Rechtbank Midden-Nederland 1 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5559.
HR, 03-10-2025, nr. 24/03599
ECLI:NL:HR:2025:1450
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-10-2025
- Zaaknummer
24/03599
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1450, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑10‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:751
ECLI:NL:PHR:2025:751, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1450
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑09‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0073
NJ 2025/301 met annotatie van J. Legemaate
JGz 2026/2 met annotatie van mr. I.H. Ploos van Amstel
Uitspraak 03‑10‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03599
Datum 3 oktober 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
CENTRUM INDICATIESTELLING ZORG,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: het CIZ,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/578133/FV RK 24-1676 van de rechtbank Midden-Nederland van 1 augustus 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Het CIZ heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot verwerping van het cassatieberoep.De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Op verzoek van het CIZ heeft de rechtbank1.op de voet van art. 24 Wzd een machtiging verleend tot opname en verblijf van betrokkene, voor de duur van zes maanden.
2.2
De rechtbank heeft een verweerschrift van de echtgenote van betrokkene buiten beschouwing gelaten, en daartoe (in rov. 1.2) als volgt overwogen:
“Mr. Janssens heeft (…) een e-mailbericht met bijlage aan de rechtbank (niet aan het CIZ) gestuurd. Die bijlage is een verweerschrift met producties (een ervan beslaat 146 pagina’s) van (…) [Hoge Raad: de echtgenote van betrokkene]. Kennelijk treedt mr. Janssens ook voor haar op. Dit verweerschrift betreft een zeer uitvoerige (juridische) zienswijze op de zaak door die echtgenote, terwijl het aan haar advocaat is om als haar procesvertegenwoordiger (in haar processtukken) een duidelijke en rechtens relevante uiteenzetting van de zienswijze van de echtgenote te geven.
Daar komt bij dat in dat verweerschrift niet concreet naar bepaalde passages in de (omvangrijke) producties wordt verwezen, terwijl een partij die een beroep wil doen op feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij (hier: het CIZ) duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren (zie o.m. HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810).
De rechtbank heeft dit verweerschrift inclusief producties dan ook buiten beschouwing
gelaten; het maakt geen deel uit van de processtukken.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.2.1
Opmerking verdient het volgende. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat, in het kader van de verlening van een machtiging op grond van de Wzd, de echtgenoot van de betrokkene moet worden aangemerkt als belanghebbende, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.
3.2.2
Op grond van art. 25 lid 1, aanhef en onder a, Wzd in verbinding met art. 24 lid 1 Wzd kunnen de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de betrokkene het CIZ vragen een verzoek om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van de betrokkene in te dienen. Uit art. 38 lid 4, aanhef en onder a, Wzd volgt dat de rechter, voordat hij op het verzoek van het CIZ beslist, zich zo mogelijk laat voorlichten door de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel die de in art. 25 lid 1, aanhef en onder a, Wzd bedoelde aanvraag bij het CIZ heeft ingediend. Art. 38 lid 5 Wzd houdt in dat de rechter zich kan doen voorlichten door de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel die de in art. 25 lid 1, aanhef en onder a, Wzd bedoelde aanvraag niet heeft ingediend.
Op grond van art. 41 lid 1, aanhef en onder d, Wzd zendt de griffier een afschrift van de beschikking aan betrokkenes echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel. Daarbij is niet van belang of een van deze personen de in art. 25 lid 1, aanhef en onder a, Wzd bedoelde aanvraag bij het CIZ heeft ingediend of door de rechter is gehoord.
3.2.3
Noch de bepalingen van de Wzd, noch de parlementaire geschiedenis van de Wzd2.bieden enig aanknopingspunt voor de opvatting dat de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de betrokkene, in het kader van de verlening van een machtiging op grond van de Wzd, moet worden aangemerkt als belanghebbende, en uit dien hoofde een verweerschrift mag indienen (art. 282 lid 1 Rv), een op grond van de Wzd openstaand rechtsmiddel kan aanwenden, en recht heeft op inzage in en afschrift van in beginsel alle processtukken (art. 290 Rv). Dit volgt evenmin uit de aard van de procedure tot verlening van een machtiging op grond van de Wzd: niet kan worden gezegd dat de uitkomst van die procedure de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel zodanig in een eigen belang treft dat deze persoon daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, en evenmin dat deze persoon anderszins zo nauw is betrokken bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om, afgezien van de hiervoor in 3.2.2 genoemde betrokkenheid, in de procedure als belanghebbende te verschijnen.3.
3.2.4
Tot slot dwingt het EVRM evenmin ertoe de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de betrokkene, in het kader van de verlening van een machtiging op grond van de Wzd, aan te merken als belanghebbende. Het bepaalde in (het hiervoor in 3.2.2 genoemde) art. 38 lid 4, aanhef en onder a, en lid 5 Wzd biedt in beginsel voldoende waarborg dat de rechter de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de betrokkene hoort op het verzoek om een machtiging op grond van de Wzd, opdat de door het EVRM beschermde rechten worden geëerbiedigd.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 3 oktober 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2025
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31996, nr. 3, p. 70.
Vgl. HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, rov. 3.3.2.
Conclusie 04‑07‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03599
Zitting 4 juli 2025
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],hierna: betrokkene,advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Centrum Indicatiestelling Zorg,hierna: het CIZ.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wzd-zaak is door de rechtbank voor betrokkene een machtiging tot opname en verblijf voor de duur van zes maanden verleend. Betrokkene lijdt aan Parkinsondementie. Hij woont al ruim zeven jaar op vrijwillige basis in een zorginstelling. De machtiging is verzocht vanwege gesteld verzet van betrokkene tegen opname. Daarbij dreigt verhuizing naar een andere locatie.
