HR, 28-10-2016, nr. 16/00370
ECLI:NL:HR:2016:2424
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-10-2016
- Zaaknummer
16/00370
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2424, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑10‑2016; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2015:5186, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑03‑2016
- Wetingang
- Vindplaatsen
NLF 2016/0579 met annotatie van Lisa van Esdonk-Bongaarts
BNB 2016/238 met annotatie van F.J.P.M. Haas
FED 2017/13 met annotatie van E. POELMANN
USZ 2016/427
JB 2016/232
NLF 2017/0265
NTFR 2016/2677 met annotatie van mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk
FutD 2016-2594
Viditax (FutD) 2016102802
Uitspraak 28‑10‑2016
Inhoudsindicatie
Als de inspecteur in hoger beroep de strafmaat van een bestuurlijke boete ter discussie stelt, is de hogerberoepsrechter gehouden te beoordelen welk boetebedrag in de omstandigheden van het geval passend en geboden is, en kan de boete lager uitvallen ook als de belastingplichtige geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld. Uitzondering als bedoeld in BNB 2015/78.
Partij(en)
28 oktober 2016
nr. 16/00370
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 11 december 2015, nrs. 15/00195 tot en met 15/00249, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 13/5416 tot en met AWB13/5470) betreffende aan [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting zware motorrijtuigen en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
2.1.2.
In de maanden april 2013 en mei 2013 is op verschillende data geconstateerd dat met drie van deze zware motorrijtuigen gebruik werd gemaakt van de autosnelweg zonder dat de verschuldigde belasting zware motorrijtuigen (hierna: BZM) vóór de aanvang van dat gebruik op aangifte was voldaan. Daarop heeft de Inspecteur aan belanghebbende veertig naheffingsaanslagen in de BZM opgelegd van elk € 8. Daarbij heeft de Inspecteur op de voet van artikel 13, lid 1, van de Wet BZM per naheffingsaanslag een boetebeschikking gegeven van € 246.
2.1.3.
De naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen zijn, na daartegen ingediend bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
2.1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikkingen vernietigd, en elk van de boetebeschikkingen verminderd tot een bedrag van € 100.
2.1.5.
De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.
2.2.
Voor het Hof was uitsluitend in geschil of de boetebeschikkingen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
2.3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat terecht veertig boetebeschikkingen zijn gegeven. Daartoe heeft het Hof overwogen dat het belastbare feit voor de Wet BZM het gebruik van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig is en dat het meermalen gebruikmaken van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig zonder dat de BZM vóór de aanvang van dat gebruik is voldaan, evenzovele malen een verzuim vormt. Van afwezigheid van alle schuld bij belanghebbende is naar ’s Hofs oordeel voorts geen sprake, zodat moet worden geoordeeld dat belanghebbende veertig verzuimen in de zin van artikel 13, lid 1, van de Wet BZM heeft begaan, waardoor belanghebbende in beginsel een boete beloopt van € 160 per verzuim.
2.3.2.
In het kader van de beoordeling van de vraag of de hoogte van de boeten in dit geval passend en geboden is, heeft het Hof aannemelijk geacht:
(i) dat belanghebbende met betrekking tot de drie zware motorrijtuigen waarmee voormelde verzuimen zijn begaan, het oogmerk had om de verschuldigde BZM over een tijdvak van een jaar te betalen vóór aanvang van het gebruik van de autosnelweg met die zware motorrijtuigen,
(ii) dat dit niet is gebeurd vanwege een fout van een bij belanghebbende werkzame werknemer die hiervoor verantwoordelijk was, en
(iii) dat belanghebbende alsnog jaarvignetten heeft aangevraagd zodra haar van deze fout was gebleken.
Hiervan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de begane verzuimen steeds, per zwaar motorrijtuig, zijn terug te voeren op één fout. Het Hof heeft daarop de bedragen van de boeten zodanig verder verminderd dat in totaal een bedrag aan boeten resteert van € 160 per zwaar motorrijtuig, en heeft dat bedrag verdeeld over het aantal verzuimen dat per zwaar motorrijtuig is beboet.
2.4.1.
Het tweede middel betoogt onder meer dat de hogerberoepsrechter een boete niet op een lager bedrag mag vaststellen dan de rechter in eerste aanleg heeft gedaan wanneer de belastingplichtige geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld.
2.4.2.
