De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board
Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.8:V.8 Synthese
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.8
V.8 Synthese
Documentgegevens:
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242933:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De taakverdeling tussen de uitvoerende bestuurders enerzijds en de niet-uitvoerende bestuurders anderzijds vormt de kern van het monistische bestuursmodel. Door de taakverdeling ontstaan twee soorten bestuurders: uitvoerende bestuurders die de dagelijkse gang van zaken voor hun rekening nemen en niet-uitvoerende bestuurders die zich voornamelijk focussen op het houden van toezicht. De taken kunnen niet alleen op het niveau van het bestuur, maar ook op het niveau van de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders worden verdeeld. Het verdelen van taken op het niveau van de niet-uitvoerende bestuurders vertaalt zich doorgaans in de vorming van commissies.
Het verdelen van taken is niet verplicht. Voor een goed functioneren van het monistische bestuursmodel is het evenwel noodzakelijk dat de taken worden verdeeld. Alleen dan kan van adequaat en onafhankelijk toezicht worden gesproken. Het verdelen van taken komt bovendien de efficiëntie en effectiviteit van het bestuur ten goede. De taakverdeling is tot slot relevant in eventuele aansprakelijkheidsprocedures.
De wet biedt veel vrijheid om tot een taakverdeling te komen. Het uitgangspunt is dat de taakverdeling conform art. 2:9 lid 1 BW ‘bij of krachtens de wet of de statuten’ geschiedt. Dit betekent dat de taakverdeling – voor zover niet al uit de wet kenbaar – in de statuten kan worden opgenomen. De uitwerking van de taakverdeling kan eveneens bij reglement of bestuursbesluit geschieden. Een statutaire basis voor de uitwerking van de taakverdeling is niet noodzakelijk. De taken kunnen ook informeel worden verdeeld. In ieder geval verdient het aanbeveling de taakverdeling adequaat op schrift te stellen. Dit bevordert niet alleen de kenbaarheid van de taakverdeling, maar komt bovendien de bewijspositie van de bestuurders in eventuele aansprakelijkheidsprocedures ten goede.
Ook materieel kent de taakverdeling geen standaard. Boek 2 BW bevat slechts enkele beperkingen in de mogelijkheid tot taakverdeling. De belangrijkste beperking betreft art. 2:129a/239a lid 1 BW. Op grond van deze bepaling kan de taak om toezicht te houden op de taakuitoefening door de bestuurders niet worden ontnomen aan de niet-uitvoerende bestuurders. Verder kan het voorzitterschap van het bestuur, het doen van voordrachten voor de benoeming van een bestuurder en het vaststellen van de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders niet aan een uitvoerend bestuurder worden toebedeeld. Tot slot begrenst art. 2:9 BW de vrijheid om tot een taakverdeling te komen. Op grond van deze bepaling kan ‘de algemene gang van zaken’ niet aan het takenpakket van een bestuurder worden onttrokken.
Bij deze beperkingen zijn de nodige kanttekeningen te plaatsen. Zo gaat de bepaling dat de toezichthoudende taak niet aan de niet-uitvoerende bestuurders kan worden ontnomen mijns inziens niet ver genoeg. Om van effectief en onafhankelijk toezicht te kunnen spreken, is het van belang dat de toezichthoudende taak exclusief bij de niet-uitvoerende bestuurders ligt. Ik stel daarom voor in art. 2:129a/239a lid 1 BW te bepalen dat de niet-uitvoerende bestuurders belast zijn met het houden van toezicht op de uitvoerende bestuurders. Voorts ben ik van mening dat het voorschrift dat het voorzitterschap van het bestuur niet kan worden toebedeeld aan een uitvoerend bestuurder moet worden genuanceerd. Gelet op de in de praktijk bestaande behoefte aan een uitvoerende voorzitter, raad ik de wetgever aan de beperking van een statutaire afwijkingsmogelijkheid te voorzien. Tot slot acht ik de bepaling dat een uitvoerend bestuurder geen voordrachten voor de benoeming van een bestuurder mag doen ongelukkig. Deze beperking is te ruim geformuleerd. De beperking zou naar mijn mening enkel op het opmaken van een voordracht voor de benoeming van een niet-uitvoerend bestuurder moeten zien.