1.2
In cassatie stelt betrokkene zich op het standpunt dat de machtiging ten onrechte is verleend. Ten eerste wordt geklaagd dat de rechtbank het verweerschrift van de echtgenote van betrokkene niet buiten beschouwing had mogen laten. Verder wordt geklaagd dat geen rechterlijke machtiging verleend had mogen worden door de rechtbank, nu, naar ik begrijp, niet aan de wettelijke criteria daarvoor is voldaan dan wel eerst nader onderzoek gedaan had moeten worden naar de mogelijkheden tot afvlakking van de onrust dan wel het verzet van betrokkene. Naar mijn oordeel slaagt het cassatieberoep niet.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Betrokkene lijdt aan Parkinsondementie. Door zijn ziekte is hij blijvend aangewezen op zorg.
2.2
Betrokkene woont al ruim zeven jaar vrijwillig in [de zorginstelling] (hierna: de zorginstelling). Het CIZ heeft de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) bij verzoekschrift van 11 juli 2024 verzocht een rechterlijke machtiging te verlenen voor betrokkene voor de duur van zes maanden, omdat betrokkene zich in toenemende mate tegen zijn verblijf in de zorginstelling zou verzetten.
2.3
De advocaat van betrokkene heeft op 24 juli 2024 een e-mailbericht met bijlage aan de rechtbank gestuurd. De bijlage bevat een verweerschrift met producties van de echtgenote van betrokkene (hierna ook: de echtgenote). De begeleidende e-mail van de advocaat luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“(…)
Mevrouw [naam van de echtgenote], echtgenote, wenst te worden gehoord in de procedure betreffende het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging voor haar echtgenoot.
Zij laat u verzoeken om op het verzoek rechterlijke machtiging afwijzend te beslissen, en heeft daartoe zelf een gemotiveerd Verweerschrift opgesteld. Op haar verzoek dien ik haar Verweerschrift met bijlagen hierbij bij u in, met het verzoek dit onderdeel te laten uitmaken van de procedure en van de beslissing daarin.
(…)”
2.4
De mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 31 juli 2024. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, de echtgenote van betrokkene, de advocaat van betrokkene, een specialist ouderengeneeskunde, een coördinerend verpleegkundige, een psycholoog en een kwaliteitsverpleegkundige. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Ten aanzien van het verweerschrift van de echtgenote vermeldt het proces-verbaal op p. 1 en 2:
“Rechter:De rechtbank heeft via mr. Janssens een verweerschrift met veel bijlagen van [de echtgenote] ontvangen. Treedt mr. Janssens namens haar op?
Mr. Janssens:
Nee. De vrouw van mijn cliënt heeft feitelijke informatie. Zij kan als belanghebbende en informant optreden.
Rechter:
Mr. Janssens brengt het verweerschrift in geding; zij moet belangen afwegen. Een dergelijk juridisch stuk dient als processtuk te worden ingebracht. Het CIZ heeft niet op het verweerschrift gereageerd. Ik heb moeite met deze gang van zaken. [Betrokkene]’s echtgenote mag tijdens de mondelinge behandeling natuurlijk wat zeggen.
[Echtgenote]: Ik had verwacht het verweerschrift in te kunnen brengen.
Mr. Janssens: Het stuk van de echtgenote is onderdeel van het verweer.
[Echtgenote]:
Ik heb het verweerschrift ook naar de arts gestuurd. De arts kan nu tijdens de zitting haar stelling formuleren.
Rechter:
Het CIZ dient te reageren op een verweerschrift. [De echtgenote] mag tijdens de zitting wat zeggen aan de hand van haar eigen stuk en het verzoek. (…)”
2.6
Bij beschikking van 1 augustus 20241.(hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend.
2.7
Ten aanzien van het verweerschrift van de echtgenote van betrokkene overweegt de rechtbank in de bestreden beschikking als volgt:
“1.2. Mr. Janssens heeft op 24 juli 2024 een e-mailbericht met bijlage aan de rechtbank (niet aan het CIZ) gestuurd. Die bijlage is een verweerschrift met producties (een ervan beslaat 146 pagina’s) van [de echtgenote], [betrokkene]’s echtgenote. Kennelijk treedt mr. Janssens ook voor haar op. Dit verweerschrift betreft een zeer uitvoerige (juridische) zienswijze op de zaak door die echtgenote, terwijl het aan haar advocaat is om als haar procesvertegenwoordiger (in haar processtukken) een duidelijke en rechtens relevante uiteenzetting van de zienswijze van de echtgenote te geven.
Daar komt bij dat in dat verweerschrift niet concreet naar bepaalde passages in de (omvangrijke) producties wordt gewezen, terwijl een partij die een beroep wil doen op feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij (hier: het CIZ) duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren (zie o.m. HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810).
De rechtbank heeft dit verweerschrift inclusief producties dan ook buiten beschouwing gelaten; het maakt geen deel uit van de processtukken.”
2.8
Aan haar beslissing een zorgmachtiging te verlenen legt de rechtbank in de bestreden beschikking vervolgens het volgende ten grondslag:
“4. Beoordeling
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat partijen op grond van artikel 21 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, kort gezegd, gehouden zijn de rechter volledig en naar waarheid te informeren. In zijn rekest zegt het CIZ terloops dat [betrokkene] in [de zorginstelling] verblijft, terwijl hij daar al ruim zeven jaar vrijwillig woont. Verder doet het CIZ voorkomen alsof het al dan niet thuis kunnen wonen een punt van discussie is, terwijl het voor alle betrokkenen duidelijk is dat dat allang een gepasseerd station is; waar het om gaat, is of [betrokkene] in [de zorginstelling] kan blijven. Tot slot wekt CIZ de indruk dat [betrokkene] niet in [de zorginstelling] wil wonen, terwijl uit de toelichting door [echtgenote van betrokkene] en de behandelaren blijkt dat zijn onrust en verzet (mede) te maken hebben met de dreigende verhuizing. Navraag had het CIZ dit kunnen leren. Zodoende geeft het CIZ een onjuist en onvolledig beeld van de situatie. Dat vindt de rechtbank kwalijk.