De partij die niet tijdig hoger beroep instelt en evenmin binnen de daarvoor geldende termijn incidenteel hoger beroep instelt, kan door de uitspraak van de hogerberoepsrechter niet in een gunstiger positie komen te verkeren ten opzichte van de uitspraak van de rechtbank. Dat is slechts anders in het geval waarin de beslissing van de hogerberoepsrechter een kwestie betreft waarnaar deze rechter ambtshalve onderzoek behoort te doen (zie HR 19 december 2014, nr. 13/06296, ECLI:NL:HR:2014:3610, BNB 2015/78, rechtsoverweging 2.3.3).
2.4.3.
In het onderhavige geval doet zich een hiervoor in de slotzin van 2.4.2 bedoelde uitzondering voor. Ingeval de inspecteur in hoger beroep de strafmaat van een bestuurlijke boete ter discussie stelt, is het gerechtshof gehouden te beoordelen welk boetebedrag naar de omstandigheden van het geval passend en geboden is. Indien dat bedrag lager is dan het boetebedrag dat uit de uitspraak van de rechtbank voortvloeit, dient het gerechtshof de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en de boete op dat lagere bedrag vast te stellen (in dezelfde zin CRvB 11 december 2014, nr. 14-3106 TW, ECLI:NL:CRVB:2014:4214).
2.4.4.
Op grond van hetgeen hiervoor in 2.4.2 en 2.4.3 is overwogen, faalt het tweede middel in zoverre. Het tweede middel voor het overige kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.5.
Het eerste middel betoogt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de hoogte van de veertig boeten betreffende de onderhavige drie zware motorrijtuigen verder heeft verminderd tot in totaal € 160 per zwaar motorrijtuig. Het middel faalt. Het Hof heeft bij zijn oordeel omtrent de vraag welk boetebedrag voor elk van de veertig verzuimen passend en geboden is, terecht acht geslagen op alle feiten en omstandigheden van het onderhavige geval. Het Hof heeft geen rechtsregel geschonden door bij dat oordeel tevens van belang te achten dat de verschillende verzuimen steeds, per zwaar motorrijtuig, zijn terug te voeren op één fout die, zodra deze belanghebbende was gebleken, is hersteld. ’s Hofs oordeel geeft mitsdien geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 503.
Beroepschrift 08‑03‑2016
Den Haag, [- 8 MRT 2016]
Kenmerk: DGB 2016-382
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 16/00370) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 11 december 2015, nrs. 15/00195 t/m 15/00249, inzake [X] B.V. te [Z] betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen belasting zware motorrijtuigen met boetebeschikkingen over de manden april en mei 2013.
AAN DE HOGE RAAD DE NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 27 januari 2016 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middelen van cassatie draag ik voor:
I.
Schending van het Nederlandse recht, in het bijzonder van het bepaalde in de artikelen 2, 11 en 13 van de Wet belasting zware motorrijtuigen (hierna: Wet BZM) in samenhang met paragraaf 36, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) en artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de boetebeschikkingen in de zaken betreffende de kentekens [ii-oo-jj], [EE-oo-FF] en [GG-oo-HH] dienen te worden verminderd tot een totaalbedrag van € 160 per kenteken, zulks op grond van het hiernavolgende ten onrechte althans op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Feiten
Vaststaat dat ter zake van het kenteken [ii-oo-jj] in de maanden april 2013 en mei 2013 op 25 verschillende dagen is geconstateerd dat met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de autosnelweg zonder dat de verschuldigde BZM vóór aanvang van het gebruik van de autosnelweg op aangifte is voldaan. Voor kenteken [ii-oo-jj] geldt dat in de maanden april 2013 en mal 2013 op acht verschillende dagen, terwijl het in diezelfde periode voor kenteken [EE-oo-FF] op zeven verschillende dagen geldt.
Ter zake hiervan heeft de Inspecteur in totaal 40 naheffingsaanslagen BZM met boetebeschikkingen opgelegd aan belanghebbende. De Inspecteur heeft hierbij per naheffingsaanslag de verzulmboete vastgesteld op € 246. Een matiging hiervan heeft de Inspecteur achterwege gelaten, met name gelet op het zijns inziens gebrek aan betalingsgedragverbetering aan de zijde van belanghebbende. De rechtbank heeft onder meer de boeten van deze 40 naheffingsaanslagen verminderd tot op € 100 per naheffingsaanslag.
