdeling sprake is. Van die laatste situatie is bijvoorbeeld sprake wanneer een echtgenoot samen met een ander een goed heeft verkregen, en hij vervolgens het aandeel van die ander krachtens erfrecht verkrijgt. In dat geval eindigt de gemeenschap zonder dat een handeling in de zin van artikel 3:182 BW is verricht.2 In paragraaf 3 komt vervolgens de situatie aan de orde dat de echtgenoten zélf, gelijktijdig dan wel opvolgend in tijd, gemeenschappelijk een goed verkrijgen met een element van erfrecht of gift. Daarna komt in paragraaf 4 de verdeling van een gemeenschap aan de orde die krachtens een erfrechtelijke titel of met een element van gift is ontstaan. Valt hetgeen krachtens verdeling van die gemeenschap wordt verkregen in of buiten de huwelijksgemeenschap waarin de deelgenoten zijn gehuwd, en wat is daarvoor de rechtsgrond? In paragraaf 5 wordt afgesloten met een conclusie.
429. Ter inleiding op dit hoofdstuk is voorts nog van belang om op te merken dat in dit hoofdstuk veel van de bevindingen uit het eerste deel van dit onderzoek terugkomen. In het eerste deel is een alternatieve visie op de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap gegeven. In die alternatieve visie is een aandeel in een gemeenschappelijk goed geen vermogensrecht sui generis dat als afzonderlijk goed tot het vermogen van ieder van de deelgenoten behoort, maar de aanduiding van het absolute/exclusieve effect van de verkrijging van iedere gemeenschappelijke zaak of ieder gemeenschappelijk vermogensrecht per afzonderlijke deelgenoot. Daarbij heeft iedere deelgenoot dat goed als zodanig ’verkregen, en behoort dat goed als geheel tot ieders vermogen.3 In dit hoofdstuk zal de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen worden onderzocht vanuit zowel de alternatieve visie als vanuit het geldend recht. In het eerste hoofdstuk van dit tweede deel is verder uitgebreid ingegaan op de aard en het karakter van de verdeling.4 Daarbij is geconcludeerd dat de verdeling een translatieve werking heeft. Dat wil zeggen dat de verdeling als een verkrijging uit handen van de gemeenschappelijke deelgenoten kwalificeert, krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’. Daarbij is echter ook duidelijk geworden dat er door velen een declaratieve werking aan de verdeling wordt toegekend. Dat wil zeggen dat de verdeling voor wat betreft de titel van de verkrijging per saldo als een verkrijging uit handen van de gemeenschappelijke rechtsvoorganger van de deelgenoten kwalificeert. Bij een gemeenschap die krachtens erfrechtelijke titel of schenking is ontstaan, betekent dit dat de verdeling tot een verkrijging ‘krachtens erfrecht’ of ‘krachtens schenking’ leidt, dus als ware het een rechtstreekse verkrijging uit handen van de erflater of gever zélf. Omdat beide visies naast elkaar bestaan, zal in dit hoofdstuk telkens het effect van beide visies op de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen worden uitgewerkt.