4.2.
Dit gezegd hebbende, niet in geschil is dat [betrokkene] lijdt aan Parkinsondementie en dat deze aandoening tot ernstig nadelen leidt. Die bestaan in elk geval uit het risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
Evenmin is in geschil dat [betrokkene] vanwege zijn ziekte blijvend aangewezen is op zorg.
4.3.
Wat wel ter discussie staat, is of de opname en het verblijf in een andere accommodatie dan [de zorginstelling] (lees: overplaatsing) noodzakelijk en geschikt zijn om genoemde nadelen te voorkomen. De rechtbank is daarover van oordeel dat er op dit moment geen alternatieven zijn. Uit dat wat er tijdens de zitting is gezegd, leidt zij af dat [betrokkene]’s verzet deels te maken heeft met onrust over de dreigende overplaatsing, maar voor een belangrijk deel ook voortvloeit uit het grillige verloop van Parkinsondementie, welke ziekte kennelijk anders pleegt te verlopen dat andere vormen van dementie. Feitelijk komt de huidige situatie erop neer dat de [de zorginstelling] [betrokkene] tegen zijn wil daar moet houden, maar daarvoor is die instelling niet geschikt. Bovendien heeft zij die bevoegdheid niet zonder rechterlijke machtiging.
Dat neemt niet weg dat de rechtbank er vooralsnog niet van overtuigd is dat het verzet met de nodige begeleiding zodanig kan afvlakken dat er uiteindelijk onder de streep geen sprake meer is van rechtens relevant verzet. In dit licht vindt de rechtbank het belangrijk dat het verweer van [de echtgenote], inhoudend dat het CCE voor hulp en advies kan zorgen, niet weersproken is. Dit geeft op zijn minst het vermoeden dat afname van [betrokkene]’s onrust, althans zijn verzet, tot de mogelijkheden behoort.
4.4.
Al het voorgaande leidt ertoe dat op dit moment voldaan is aan de criteria voor de verlening van de gevraagde machtiging. De rechtbank zal de machtiging verlenen voor de gevraagde duur van zes maanden.
Hoe verder?
4.5
De rechtbank verwacht dat deze periode ook gebruikt zal worden om deugdelijk en verifieerbaar te onderzoeken, zo nodig met inschakeling van het CCE of een soortgelijke organisatie, of er mogelijkheden zijn (bijvoorbeeld, doch niet daartoe beperkt, door een andere bejegening, aanpassing van medicatie, technische en/of organisatorische wijzigingen) [betrokkene]’s verzet zodanig te laten afnemen, dat een terugkeer naar [de zorginstelling] mogelijk is.
4.6
Het voorgaande is niet vrijblijvend. Mocht het CIZ te zijner tijd een nieuwe machtiging vragen, dan zal de rechtbank namelijk duidelijkheid willen hebben over de inspanningen die zijn verricht alsmede over de aard en de uitkomst van dat onderzoek.”
2.9
Bij procesinleiding, ingekomen bij de griffie op 25 september 2024, heeft betrokkene – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. Het CIZ heeft geen verweer gevoerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Betrokkene komt met twee onderdelen op tegen het oordeel van de rechtbank.
Onderdeel 1: verweerschrift van de echtgenote
3.2
Het eerste onderdeel bevat klachten gericht tegen r.o. 1.2 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank het verweerschrift van de vrouw passeert. Volgens betrokkene is hetgeen de rechtbank hier heeft overwogen in strijd met artikel 25 lid 1 Wzd in samenhang met artikel 38 lid 5 en lid 9 Wzd en artikel 41 lid 1 Wzd in samenhang met artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM en artikel 6 EVRM. Althans is het oordeel van de rechtbank om het verweerschrift buiten beschouwing te laten onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd, aldus betrokkene.
3.3
Uit de toelichting op het eerste onderdeel leid ik drie klachten af.
3.4
Klacht 1 is dat de echtgenote als belanghebbende bij verweerschrift had moeten kunnen reageren op het verzoek van het CIZ om een rechterlijke machtiging voor betrokkene, om zo, naar ik begrijp, namens betrokkene en in zijn belang verweer te voeren. Daartoe wordt betoogd dat de rechtbank door het verweerschrift buiten beschouwing te laten, in strijd handelde met het recht op een eerlijk proces als neergelegd in artikel 6 lid 1 EVRM. Ook is het in strijd met de rol die aan de echtgenote van betrokkene is toebedeeld, gelet op artikel 25 lid 1 Wzd in samenhang met artikel 38 lid 5 en lid 9 Wzd en artikel 41 lid 1 Wzd, aldus de klacht. Tot slot wordt betoogd dat de rechtbank een beslissing heeft genomen met betrekking tot vrijheidsbeneming die in strijd is met artikel 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM.
3.5
Klacht 2 richt zich tegen de beoordeling door de rechtbank van de vraag of het verweerschrift van de echtgenote voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De klacht houdt in dat de rechtbank in zijn oordeel over de weigering van het verweerschrift ten onrechte aanknoopt bij de uitspraak van de Hoge Raad van 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810. In die zaak ging het om het betrekken van processtukken uit een andere procedure, wat niet te vergelijken is met de onderhavige zaak, aldus de klacht. Bovendien, zo begrijp ik de klacht, voldoet het verweerschrift met bijlagen wel aan de daarvoor geldende eisen, nu alle relevante punten in de bijlage geel zijn gemaakt en concreet naar passages in producties verwezen wordt.