Omvang beroep in cassatie
Ter voorkoming van misverstanden vermeld ik dat het door mij ingestelde beroep in cassatie zich ‘beparkt’ tot de door het Hof in r.o. 4.14 en 4.15 gehanteerde aanpak van de boetematiging ten aanzien van de zogenoemde jaarauto's. Dat betreft dus 40 van de 55 boetebeschikkingen.
Tegen het door het Hof gehanteerde gematigde boetebedrag van € 160 per boetebeschikking (r.o. 4.13) stel Ik als zodanig geen beroep in cassatie in, nu een dergelijke matiging mijns inziens besloten ligt in de beoordelingsruimte van de feitenrechter, zodat daarvan geen succes kan worden verwacht. Hierbij teken ik overigens wel aan dat de door het Hof in de r.o. 4.11 t/m r.o. 4.13 gehanteerde rechtskader gelijkenis vertoont met de toepassing van artikel 8:31 Algemene wet bestuursrecht, terwijl die bepaling niet voor de onderhavige situatie is bedoeld.
De Inspecteur heeft ter zitting aangegeven welk matigingsbeleid binnen het kantoor wordt gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van een wanverhouding als bedoeld in paragraaf 7, eerste lid, onder a juncto het derde lid, van het BBBB. Ten behoeve van een uniforme bezwaarbehandeling en een gelijke behandeling van de belastingplichtigen wordt hiervoor een werkinstructie gehanteerd. Bij een bezwaarbehandeling worden ook de andere eventuele strafverminderende omstandigheden van paragraaf 7 van het BBBB beoordeeld.
Het door het Hof gepleegde feitenonderzoek maakt geenszins aannemelijk dat de Inspecteur ten nadele van belanghebbende van die instructie is afgeweken, terwijl het Hof impliciet wel van die aanname uitgaat. De Inspecteur heeft daarbij nadrukkelijk gewezen op het niet voldoen aan de voorwaarde van een aantoonbare gedragsverbetering bij belanghebbende.
Zoals hiervoor opgemerkt maak ik — mede gelet op de kenmerken en begrenzingen van de procedure in cassatie — hiervan in cassatie geen principieel punt, zodat voor het vervolg van deze zaak kan worden uitgegaan van een boetebedrag van maximaal € 160 per boetebeschikking.
Meer verzuimen
Belanghebbende mag als transportondernemer c.q. houder van bijna 100 vrachtwagens volgens het Hof (r.o. 4.6) bekend worden verondersteld met de BZM. Het Hof overweegt in r.o. 4.7 terecht, dat het meermalen gebruik maken van de autosnelweg mat een zwaar motorrijtuig zonder dat de belasting voor aanvang is voldaan, evenzovele keren een verzuim vormt. Het feit dat belanghebbende voornemens was om de belasting ta voldoen door middel van een jaaraangifte, doet daar niet aan af.
Het Hof oordeelt eveneens met recht in r.o. 4.9 dat het gelet op de keuze van de wetgever voor een gering tarief per dag en de mogelijkheid om per dag te betalen, een relatief hoge boete gerechtvaardigd is om de nakoming van die fiscale verplichtingen af te dwingen. De nakoming van de fiscale verplichting dient immers te worden ingescherpt. Daarenboven wijst het Hof (r.o. 4.10) erop dat het de verantwoordelijkheid van belanghebbende is om zo nodig dagelijks te controleren of alle benodigde papieren bij de vrachtauto in orde zijn, zodat de verschuldigde BZM tijdig wordt afgedragen. De naheffingsaanslagen en verzuimboetes zijn niet bedoeld als signaleringssysteem.
Passend en geboden boete: matiging bij jaarvignetten
Bij de beoordeling of sprake is van passend en geboden boetes speelt voor het Hof kennelijk een doorslaggevende betekenis dat belanghebbende het oogmerk had ter zake van de onderhavige vrachtauto's met de kentekens [ii-oo-jj], [EE-oo-FF] en [GG-oo-HH] het zogenoemde jaarvignet te verlengen.