De taakverdeling laat het uitgangspunt van collegiaal bestuur onverlet. Ondanks de taakverdeling, blijft de verantwoordelijkheid voor de vervulling van de verdeelde bestuurstaken bij de gezamenlijke bestuurders liggen. De taakverdeling tast het uitgangspunt van collectieve besluitvorming evenmin aan. Op het uitgangspunt van collectieve besluitvorming bestaan niettemin enkele uitzonderingen.
De eerste uitzondering betreft art. 2:129a/239a lid 3 BW. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid bij of krachtens de statuten te bepalen dat een of meer uitvoerende of niet-uitvoerende bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot zijn respectievelijk hun taak behoren. Art. 2:129a/239a lid 3 BW bevat naar geldend recht geen beperkingen in besluiten die voor mandatering vatbaar zijn. Aangezien ik het wenselijk acht dat belangrijke bestuursbesluiten door het bestuur als collectief worden genomen, zou het derde lid van art. 2:129a/239a BW mijns inziens expliciet moeten bepalen dat besluiten van het bestuur omtrent aangelegenheden die de algemene gang van zaken betreffen, zich niet voor mandatering aan een of meer bestuurders lenen. Zolang dat niet met zoveel woorden in art. 2:129a/239a lid 3 BW staat, doet de vennootschap er verstandig aan een lijst op te stellen met bestuursbesluiten die door het bestuur als collectief moeten worden genomen.
De tweede uitzondering betreft de tegenstrijdig belangregeling. Op grond van art. 2:129/239 lid 6 BW neemt een bestuurder niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat strijdig is met het belang van de vennootschap. Art. 2:129a/239a lid 2 BW bevat een concrete uitwerking van de tegenstrijdig belangregeling voor vennootschappen met een one tier board. Op grond van deze bepaling mogen de uitvoerende bestuurders niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming omtrent de vaststelling van de bezoldiging van een uitvoerend bestuurder. Dit voorschrift kan wat mij betreft vervallen. Bij het vaststellen van de bezoldiging kan namelijk worden teruggevallen op de algemene tegenstrijdig belangregeling van art. 2:129/239 lid 6 BW. Het tweede lid van art. 2:129a/239a BW bepaalt voorts dat de uitvoerende bestuurders niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over de verlening van de opdracht tot onderzoek van de jaarrekening aan een externe accountant indien de algemene vergadering niet tot opdrachtverlening is overgegaan.
Voorts bevat de structuurregeling een aantal uitzonderingen op het uitgangspunt van collectieve besluitvorming. Bij structuurvennootschappen rusten de taken en bevoegdheden van de raad van commissarissen op de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders. Op welke wijze de besluitvorming door de niet-uitvoerende bestuurders behoort te geschieden, laat Boek 2 BW in het midden. Ik raad de wetgever aan in de betreffende wetsartikelen aansluiting te zoeken bij art. 2:129a/239a lid 2 BW.
Tot slot hoeven beslissingen niet door het bestuur als geheel te worden genomen.
De wetgever heeft goed gezien dat het uitgangspunt van collectieve besluitvorming voor vennootschappen met een one tier board onnodig kan knellen. Bovendien kan aan de ratio achter de structuurregeling moeilijk recht worden gedaan als de besluitvorming steeds door de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders tezamen dient te geschieden. Het tweede lid van 2:129a/239a BW biedt een uitweg voor gevallen waarin het onwenselijk is dat de uitvoerende bestuurders deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming van het bestuur. In deze bepaling komt goed naar voren dat besluitvorming in een one tier board in de regel door het bestuur als college geschiedt. In de structuurregeling wordt daar mijns inziens onvoldoende rekening mee gehouden. Ik vind het dan ook jammer dat art. 2:129a/239a lid 2 BW enkel ziet op de beraadslaging en besluitvorming omtrent de verlening van de opdracht tot onderzoek van de jaarrekening aan een externe accountant. Voor andere gevallen waarin het onwenselijk is dat de uitvoerende bestuurders deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming, heeft art. 2:129a/239a lid 2 BW geen oog. Hoewel de uitvoerende bestuurders in die gevallen ook kunnen worden uitgesloten van de beraadslaging en besluitvorming, had een uniforme regeling mijns inziens niet misstaan.