3.6
Klacht 3 is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de advocaat van betrokkene kennelijk ook voor de echtgenote van betrokkene opkomt. Volgens betrokkene is die overweging onbegrijpelijk. De advocaat wil uitgebreide informatie hebben over de situatie van haar cliënt. De echtgenote heeft, mede gelet op artikel 8 en artikel 3 EVRM, alle reden om alles aan te voeren wat van belang is voor de positie van betrokkene, aldus de klacht.
3.7
Bij de bespreking van de klachten, stel ik het volgende voorop.
3.8
Belanghebbenden hebben een zelfstandige processuele positie. Zij hebben onder meer het recht om een verweerschrift in te dienen (art. 282 lid 1 Rv) en van de gegeven beschikking hoger beroep in te stellen (indien daarvan hoger beroep openstaat) (art. 358 lid 2 Rv; art. 806 Rv). Zij hebben ook recht op inzage in en afschrift van in beginsel alle processtukken (art. 290 Rv) en ontvangen een afschrift van de beschikking (art. 290 lid 3 Rv; art. 805 lid 1 Rv).2.
3.9
Het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kent geen algemene wettelijke definitie van het begrip ‘belanghebbende’. Het is de taak van de rechter om te bepalen wie belanghebbende in een verzoekschriftprocedure is3.en om deze belanghebbenden al dan niet op te roepen (art. 279 lid 1 Rv). Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het antwoord op de vraag of iemand belanghebbende is, worden afgeleid uit de aard van de procedure en daarmee verband houdende wetsbepalingen.4.In dat kader speelt een rol in hoeverre iemand door de uitkomst van een procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.5.
3.10
3.11
De Wzd kent wel bepalingen waaruit volgt door welke personen de rechter zich kan doen voorlichten (art. 38 leden 4 en 5 Wzd), en aan welke personen de griffier een afschrift van de beschikking over de rechterlijke machtiging moet toesturen (art. 41 Wzd). Hoewel het voorstelbaar is dat deze personen in bepaalde gevallen als belanghebbende kunnen worden aangemerkt, betekenen de bepalingen niet dat de daarin genoemde personen per definitie als belanghebbende worden aangemerkt, zoals ik hierna uiteen zal zetten.
3.12
Op grond van artikel 38 leden 4 en 5 Wzd kan de rechter zich laten voorlichten door, onder meer, de echtgenoot van een betrokkene.6.Volgens de wetsgeschiedenis is het doel van de voorlichting door derden het vergaren van informatie door de rechter om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de situatie van een betrokkene:7.
“Ingevolge het vierde lid laat de rechter zich zo mogelijk nog door andere personen voorlichten, te weten degene die de aanvraag tot een verzoek om rechterlijke machtiging heeft ingediend, de vertegenwoordiger van de cliënt, degene door wie de cliënt feitelijk wordt verzorgd, de zorgverantwoordelijke en de arts die de medische verklaring heeft afgelegd. Ook kan hij zich laten voorlichten door broers, zussen, ouders, kinderen, kleinkinderen of hun juridische partners, zoals een schoondochter of schoonzus, en kan hij deskundigen inroepen om een onderzoek te doen en te getuigen. De rechter krijgt hierdoor de mogelijkheid om voor zichzelf een zo compleet mogelijk beeld te schetsen met betrekking tot de situatie van de cliënt.”
3.13
Gelet op dit doel, is de procespositie van personen die de rechter voorlichten die van informant. De term ‘informant’ is geen wettelijke term. Het is de benaming in de praktijk voor degene wiens “verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn” (art. 799 lid 1 en art. 800 lid 2 Rv)8.en ook voor de persoon door wie de rechter zich op grond van artikel 38 Wzd laat voorlichten.9.
3.14
Iemand die als informant is aangemerkt, kan niet ook belanghebbende zijn.10.Informanten hebben de processuele positie van een belanghebbende en de daarmee corresponderende rechten, zoals hiervoor onder 3.8 uiteengezet, dus niet.11.De informant heeft bijvoorbeeld niet het recht om een verweerschrift in te dienen.
3.15
Artikel 38 leden 4 en 5 Wzd bevat geen aanknopingspunten over de wijze waarop de rechter zich kan laten voorlichten door de daar genoemde personen. Ook de wetsgeschiedenis bij deze bepaling maakt ons op dit punt niet wijzer. In de mij bekende praktijk hoort de rechter de echtgenoot van een betrokkene tijdens de mondelinge behandeling, indien deze ter zitting verschijnt. Deze praktijk is in lijn met artikel 800 lid 2 Rv, dat bepaalt dat de rechter kan bevelen dat degenen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen. Deze bepaling gaat uit van het mondeling horen ter zitting van de informant in zaken betreffende het personen- en familierecht anders dan scheidingszaken.
3.16
Ook artikel 41 lid 1 Wzd bevat geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de echtgenoot van een betrokkene een belanghebbende in de procedure van die betrokkene is. Het enkele feit dat de griffier ook aan de echtgenoot een afschrift van de beschikking inzake de rechterlijke machtiging dient te zenden, maakt de echtgenoot nog niet tot belanghebbende.
3.17
Ik keer terug bij het onderdeel.
3.18
Naar mijn oordeel falen de klachten.