Hiermee brengt het Hof mijns inziens echter een onzuiver element in beeld. Vooropgesteld, de beboetbare gedraging is het niet betalen van de verschuldigde BZM ter zake van het met een zware vrachtauto gebruik maken van de autosnelweg op de verschillende dagen. Per geconstateerd gebruik en per vrachtauto op een dag staat vast dat belanghebbende een beboetbare gedraging begaat in de vorm van het niet betalen van BZM voor dat gebruik op die dag. Hieraan doet de omstandigheid dat de wetgever ook de mogelijkheid biedt om de betaling van de BZM voor een week, een maand of een jaar te doen niet af. Hierin ligt besloten dat de Inspecteur op een en dezelfde dag ook slechts kan constateren dat voor die dag voor die vrachtauto geen BZM is betaald, waardoor het na te heffen belastingbedrag aan BZM daartoe dient te worden beperkt. Een naheffing van BZM over een langere periode dan één dag past niet in het systeem van de Wet BZM.
Het Hof lijkt nu in materiële zin de beboetbare gedraging voor de jaarauto's te koppelen aan het niet tijdig verlengen van het jaarvignet. Daargelaten op welke wijze nu precies kan c.q. dient te worden bepaald wanneer sprake is van een zogenoemde jaar- of dagauto, acht ik dat een onjuiste benadering van de beboetbare gedraging c.q. de onderwerpelijke materie. Bij het door het Hof voorgestane onderscheid zou het naar mijn mening ook passen het na te heffen bedrag aan BZM te laten aansluiten bij de kwalificatie van de vrachtauto als jaar-of dagauto met daarbij passende tarieven. Het systeem van de Wet BZM dat aansluit bij het gebruik van de autosnelweg en het voor aanvang daarvan betalen van de BZM in combinatie met het opleggen van een naheffingsaanslag, sluit dat echter uit.
Vanuit de (calculerende) belastingplichtige bezien zal het effect van het niet betalen van de BZM gedurende een bepaalde tijd worden bezien aan de hand van de verhouding tussen de opgelegde naheffingsaanslagen met boetebeschikkingen ten opzichte van het ‘uitgespaarde’ bedrag aan BZM over die periode.
In de door het Hof gehanteerde benadering leidt dat tot de volgende verhouding. Gedurende een aantal maanden — o.a. april, mei en juni — in 2013 heeft belanghebbende geen BZM betaald voor deze vrachtauto's. Pas enige tijd later in 2013 is belanghebbende voor de onderhavige drie vrachtauto's weer voor een jaar BZM gaan betalen. De daarmee uitgespaarde BZM is tenminste een bedrag van ¼ × het jaartarief ex artikel 10, eerste lid, Wet BZM (stel bijvoorbeeld € 960) is per auto € 240, dus in totaal € 720.
Het totaal aan naheffingsaanslagen met passend en geboden boetebeschikkingen voor die periode bedraagt naar het oordeel van het Hof voor de respectievelijke drie kentekens:
- —
kenteken [ii-oo-jj], 25 naheffingen × € 8 (= € 200) vermeerderd met een totaal aan boetes van € 160, maakt een totaalbedrag van € 360;
- —
kenteken [EE-oo-FF], acht naheffingen × € 8 (= € 64) vermeerderd met een totaal aan boetes van € 160, maakt een totaal bedrag van € 224;
- —
kenteken [GG-oo-HH], zeven naheffingen × € 8 (= € 56) vermeerderd met een totaal aan boetes van € 160, maakt een totaal bedrag van € 216.
Daarmee komt het totaal aan naheffingsaanslagen met boetbeschikkingen in de door het Hof gevolgde aanpak uit op een bedrag van € 800 (€ 360 + € 224 + € 216).
Reeds uit deze simpele vergelijking kan worden geconcludeerd dat het niet betalen van BZM voor deze drie vrachtauto's door belanghebbende voor één auto echt ‘loont’ en voor de overige twee bijna ‘loont’. Daarmee gaat ieder effect van de opgelegde boete ter inscherping van het nakomen van de fiscale verplichting verloren. In mijn optiek heeft het Hof dit gevolg miskend c.q. volledig uit het oog verloren, terwijl het Hof in de r.o. 4.9 en 4.10 dit wel op een correcte wijze als uitgangspunt heeft geformuleerd.
Conclusie
Hoe groot in beginsel de beoordelingsruimte voor de feitenrechter ook is ten aanzien van het leerstuk van de passende en geboden boete, ben ik in het onderhavige geval van mening dat het Hof op onjuiste gronden tot het oordeel is gekomen dat in casu voor de kentekens [ii-oo-jj], [EE-oo-FF] en […] een totaal aan boetes van €160 per kenteken een passend en geboden boetebedrag vormt.
