Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.G.4. Defiscalisatie in de inkomstenbelasting, art. 5.4
VII.G.4. Defiscalisatie in de inkomstenbelasting, art. 5.4 Wet IB 2001
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS404952:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie als aanloop naar het systeem van'defiscalisatie'de artikelen 3.16 lid 10, 3.95, 3.120 lid 10, 4.15 lid2 (stap 1: geen rente-aftrek). Art. 2.14 lid3 Wet IB 2001 (stap 2: geen rente-aftrek betekent verwijzing naar box 3). Art. 5.4. Wet IB 2001 maak het erfrechtelijk verhaal compleet met een vrijstelling voor de rendementsgrondslag in box 3 voor zowel de vorderingen wegens overbedeling van de kinderen als de daarmee samenhangende schulden van de langstlevende echtgenoot. Zie bijvoorbeeld L.E.WELKERS, Beleidsvoornemens naar aanleiding van de evaluatie van de Wet IB 2001, FBN 2006 nr. 24, p. 9 die opmerkt: 'De regeling van de defiscalisering is in de literatuur al menigmaal aan de orde gesteld, omdat zij vanwege haar redactie en door de wetgever daaraan gegeven invulling slechts beperkt kan worden toegepast.'
Er wordt uitdrukkelijk gesproken over echtgenoot. De langstlevende samenwoner valt hier niet onder, terwijl ook daar de mogelijkheid bestaat om alle goederen van de nalatenschap aan hem/haar toe te delen waartegenover een schuld ontstaat aan de kinderen. Defiscalisa-tie hoeft overigens niet altijdgunstig te zijn.
V-N BP 21/18.4, p. 4088 e.v.
Een van de fiscale faciliteiten voor de wettelijke verdeling vinden we in art. 5.4 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001.
Het hele erfrechtelijke pakket aan vorderingen wegens onderbedeling en schulden wegens overbedeling die bestaan tussen langstlevende echtgenoot en kinderen, worden in geval van een wettelijke verdeling of een ouderlijke boedelverdeling geweerd uit de boxen 1 en 2 en in beginsel getransporteerd naar box 3.1 In box 3 deelt de wetgever mee dat het hele erfrechtelijke pakket wordt genegeerd, in die zin dat de langstlevende de schulden wegens over-bedeling niet in mindering mag brengen op de rendementsgrondslag, zij het dat daar tegenover staat dat de kinderen hun vorderingen wegens onderbedeling niet hoeven aan te geven in de rendementsgrondslag van box 3. Eenvoudtroef,medeingegevendoordegedachtedatinvoeringvanhetmaat-schappelijk gewenste erfrecht niet tot fiscale obstakels moest leiden.
De vraag komt op of deze defiscalisatie alleen geldt voor de wettelijke verdeling en de ouderlijke boedelverdeling, of ook voor de 'quasi-wettelijke verdeling'.
Art. 5.4 lid1 letter a Wet IB 2001 is soepel en stelt niet de eis van een uiterste wilsbeschikking. De cumulatieve criteria voor defiscalisatie zijn:
alle goederen naar de langstlevende echtgenoot;2 -evenals alle schulden; en
dat krachtens verdeling van een nalatenschap.
Zelfs een zuivere contractuele verdeling, een verdeling zonder dat er een uiterste wilsbeschikking aan ten grondslag ligt, kan defiscaliseren. Deze soepelheid is ontstaan door het feit dat er een periode bestaan heeft dat het boxenstelsel er wel al was (2001) en het 'maatschappelijk gewenste' nieuwe erfrecht nog op zich liet wachten (tot 2003). Het moest mogelijk zijn om zelf (al) een contractuele verdeling te maken volgens het model van de wettelijke verdeling. Het oude erfrecht kende immers de onverdeeldheid als hoofdregel. Art. 5.4 Wet IB 2001 werd in die geest gewijzigd. Toen het 2003 werd, is deze soepel-heidnooit meer aangepast of in een overgangsrechtelijk jasje gegoten. Blijkens de toelichting3op het 'nieuwe'art. 5.4 Wet IB 2001 blijven de voorbeelden genoemd bij de voorloper van dit artikel van belang. Alles wat met een zuivere contractuele verdeling wordt gefacilieerd, wordt ook gefacilieerd als het in een uiterste wilsbeschikking als 'quasi-wettelijke verdeling' neergelegd wordt.
Voor de defiscalisatie van bloot-eigendomswilsrechten is art. 5.4 lid 4 Wet IB 2001 van belang. Ook hier zien wij terugkomen dat de mogelijkheid bestaat om 'inhoudelijk overeenkomende' wilsrechten onder het stramien van defisca-lisatie te laten vallen. Dit is blijkbaar niet alleen weggelegdvoor de 'echte' wilsrechten die aan een wettelijke verdeling gekoppeld zijn. Door het criterium van inhoudelijk overeenkomen, komt ook voor deze faciliteit in beginsel een'quasi-wettelijke verdeling' met 'nagebootste' wilsrechten in beeld.
Resumerend: de vraag hoe de 'quasi-wettelijke verdeling' op het terrein van de inkomstenbelasting ontvangen wordt, kan in beginsel beantwoord worden met de mededeling: 'Niet anders dan de wettelijke verdeling'. Art. 5.4 Wet IB 2001 is mijns inziens hiervoor ruim genoeg geformuleerd.
Thans stappen wij over naar de Successiewet 1956 om te bezien welke faciliteiten er zijn opgenomen voor de wettelijke verdeling die ook voor de 'quasi-wettelijke verdeling' van belang zouden kunnen zijn.