3.19
De eerste klacht faalt, omdat de echtgenote wel informant, maar geen belanghebbende is in deze procedure en zij dus geen recht had tot het indienen van een verweerschrift (zie hiervoor onder 3.14). De rechtbank kon het verweerschrift van de echtgenote dus weigeren. Anders dan de klacht betoogt, kan het zijn van belanghebbende niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de echtgenote op grond van artikel 38 lid 5 Wzd in verbinding met artikel 25 lid 1 Wzd gehoord kan worden. Ook artikel 38 lid 9 Wzd en artikel 41 lid 1 Wzd bieden geen grondslag voor de opvatting dat de echtgenote als belanghebbende aangemerkt dient te worden. De in het middel aangevoerde belangrijke rol die de echtgenote in het leven van betrokkene speelt, maakt haar, gelet op het voorgaande, evenmin tot belanghebbende in deze procedure.
3.20
Voor zover de eerste klacht de subklacht bevat dat de procespositie van betrokkene geschaad is door het buiten beschouwing laten van het verweerschrift van zijn echtgenote,12.slaagt deze subklacht evenmin. Het recht op verweer van betrokkene vormt immers geen rechtvaardiging voor het indienen door de echtgenote van een verweerschrift namens betrokkene. Dat de rechtbank de echtgenote ter zitting de kans heeft gegeven om het woord te voeren en haar zienswijze te geven, strookt met haar procespositie als informant. Hetgeen zij heeft verklaard, is ook kenbaar meegewogen door de rechtbank.13.
3.21
Betrokkene had door tussenkomst van zijn advocaat zelf een verweerschrift in kunnen dienen. Overigens zou ook voor namens betrokkene ingediende stukken gelden dat de advocaat geen doorgeefluik is van een eigen relaas van de echtgenote. Indien de advocaat van betrokkene de zienswijze van de echtgenote schriftelijk in het verweer van betrokkene had willen betrekken, had de advocaat deze zienswijze zelf in een verweerschrift namens betrokkene moeten verwerken.Namens betrokkene is bovendien door zijn advocaat mondeling verweer gevoerd ter zitting. Als de advocaat van betrokkene had gemeend dat bepaalde aspecten uit het verweerschrift van de echtgenote relevant waren voor het verweer, was de mondelinge behandeling het moment om die aspecten onder de aandacht van de rechtbank te brengen, voor zover de advocaat dat al niet gedaan heeft.
3.22
Ook de tweede klacht faalt. Deze klacht richt zich tegen de motivering door de rechtbank van haar beslissing het verweerschrift te weigeren in r.o. 1.2. Omdat de echtgenote als informant geen verweerschrift mocht indienen, is de beslissing van de rechtbank om het verweerschrift te weigeren − zij het op andere gronden − juist. Hieruit volgt dat de rechtbank ook niet gehouden was te beoordelen of het verweerschrift voldeed aan de daaraan te stellen eisen. De tweede klacht richt zich tegen laatstgenoemde beoordeling. Uit het voorgaande volgt dat deze klacht, ook bij het eventuele slagen daarvan, niet tot cassatie kan leiden. De klacht faalt derhalve bij gebrek aan belang.
3.23
Naar aanleiding van de derde klacht kan aan betrokkene worden toegegeven dat de overweging van de rechtbank dat de advocaat van betrokkene kennelijk ook optreedt voor de echtgenote, onbegrijpelijk is. In het proces-verbaal is te lezen:
“Rechter:De rechtbank heeft via mr. Janssens een verweerschrift met veel bijlagen van [echtgenote] ontvangen. Treedt mr. Janssens namens haar op?
Mr. Janssens:
Nee. De vrouw van mijn cliënt heeft feitelijke informatie. Zij kan als belanghebbende en informant optreden.”
3.24
De advocaat van betrokkene heeft dus expliciet aangegeven de echtgenote van betrokkene niet in rechte te vertegenwoordigen. Dat maakt de overweging van de rechtbank onbegrijpelijk. Het betreft echter een niet voor de beslissing dragende overweging. Daarom kan de klacht niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 2: vereisten voor het verlenen van een rechterlijke machtiging
3.25
Het tweede onderdeel is gericht tegen de r.o. 4.1-4.4 van de bestreden beschikking en, blijkens de toelichting op dit onderdeel, ook tegen r.o. 4.5-4.6 (hiervoor geciteerd onder 2.8). Geklaagd wordt dat de rechtbank voorbijgaat aan het feit dat een vrijheidsberoving altijd een ultimum remedium moet zijn. De rechtbank meent dus ten onrechte dat voldaan is aan de criteria voor de verlening van de verzochte machtiging, dan wel heeft de rechtbank dit oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel. Geklaagd wordt dat de rechtbank de machtiging ten onrechte heeft verleend nu er nog onvoldoende gronden waren om dat te doen. Volgens het onderdeel had nader onderzoek door het Centrum voor Consultatie en Expertise (hierna: CCE) als deskundige kunnen of moeten plaatsvinden naar de noodzaak van een onvrijwillige opname alvorens de rechtbank tot deze beslissing zou kunnen komen. Ook in verband met het schenden van de volledigheids- en waarheidsplicht door het CIZ, wordt betoogd dat het uitermate belangrijk is dat de rechtbank door deskundigen wordt voorgelicht. Verder wordt betoogd dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank voor de beoordeling van de noodzaak naar een verlengingsprocedure verwijst, terwijl een en ander in de huidige procedure onderzocht had dienen te worden. In dit onderdeel wordt ook weer een aantal keren een beroep gedaan op het verweerschrift van de echtgenote.
3.26
De klachten van het onderdeel falen. Ze lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Daarbij is de kernvraag of aan de wettelijke criteria voor het verlenen van een machtiging is voldaan, dan wel dat eerst nader onderzoek gedaan had moeten worden naar de mogelijkheden tot afvlakking van de onrust dan wel het verzet van betrokkene.