Of en in welke mate van het voor deze drie vrachtauto's totaalbedrag aan boetes van € 6400 (40 × € 160) door uw Raad dan wordt geconcludeerd dat dit disproportioneel is, kan door uw Raad uiteraard zelf worden bepaald dan wel zo nodig kan daarvoor verwijzing plaatsvinden voor een nader feitenonderzoek.
II.
Schending van het Nederlandse recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 8:110 Algemene wet bestuursrecht en de in acht te nemen regels van formeel belastingrecht, doordat het Hof op het hoger beroep van de Inspecteur en zonder ingesteld incidenteel hoger beroep door belanghebbende op een resultaat uitkomt dat voor de Inspecteur ten aanzien van de kentekens [ii-oo-jj], [EE-oo-FF] en [GG-oo-HH] slechter is dan de beslissing van de rechtbank, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
Inleiding
De rechtbank heeft de boeten ook voor de onderhavige vrachtauto's verminderd tot op € 100 per naheffingsaanslag, maakt in totaal € 4000. Hiertegen heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld, terwijl het Hof geen melding maakt van een door belanghebbende (verondersteld) ingesteld incidenteel hoger beroep.
Incidenteel hoger beroep belanghebbende
Belanghebbende heeft in hoger beroep een verweerschrift ingediend en daarbij geen melding gemaakt van het instellen van incidenteel hoger beroep. Gelet op het door uw Raad gewezen arrest van 12 september 2014, nr. 13/01640, BNB 2015/9, is dat strikt genomen ook niet nodig. Daarin heeft uw Raad namelijk het volgende overwogen:
‘Voor zover middel 11 betoogt dat het Hof ten onrechte in het verweerschrift een incidenteel hoger beroep heeft onderkend, wondt het middel verworpen. Niet is vereist dat wanneer incidenteel hoger beroep wordt ingesteld in het verweerschrift dit met zoveel woorden als incidenteel hoger beroep is aangeduid. Het oordeel van het Hof dat het onderhavige verweerschrift in hoger beroep mede een incidenteel hoger beroep behelst, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst.’
Uit de inhoud van het verweerschrift, waarbij de gemachtigde zich met name verzet tegen de omvang van de boetes van de in zijn ogen als jaarauto's geldende vrachtauto's zou het instellen van incidenteel hoger beroep kunnen worden begrepen. In tegenstelling tot het Hof in de zaak van het voormelde arrest BNB 2015/9 maakt het Hof in de onderhavige uitspraak geen melding van een door belanghebbende ingesteld incidenteel hoger beroep. In het licht van de voor partijen in acht te nemen processuele duidelijkheid zou mijns inziens mogen worden vereist, dat uiterlijk op de zitting dit door het Hof aan de Inspecteur wordt voorgehouden. Dientengevolge is de Inspecteur geschaad in zijn verdediging en processueel op achterstand gezet doordat hij zich daarvan niet bewust was. Zie ook het vervolg van uw Raad in voormeld arrest BNB 2015/9:
‘Het Hof diende echter overeenkomstig het bepaalde in artikel 27m, lid 2, AWR aan die vaststelling het gevolg te verbinden dat de Inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld schriftelijk te reageren op hetgeen in het incidenteel hoger beroep is aangevoerd. In deze bepaling komt het voor een behoorlijke procesgang wezenlijke beginsel van hoor en wederhoor tot uitdrukking. Indien die bepaling niet is nageleefd moet dat indien daarover in cassatie wordt geklaagd, tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. Opmerking verdient dat het voorgaande niet eraan in de weg staat dat de rechter die pas in een laat stadium onderkent dat een incidenteel hoger beroep is ingesteld, de wederpartij ter zitting kan vragen of zij gebruik wil maken van de gelegenheid om schriftelijk te reageren. In het onderhavige geval blijkt uit 's Hofs uitspraak of het proces-verbaal van de zitting niet dat het Hof dit heeft gedaan en evenmin dat de inspecteur heeft verklaard dat hij van die gelegenheid geen gebruik wil maken. Middel II slaagt derhalve in zoverre.’
Uit de uitspraak kan ook overigens niet worden gelezen of het Hof nu wel of niet uitgaat van een door belanghebbende ingesteld incidenteel hoger beroep dan wel dat het Hof tot zijn beslissing is gekomen op ambtshalve gronden.
