De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.6:6 Conclusie
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.6
6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS388891:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stelde ik de vraag of de beperkingen die de ondernemingsraad van een Nederlandse of buitenlandse internationale groep ondervindt in zijn mogelijkheden tot beïnvloeding van de strategie worden ondervangen door het functioneren van de Europese ondernemingsraad. Ik beantwoord deze vraag ontkennend. De belangrijkste reden hiervoor is dat de richtlijn niet voorziet in effectieve sancties wanneer het advies van de raad niet wordt gevolgd, althans wanneer de procedure leidend tot dat advies niet naar behoren is doorlopen. De mogelijkheid om rechterlijke toetsing van het besluit van het hoofdbestuur af te dwingen – zoals het Nederlandse recht kent uit artikel 26 WOR – ontbreekt. In het systeem van de richtlijn behoeft het hoofdbestuur dit advies van de Europese ondernemingsraad zelfs niet af te wachten. Evenmin bestaat de verplichting het besluit zodanig te motiveren dat dit de toets der kritiek kan doorstaan. Hoe dit in de praktijk uitwerkt, hangt mede af van de tekst van de Europese ondernemingsovereenkomst die op de relatie van toepassing is, maar het komt zelden voor dat deze overeenkomsten aan de Europese ondernemingsraad sterkere rechten toekennen dan in (de subsidiaire voorschriften van) de richtlijn is voorzien. Dat betekent dat de raad zich te richten heeft op het optimaliseren van de rechten die hij heeft: de rechten op informatie en consultatie.
Op dat laatste vlak heeft zich in de afgelopen periode een ontwikkeling voorgedaan waaruit blijkt dat de Europese ondernemingsraad een sterkere speler in het internationale krachtenveld is geworden. Vooral uit jurisprudentie van buitenlandse rechters blijkt dat hij middelen heeft om een deugdelijk informatie- en raadplegingstraject af te dwingen. Die mogelijkheden zijn vooral zichtbaar in gevallen waarin het hoofdbestuur consultatie van een Europese ondernemingsraad in het geheel achterwege heeft gelaten, de informatievoorziening onvoldoende is of een besluit op nationaal niveau in wezen deel uitmaakt van een strategisch plan met Europese dimensie terwijl de Europese ondernemingsraad daarin niet (tijdig) is gekend. Uit de buitenlandse jurisprudentie blijkt voorts dat de rechter de Europese medezeggenschapsrechten ook kan laten prevaleren als er grote commerciële belangen op het spel staan, zoals een fusie waarbij beursgenoteerde ondernemingen betrokken zijn. Door het recht op informatie en raadpleging zo kracht bij te zetten ontstaat (een begin van) invloed van de Europese ondernemingsraad op de strategie.
In de Nederlandse jurisprudentie is die ontwikkeling nog niet zichtbaar geworden. Europese ondernemingsraden in Nederland procederen nauwelijks. Ik zoek de verklaring daarvoor deels in de onbekendheid die in de Nederlandse literatuur met de buitenlandse jurisprudentie bestaat. Ik verwacht dat de verdere ontwikkeling van de Europese medezeggenschap in Nederland zal leiden tot een groter aantal geschillen, zowel waar het gaat om de oprichting van een Europese ondernemingsraad bij een Nederlandse moederonderneming van een communautaire groep of vertegenwoordiger van een buitencommunautaire groep, als op het terrein van de informatie en raadpleging van de Europese ondernemingsraad in Nederland. Bij dat laatste zal niet alleen de Europese, maar ook de Nederlandse ondernemingsraad zijn rechten krachtiger kunnen doen gelden dan nu het geval is.
De waarde van Europese medezeggenschap ligt wellicht niet primair in de juridische positie van de Europese ondernemingsraad, gezien de hem toegekende rechten. Hij kan fungeren als een belangrijke opinieleider. Die functie kan positieve effecten hebben bij belangrijke strategische besluiten, zoals een fusie of overname, waarin het advies van de raad leidt tot draagvlak bij de internationale werknemers. In andere gevallen, bijvoorbeeld bij ingrijpende reorganisaties, kan een negatief advies van de Europese ondernemingsraad leiden tot onrust onder de werknemers en hun vertegenwoordigers, mogelijk zelfs met collectieve actie tot gevolg. Dat laatste middel ligt vooral op het terrein van de vakorganisaties. In het volgende hoofdstuk zal ik analyseren in hoeverre zij instrumenteel zijn in het uitoefenen van invloed op de strategie.