3.27
Ik stel voorop dat ik goed begrijp dat betrokkene, en zijn echtgenote, er veel aan gelegen is dat hij zou kunnen blijven in de zorginstelling waar hij al ruim zeven jaar op vrijwillige basis woont. Boven deze procedure hangt de dreiging van een verhuizing naar een andere locatie. Ook de rechtbank onderkent in de bestreden beschikking het belang van betrokkene om in de hem vertrouwde zorginstelling te blijven wonen. In dat licht zie ik het – niet vrijblijvende − beroep dat de rechtbank op de zorgverleners van betrokkene doet de looptijd van de verleende machtiging te gebruiken om onderzoek te (laten) doen naar de mogelijkheden om het verzet van betrokkene zodanig te laten afnemen dat een terugkeer naar de zorginstelling mogelijk is (r.o. 4.5-4.6). Ook met de overweging over de schending door het CIZ van de volledigheids- en waarheidsplicht van artikel 21 Rv beoogt de rechtbank mijns inziens er blijk van te geven oog te hebben voor voornoemd belang van betrokkene (r.o. 4.1).
3.28
Dat de rechtbank het belang van betrokkene om in de zorginstelling te blijven wonen onderkent en daarbij vooruit kijkt, neemt niet weg dat de rechtbank naar de stand van zaken ten tijde van haar beoordeling had te onderzoeken of voldaan is aan de wettelijke eisen voor het verlenen van de machtiging.
3.29
Deze wettelijke eisen staan in artikel 24 Wzd. Lid 3 in verbinding met lid 1 van deze bepaling bepaalt dat de rechter een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname en verblijf of voorzetting van verblijf kan verlenen, indien naar het oordeel van de rechtera. het gedrag van een cliënt als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel;b. de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf noodzakelijk is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden;c. de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf geschikt is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden, end. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden.
3.30
Eerst stelt de rechtbank vast dat sprake is van Parkinsondementie en dat deze psychogeriatrische aandoening tot ernstige nadelen leidt (r.o. 4.2). Dat de rechtbank dit vaststelt, is niet onbegrijpelijk, gelet op de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting. Het in het verzoek gestelde ernstige nadeel is bij de rechtbank als zodanig niet door of namens betrokkene betwist. De discussie ter zitting spitste zich immers toe op de vraag of sprake is van verzet.Voor zover in de toelichting op het tweede onderdeel (procesinleiding, onder 2.1) beoogd is te klagen dat niet vaststaat dat de Parkinsondementie van betrokkene ernstig nadeel oplevert, slaagt deze klacht gelet op het voorgaande niet.
3.31
Vervolgens toetst de rechtbank in r.o. 4.3 of de opname − in een andere accommodatie − noodzakelijk en geschikt is om het ernstig nadeel te voorkomen, en of geen alternatieven mogelijk zijn. Volgens de rechtbank is aan deze wettelijke eisen voldaan. Daarbij onderkent de rechtbank de mogelijkheid, met de nodige begeleiding, van afvlakking van het verzet. Hierin ligt besloten dat de rechtbank van oordeel is dát op dit moment sprake is van verzet. In dit verband wordt in de bestreden beschikking hulp en advies en onderzoek door bijvoorbeeld het door de echtgenote genoemde CCE genoemd. De mogelijkheid om een organisatie als het CCE in te schakelen, zegt echter niets over de vraag of de rechtbank zich op dit moment moet laten inlichten door een deskundige. De rechtbank acht dat laatste kennelijk niet nodig, omdat zij weliswaar uit het verhandelde ter zitting afleidt dat het verzet deels te maken heeft met onrust door een dreigende verhuizing, maar vervolgens oordeelt dat het verzet voor een belangrijk deel voortkomt uit de aandoening van betrokkene.
3.32
In het oordeel van de rechtbank ligt besloten dat een onderzoek naar mogelijke afvlakking van verzet, eventueel met bijstand van een organisatie als het CCE, in dit geval niet kan worden afgewacht, gelet op de ernstige nadelen. De rechtbank overweegt in r.o. 4.3 − uitdrukkelijk beoordeeld naar “de huidige situatie” − dat het er feitelijk op neerkomt dat de zorginstelling betrokkene tegen zijn wil daar moet houden, waarvoor die instelling niet geschikt is en waartoe zij zonder rechterlijke machtiging ook de bevoegdheid niet heeft.
3.33
Gelet op het voorgaande is er ook geen sprake van dat de rechtbank voor de beoordeling van de wettelijke eis van noodzaak van de opname (art. 38 lid 3, onder b, Wzd), anders dan het middelonderdeel betoogt, heeft verwezen naar de verlengingsprocedure. Ook deze eis heeft zij onderzocht en beoordeeld naar de huidige stand van zaken. De rechtbank heeft dus wel alle criteria voor verlening van de verzochte machtiging in deze procedure beoordeeld.
3.34
Dat de echtgenote als informant de mogelijkheid van hulp van het CCE noemt, hoefde de rechtbank mijns inziens ook niet op te vatten als het opgeven door of namens betrokkene van het CCE als deskundige in de zin van artikel 38 lid 6 Wzd (zie immers hiervoor onder 3.20-3.21). Datzelfde geldt voor de volgende enkele opmerking van de advocaat van betrokkene aan het einde van de mondelinge behandeling “En het CCE is ook niet geprobeerd”.14.
3.35
Het beroep dat in dit onderdeel meermalen op het verweerschrift wordt gedaan, kan betrokkene in cassatie niet baten, nu hiervoor bleek dat de rechtbank dit terecht buiten beschouwing heeft gelaten.