Ambtshalve beoordeling hoger beroep door het Hof
Indien nu moet worden aangenomen dat het Hof op ambtshalve aangebrachte gronden tot de matiging van het totaal aan boetes en bepaling van dat bedrag op € 160 per auto met de kentekens [ii-oo-jj], [EE-oo-FF] en [GG-oo-HH] is gekomen, is de vervolgvraag of dit een rechtvaardiging kan zijn voor de voor de Inspecteur slechtere uitkomst van het ingestelde hoger beroep of anderszins voor de voor belanghebbende gunstigere uitspraak zonder het instellen van principaal of incidenteel hoger beroep?
Een vraag die door mij ontkennend wordt beantwoord onder verwijzing naar het door uw Raad gewezen arrest van 19 december 2014, nr. 13/06296, BNB 2015/78. In voornoemd arrest overweegt uw Raad immers:
‘2.3.2.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de totstandkoming van artikel 27m AWR is het volgende vermeld:
‘De rechtsstrijd in hoger beroep wordt (…) beperkt tot de door de appellerende partij geformuleerde gronden van het hoger beroep. De andere partij kan zich daartegen uiteraard verweren, maar niet zelf alsnog haar eigen bezwaren tegen de uitspraak van de eerste rechter naar voren brengen. Anders gezegd: de berustende partij kan er door het hoger beroep nog wel op achteruit gaan, maar niet meer op vooruit gaan, tenzij zij zelf alsnog hoger beroep instelt.’
(Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 3, blz. 10).
2.3.3.
In overeenstemming hiermee moet worden aangenomen dat de partij die niet tijdig hoger beroep instelt en evenmin binnen de daarvoor geldende termijn incidenteel hoger beroep instelt, door de uitspraak van de hogerberoepsrechter niet in een gunstiger positie kan komen te verkeren ten opzichte van de uitspraak van de rechtbank. Pat is slechts anders in het — zich hier niet voordoende — geval waarin de beslissing van de hogerberoepsrechter een kwestie betreft waarnaar deze rechter ambtshalve onderzoek behoort te doen, zoals de vraag of het beroep was gericht tegen een voor beroep vatbaar handelen of nalaten van het bestuursorgaan (vgl. HR 12 juli 2013, nr. 12/02259, ECLI:NL:HR:2013:21, BNB 2013/237).
2.4.
De klachten treffen in zoverre doel. Gelet op 's Hofs in cassatie niet bestreden vaststelling dat het incidentele hoger beroep niet tijdig is ingesteld en in aanmerking genomen dat de stukken van het geding geen aanwijzing bevatten dat die termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen zijn, getuigt 's Hofs oordeel dat het incidentele hoger beroep als zodanig kan worden geaccepteerd van een onjuiste rechtsopvatting.’
Het Hof behoort naar mijn mening in dezen naar de passendheid en gebodenheid van de boete geen ambtshalve onderzoek te doen, nu dat immers geen kwestie van openbare orde betreft.
De annotator van dit arrest in de BNB, P.J. van Amersfoort, stelt in zijn noot nog aan de orde de verhouding van het voormelde arrest van uw Raad met de uitspraak CRvB 11 december 2014, nr. 14/3106 TW, V-N 2015/2.6. Aan het slot van zijn noot onder BNB 2015/78, punt 5, komt hij in dat kader tot de conclusie dat de hogerberoepsrechter ambtshalve de bestuurlijke boete ten volle moet toetsen als deze voorwerp van de rechtsstrijd is ook als enkel het bestuursorgaan de beslissing van de rechtbank over de boete aanvecht, nu dat volgens hem alsdan een kwestie is waarnaar deze rechter ambtshalve onderzoek behoort te doen. Die conclusie acht ik rechtens niet onomstreden en laat ik dan ook graag ter beoordeling van uw Raad. Zie ook dr. E.B. Pechler, Appelleren is riskeren, NTFR-B 2015/36.
Conclusie
In het onderhavige geval wordt een resultaat van het Hof dat voor de Inspecteur voor de kentekens [ii-oo-jj], [EE-oo-FF] en [GG-oo-HH] slechter uitkomt dan de beslissing van de rechtbank niet ondersteund door de juiste wijze van toepassing van de regels van formeel belastingrecht.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,