ABRvS, 23-01-2019, nr. 201807392/1/V2
ECLI:NL:RVS:2019:4501
- Instantie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
- Datum
23-01-2019
- Zaaknummer
201807392/1/V2
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2019:4501, Uitspraak, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23‑01‑2019; (Hoger beroep)
Uitspraak 23‑01‑2019
Inhoudsindicatie
Bij onderscheiden besluiten van 26 oktober 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd om hun ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en te bepalen dat hun uitzetting krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 achterwege blijft.
201807392/1/V2.
Datum uitspraak: 23 januari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 15 augustus 2018 in zaken nrs. NL17.13057 en NL17.13054 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 26 oktober 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en geweigerd om hun ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en te bepalen dat hun uitzetting krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) achterwege blijft.
Bij uitspraak van 15 augustus 2018 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. S. Cetinkaya-Ahmad, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Van Eck
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019
594.