3.36
Gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan het middelonderdeel klaagt, dus niet ten onrechte van oordeel dat voldaan is aan de criteria voor het verlenen van de verzochte machtiging en had zij ook niet eerst nader onderzoek moeten (laten) doen. De rechtbank was evenmin gehouden tot een nadere motivering van dit oordeel. Daarmee falen de klachten van onderdeel 2.
3.37
De slotsom luidt dat geen van de voorgestelde klachten slaagt en dat het cassatieberoep dus verworpen moet worden.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑07‑2025
Zie HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1079, NJ 2024/247 m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2024/121 m.nt. A.M.E. Derks, r.o. 3.5. Zie ook de conclusies van A-G De Bock van 2 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:113, onder 2.3-2.4 voor HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463, NJ 2018/268 m.nt. S.F.M. Wortmann en van 2 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:162, onder 2.7-2.8 voor HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488, NJ 2018/267 m.nt. S.F.M. Wortmann, PFR-Updates.nl 2018-0187 m.nt. B. Laterveer.
Dit was een bewuste keuze van de wetgever. Gemeend werd dat een begrenzing van het belanghebbendenbegrip in de wet niet vereist was. Zie Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3, p. 7, eerste alinea.
HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149 m.nt. J.M.M. Maeijer, r.o. 4.2.
Zie o.m. HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486 m.nt. J.M.M. Maeijer, r.o. 3.3.2.
Deze bepalingen blijven, met slechts enkele redactionele wijzigingen, staan in het consultatievoorstel Evaluatiewet Wvggz en Wzd, te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/evaluatiewetwvggzwzd/b1, waarvoor de internetconsultatie inmiddels is gesloten.
Kamerstukken II 2008-2009, 31 996, nr. 3, p. 70, toelichting bij toen nog art. 33 Wvggz dat uiteindelijk vernummerd zou worden tot art. 38 Wvggz.
Zie HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1079, NJ 2024/247 m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2024/121 m.nt. A.M.E. Derks, r.o. 3.8.
Zie bijv. rb. Amsterdam 25 juni 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3138. Zo ook aangeduid door voormalig A-G Langemeijer in zijn conclusie van 25 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1193, onder 2.4-2.9 (in het bijzonder 2.4 en 2.7 en voetnoten 5 en 12) voor HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1936. Op deze zaak was de Wet BOPZ nog van toepassing, maar de A-G blikt in zijn conclusie ook vooruit naar de Wvggz en Wzd en spreekt ook dan in dit verband over “informant”. Zie ook R.B.M. Keurentjes e.a. (red.), Sdu Commentaar Gedwongen Zorg, Den Haag: Sdu 2023, p. 718. Vgl. onder de BOPZ: W. Dijkers, SDU-Commentaar Gezondheidsrecht, art. 8 Wet Bopz, aant. C.4.2 (publicatiedatum: 24 oktober 2017).
Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 9. Zie tevens S.F.M. Wortmann, Familieprocesrecht. In: FJR 1995 3/4, p. 56. Zo ook A-G De Bock in haar conclusie van 2 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:113, onder 2.6 voor HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463, NJ 2018/268, m.nt. S.F.M. Wortmann en in haar conclusie van 2 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:162, onder 2.26 voor HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488, NJ 2018/267 m.nt. S.F.M. Wortmann, PFR-Updates.nl 2018-0187 m.nt. B. Laterveer.
Zie HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1079, NJ 2024/247 m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2024/121 m.nt. A.M.E. Derks, r.o. 3.5 en 3.8. Zie ook de conclusie van A-G De Bock van 2 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:113, onder 2.3-2.4 en 2.6-2.7 voor HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463, NJ 2018/268 m.nt. S.F.M. Wortmann en in haar conclusie van 2 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:162, onder 2.7-2.8 en 2.26-2.27 voor HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488, NJ 2018/267 m.nt. S.F.M. Wortmann, PFR-Updates.nl 2018-0187 m.nt. B. Laterveer.
Aanwijzingen hiervoor zijn de volgende zinsneden in de procesinleiding, onder 1.2: “Er wordt namens verzoeker uitgebreid verweer gevoerd” en “Als de echtgenote die als belanghebbende dient te worden beschouwd, een uitgebreid schriftelijk verweerschrift maakt, is er naar de mening van verzoeker geen enkele reden om dat niet namens de verdediging als ingediend te beschouwen (…). ”.
Zie in het bijzonder r.o. 3.2, 4.1 en 4.3 van de bestreden beschikking.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 juli 2024, p. 6.
Beroepschrift 25‑09‑2024
Procesinleiding in verzoekschriftzaak met betrekking tot de Wzd
Geeft eerbiedig te kennen
[betrokkene], wonende te [woonplaats], te dezer zake in Den Haag woonplaats kiezende aan de Riouwstraat 131, ten kantore van de advocate bij de hoge raad der Nederlanden mr. G.E.M. Later, die door verzoeker als zodanig wordt aangewezen om voor hem in dit rechtsgeding op te treden en voor verzoeker deze procesinleiding ondertekent en indient;
- 1.
