Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.5.3.2
6.5.3.2 Het achterwege laten van het vaststellen van een plafond in combinatie met een open-einde-regeling
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS398468:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De onderrealisatieproblematiek in deze zaak was niet de enige reden om het vaststellen van een subsidieplafond achterwege te laten. Een tweede reden was gelegen in het feit dat de bijzondere subsidieregeling het niet mogelijk maakte om één subsidieplafond vast te stellen voor alle categorieën projecten (zie het ESF3-Beleidskader). Het was slechts mogelijk om per categorie project een subsidieplafond vast te stellen, zonder dat was voorzien in de mogelijkheid om gelden over te hevelen van categorieën waarvoor nog geld beschikbaar was, naar categorieën waarin het subsidieplafond al was bereikt.
ABRvS 3 januari 2007, AB 2007, 224, m.nt. W. den Ouden, JB 2007/31, m.nt. AJB (ESFsubsidieplafond). Zie hieromtrent Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 246; Lagrouw, Den Ouden & Groothuis 2006. Ook na deze uitspraak zijn nog veel geschillen gerezen naar aanleiding van het ESF-subsidieplafond. Zie bijvoorbeeld ABRvS 11 februari 2009,113 2009, 91 (Stichting Opleidingsfonds Hoofdbedrijfschap Detailhandel); ABRvS 17 september 2008, AB 2009, 77, m.nt. J.E. van den Brink (Stichting Opleidingsfonds Vakopleiding Procesindustrie); ABRvS 17 september 2008, LJN BF1011 (Stichting Opleidingsfonds Vakopleiding Procesindustrie); ABRvS 17 september 2008, LJN BF1012 (Staatssecretaris/FCB Dienstverlenen in Arbeidsmarktvraagstukken). Civielrechtelijk wordt nog steeds geprocedeerd over eventuele schadevergoeding. Zie HR 20 april 2012, AB 2012, 215, m.nt. W. den Ouden en G.A. van der Veen.
Zie hieromtrent Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 109.
In de programmaperiode 2000-2006 is gelet op de in vorige paragraaf besproken onderrealisatieproblematiek in het kader van ESF ervoor gekozen om het vaststellen van een subsidieplafond geheel achterwege te laten.1 Dit liep met name voor de Nederlandse staatskas erg slecht af. Toen de bodem van de Europese subsidiepot na een campagne om subsidieontvangers over de streep te trekken in zicht kwam, besloot de staatssecretaris alsnog een subsidieplafond van nul euro vast te stellen. Omdat dit subsidieplafond onjuist werd bekendgemaakt, oordeelde zowel de rechtbank als de ABRvS dat het plafond pas enkele dagen later in werking was getreden.2 Dit leidde ertoe dat veel op het laatste moment ingediende subsidieaanvragen alsnog moesten worden gehonoreerd. Meer dan 200 miljoen euro subsidie diende alsnog te worden verleend, terwijl er geen Europees geld meer beschikbaar was. Dit was het gevolg van enerzijds een op een verkeerde wijze bekendgemaakt subsidieplafond, zodat aanvragen gedurende een bepaalde periode niet op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb konden worden geweigerd en anderzijds een open-einde-regeling. Een open-einde-regeling houdt in dat uit de bijzondere nationale subsidieregeling volgt dat wanneer een project aan de voorwaarden voldoet, dit automatisch leidt tot subsidieverstrekking.3 De minister van szw had derhalve geen discretionaire ruimte om subsidieaanvragen af te wijzen.