Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.3.1
2.3.1 Inkomstenbelasting
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630434:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Rijkers en Van Vijfeijken.
Opgemerkt in het kader van een opinie inzake het inkomstenbelastingstelsel. Het algemene uitgangspunt is echter voor alle belastingstelsels van toepassing.
Freudenthal betoogt bijvoorbeeld dat het draagkrachtbeginsel in de inkomstenbelasting niet moet worden opgeofferd aan tax-expeditures en politiek wenselijk beleid op niet fiscale terreinen. Door de inbouw van analytische elementen in de wet, wordt het steeds moeilijker gemaakt om nog te bepalen wat de totale draagkracht van een belastingplichtige is, en dientengevolge raakt het draagkrachtbeginsel op de achtergrond. Freudenthal 2004, paragraaf 4.2.
L.G.M. Stevens maakt binnen het geheel van rechtsbeginselen onderscheid in doelmatigheids- en gerechtigheidsbeginselen. Doelmatigheidsbeginselen kunnen een fiscaaltechnisch karakter hebben, een juridisch karakter of een economisch karakter. L.G.M. Stevens beschouwt het draagkrachtbeginsel, het profijtbeginsel en het beginsel van bevoorrechte verkrijging als gerechtigheidsbeginselen. L.G.M. Stevens 1980, pagina 146.
De Wet IB 2001 is een draagkrachtbelasting. Dit blijkt uit de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 en diens voorlopers. Ik citeer:
‘Deze keuze doet naar onze mening recht aan de doelstelling om de inkomstenbelasting als draagkrachtheffing zodanig te moderniseren dat van elke belastingplichtige – rekening houdend met de aard en de omvang van zijn inkomen en zijn persoonlijke omstandigheden en praktische overwegingen – een bijdrage kan worden gevraagd aan de algemene middelen die, meer nog dan onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, is afgestemd op zijn feitelijke draagkracht. In dit verband verwijzen wij ook naar de in hoofdstuk 10 van deze memorie gepresenteerde inkomenseffecten die duiden op evenwichtigheid van het nieuwe stelsel.’1
Als het gaat om de maatstaf van heffing, dan kan ik me goed vinden in het betoog van Rijkers en Van Vijfeijken. Zij betogen dat het belastingstelsel vraagt om een maatstaf op basis waarvan de belastingdruk gelijkmatig, evenredig, wordt verdeeld. In de loop van de eeuwen heeft het draagkrachtbeginsel zich als meest overtuigende verdelingsbeginsel gemanifesteerd in het licht van de gelijkheidsnorm. Volgens hen is het draagkrachtbeginsel het leidende beginsel op basis waarvan de belastingdruk verdeeld zou moeten worden:23
‘Uitgangspunt vormt het grondwettelijke, in een rechtsstaat voor alles gaande, gelijkheidsbeginsel. Dat beginsel vraagt voor het belastingstelsel om een maatstaf op basis waarvan de belastingdruk gelijkmatig, evenredig, wordt verdeeld. In de loop van de eeuwen heeft het draagkrachtbeginsel zich als meest overtuigende verdelingsbeginsel gemanifesteerd in het licht van de gelijkheidsnorm.’
Het draagkrachtbeginsel gaat uit van de gedachte dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen (‘ability to pay’). Dit beginsel wordt algemeen beschouwd als de belangrijkste rechtvaardigingsgrond van de inkomstenbelasting.45 Een natuurlijk persoon betaalt aan de hand van zijn draagkrachtvermeerdering belasting. Deze draagkrachtvermeerdering kan tot uitdrukking komen op verschillende manieren, bijvoorbeeld door het genieten van loon of als winstgenieter. Op basis van het draagkrachtbeginsel dient de winst die een natuurlijk persoon uit een onderneming geniet in de heffing te worden betrokken. Daarover bestaat weinig verschil van inzicht. Het draagkrachtbeginsel moet echter worden geoperationaliseerd door concrete keuzes in de vormgeving van wet- en regelgeving. Dat blijkt in de praktijk lastiger en gaat al snel gepaard met politieke en beleidsmatige afwegingen.
Over de rechtsgrondslag van de belastingheffing van ondernemerswinsten in de vennootschapsbelasting is in de fiscale literatuur meer discussie. In de volgende paragraaf ga ik hierop in.