Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/1.3.1.1
1.3.1.1 Deel I: Rechtseconomische analyse
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS297999:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het nut van het hanteren van een extern perspectief, zoals de (rechts- )economie, Barendrecht e.a. 2004, p. 1425.
In Nederland wordt het gebruik van economische inzichten en methoden om het recht te duiden ‘rechtseconomie’ genoemd. Calabresi 2014, p. 315; Calabresi 2016, p. 2–3 maakt bezwaar tegen deze terminologie, omdat naar zijn mening pas sprake is van ‘rechtseconomie’ als niet alleen de rechtswetenschap, maar ook de economische wetenschap vooruit wordt geholpen door de analyse. Is dat niet het geval, dan is er simpelweg sprake van ‘economische analyse van het recht’. Ik gebruik de haakjes in de term ‘(rechts)economie’ om dat verschil tot uitdrukking te brengen, zonder elke keer aan te geven of er sprake is van éénzijdige of wederzijdse uitwisseling.
De Geest 2004, p. 60; Dari-Mattiacci 2007, p. 879.
Zie hierover in algemene zin Feldman 2008. ‘Welfare economics’ is een verzamelterm voor verschillende stromingen die normatieve uitspraken doen op basis van economische uitgangspunten over hoe op de beste wijze de maatschappelijke welvaart kan worden verhoogd; zie Posner 1979, p. 105; Coase 1988, p. 20. De term heeft raakvlakken met het utilitarisme (maar is niet hetzelfde) en overlapt soms wel en soms niet met andere concepten, zoals ‘wealth maximization’ en ‘cost-benefit analysis’; zie bijvoorbeeld Zerbe 2001, p. 12, 15; Parisi & Klick 2004, p. 445. Zie meer uitgebreid voetnoot 42 van hoofdstuk 4.
Zie in deze zin in de Nederlands(talig)e literatuur bijvoorbeeld Schoordijk 1992, p. 1202; du Perron 1999, p. 9; Smits 2003, p. 18; Bouckaert 2007, p. 19.
Barry 2004, p. 132: “in the modern world, the problems of the economics of property are the same whatever the legal system in which they occur”.
Naast vele anderen ben ik in het bijzonder erkentelijk voor de gesprekken met Henry Smith (Harvard) en Robert Cooter (UC Berkeley).
Nieuwenhuis, Nieuwstadt & van Schagen 2007, p. 924.
Asser/Vranken 2014, para. 117.
26. Deel I van dit onderzoek is erop gericht een verklaring te geven voor het bestaan en functioneren van verschillende figuren die in het Nederlandse recht bestaan om subjectieve rechten aan te vullen. Deze verklaring kan niet worden gevonden in de wettelijke regeling van deze figuren of de over dit onderwerp beschikbare literatuur van zowel Nederlandse als buitenlandse origine (zie randnummer 15, 19). Ik ben er gaandeweg het uitvoeren van het onderzoek achter gekomen dat ook verder terugzoeken in de wetsgeschiedenis geen uitsluitsel biedt. In zulke gevallen kan een aan het recht extern perspectief soms uitkomst bieden.1 Ik heb ervoor gekozen gebruik te maken van (rechts)economische inzichten om uit te leggen waarom en in welke gevallen subjectieve rechten worden aangevuld.2
27. De (rechts)economie kan – net als overigens alle andere wetenschapsgebieden – niet bepalen welke doelstellingen aan het recht ten grondslag gelegd moeten worden; dit betreft altijd een politieke keuze.3 Wat met behulp van de (rechts)economie wél mogelijk is, is om te bekijken hoe een doel zo optimaal en efficiënt mogelijk kan worden nagestreefd. De discipline waar ik me op baseer is de zogenaamde ‘welfare economics’ (welvaarteconomie).4 Voor dit onderzoek neem ik hun uitgangspunt over dat het onderliggende doel van het vermogensrecht erin bestaat om maatschappelijke welvaart te maximaliseren.5 Ik realiseer me dat dit uitgangspunt niet door iedereen gedeeld zal worden. In paragraaf 4.3 kom ik hier meer uitgebreid op terug. In hoofdstuk 4 bespreek ik ook de andere economische concepten die ik in dit onderzoek gebruik. Het grote voordeel van een (rechts)economische analyse is dat deze in abstracto kan worden uitgevoerd, zonder gebonden te zijn aan de bestaande rechtsfiguren van een bepaald rechtsstelsel.6 Dat biedt vrijheid om tot nieuwe inzichten te komen.
28. Ik gebruik (rechts)economische uitgangspunten in de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7. Het opnemen van een (rechts)economisch kader betekent niet alleen dat ik in dit onderzoek gebruik kan maken van de in de (rechts-) economische literatuur ontwikkelde leerstukken, maar ook dat alle in de (rechts)economische literatuur bestaande discussies worden ‘binnengehaald’. Mijn onderzoek is vooral een juridisch onderzoek en het zou daarom te ver voeren om al deze (rechts)economische discussies te herhalen of zelfs te beslechten. Ik bespreek daarom slechts de discussiepunten die in het kader van dit onderzoek van belang zijn.
29. Het gebruik van een extern perspectief door een juridisch onderzoeker draagt daarnaast ook altijd een zeker risico in zich. Het is lastig om een vreemde discipline genoeg ‘eigen’ te maken om er goed mee te kunnen werken. Ik heb getracht het risico op vergissingen zo klein mogelijk te maken door, waar mijn vooropleiding onvoldoende bleek, bij (rechts)economen te rade te gaan.7 De verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke tekst ligt bij mij.
30. Ik heb ervoor gekozen om in de hoofdstukken 3 tot en met 7 mijn opvattingen in een vloeiend betoog uit te schrijven, dat daarom niet altijd direct vergezeld gaat van een discussie met de meningen van andersdenkende schrijvers. De reden hiervoor is dat de tekst zonder onderbrekingen al het nodige van de lezer vergt. Soms moet de volledigheid daarom ondergeschikt worden gemaakt aan de leesbaarheid.8 Toch is het goed om te laten zien waar meningen ‘botsen’.9 Verdere duiding en literatuur zijn daarom te vinden in de voetnoten van deze hoofdstukken. Hetzelfde geldt voor verwijzingen naar literatuur waarin andere standpunten worden ingenomen dan de mijne. Ten slotte heb ik ervoor gekozen om in hoofdstuk 9 de belangrijkste conclusies uit de voorgaande hoofdstukken nog eens te vergelijken met gangbare opvattingen in de Nederlandse literatuur.