Bij beschikking van 1 augustus 2024 onder nummer C/16/578133/FV RK 24-1676 heeft de rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf verleend tot en met 1 februari 2025 zoals bedoeld in artikel 24 e.v. van de Wet zorg en dwang. Die beschikking met het verzoek van het CIZ van 11 juli 2024 met het CIZ-overzicht aanvraag van 8 juli 2024, medische verklaring van [specialist ouderengeneeskunde] specialist ouderengeneeskunde van 27 juni 2024, zorgspectrum van 15 maart 2017, zorgplan dat geldig is van 1 juli 2024 tot en met 14 augustus 2024, indicatiebesluit van 24 april 2017, machtiging voor mevrouw [betrokkene 1] van 1 december 2023, e-mail van de advocate van verzoeker mr. W.B. Janssens van 24 juli 2024 met verweerschrift van de echtgenote van verzoeker mevrouw [de echtgenote] met het dossier uit de periode van 28 december 2023 tot en met 20 juni 2024 waarin geel gemaakt waar het om gaat, verslagen van de arts vanaf het moment verhoging Sinemed in 2023 (bijlage 1b), Excel-bestand over de frequentie van het signaleren van onrust en het naar buiten gaan (bijlage 2) en een artikel van een soortgelijk geval waar men de problemen analyseerde en hoe men het kon oplossen (bijlage 3) alsmede het proces-verbaal van de zitting van 31 juli 2024 legt verzoeker hierbij over.
- 2.
Verweerder is het Centrum Indicatiecentrum Zorg (CIZ), gevestigd aan de Orteliuslaan 1000, 3528 BD Utrecht (postbus 2891, 3500 GW Utrecht);
- 3.
Als belanghebbende dient te worden aangemerkt de echtgenote van verzoeker [de echtgenote], wonende aan de [a-straat 1], [postcode] [a-plaats];
- 4.
Verzoeker kan zich met de onderhavige beschikking van 1 augustus 2024 niet verenigen en stelt daarvan bij deze — derhalve tijdig — beroep in kassatie in onder aanvoering van het navolgende:
Middel van kassatie
Schending van het recht althans verzuim van vormen waarvan niet inachtneming nietigheid medebrengt, aangezien de rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht, ten aanzien van het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging van het CIZ van 11 juli 2024 heeft overwogen zoals in de beschikking van 1 augustus 2024 staat vermeld en heeft beslist zoals in de beschikking staat beschreven, welke overwegingen en beslissingen als hier herhaald en overgenomen dienen te worden beschouwd, zulks ten onrechte om de navolgende redenen.
I.
Naar uit de bestreden beschikking blijkt heeft de rechtbank sub 1.2, overwogen:
‘…1.2.
Mr. Janssens heeft op 24 juli 2024 een e-mailbericht met bijlage aan de rechtbank (niet aan het CIZ) gestuurd. Die bijlage is een verweerschrift met producties (een ervan beslaat 146 pagina's) van [de echtgenote], [betrokkene]s echtgenote. Kennelijk treedt mr. Jansssens ook voor haar op. Dit verweerschrift betreft een zeer uitvoerige (juridische) zienswijze op de zaak door die echtgenote, terwijl het aan haar advocaat is om als haar procesvertegenwoordiger (in haar processtukken) een duidelijke en rechtens relevante uiteenzetting van de zienswijze van de echtgenote te geven.
Daar komt bij dat in dat verweerschrift niet concreet naar bepaalde passages in de (omvangrijke) producties wordt verwezen, terwijl een partij die een beroep wil doen op feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij (hier: het CIZ) duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren (zie o.m. HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810).
De rechtbank heeft dit verweerschrift inclusief producties dan ook buiten beschouwing gelaten; het maakt geen deel uit van de processtukken… ’.
Toelichting
1.1. Belanghebbende echtgenote
In artikel 25 lid 1 Wzd wordt aangegeven welke personen het CIZ kunnen vragen een verzoek in te dienen om een rechterlijke machtiging, als bedoeld in artikel 24, eerste lid Wzd. Één van vijf genoemde personen betreft de echtgenoot. Dat betekent dat de echtgenoot belanghebbende is in dit soort zaken en dus ook moet kunnen reageren op een verzoek van één van de andere genoemde personen. Uit de begeleidende brief van 11 juli 2024 blijkt dat het CIZ de aanvrager van het verzoek om een rechterlijke machtiging op de hoogte heeft gebracht van de indiening van dit verzoekschrift. In die begeleidende brief wordt de eerste belanghebbende als bedoeld in artikel 25 lid 1 onder a Wzd, de echtgenote van verzoeker, niet genoemd.
Uit het overzicht van de aanvraag blijkt dat het contact telefoonnummer het nummer is van verzoekers echtgenote die ook direct daaronder wordt genoemd met alle gegevens. De rol van de echtgenote blijkt uit het zorgplan. Op pagina 6 staat vermeld dat zij hem elke zondag een paar uurtjes mee naar huis neemt, dat zij extra boodschappen meeneemt zoals fruit, verzorgingsproducten en dat zij meegaat naar ziekenhuisbezoeken. Zij leest bijvoorbeeld ook een nieuw zorgplan door voordat verzoeker het tekent. Hij videobelt met zijn vrouw en familie volgens afspraak. Met betrekking tot de veiligheid wordt bij onrust of dwalen met de echtgenote gebeld en die kan hem telefonisch toespreken om weer mee naar binnen te gaan. De rol van echtgenote is dus behoorlijk, hetwelk natuurlijk ook rechtvaardigt dat ze reageert op het verzoek van het CIZ dat niet naar haar is toegestuurd blijkens het verzoek. De echtgenote is dus zoals uit de stukken blijkt dagelijks bij verzoeker betrokken.
De advocate van verzoeker heeft laten weten per e-mail op 24 juli 2024 aan de rechtbank dat de echtgenote gehoord wenst te worden betreffende het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging. De advocate geeft reeds door dat verzoekers echtgenote vraagt om op het verzoek afwijzend te beslissen en op voorhand wordt een gemotiveerd verweerschrift ingediend met bijlagen met het verzoek dit onderdeel te laten uitmaken van de procedure en van de beslissing daarin. Deze stukken zullen ook ingediend worden bij de arts ouderengeneeskunde, naar mag worden aangenomen [arts ouderengeneeskunde], die ook in de overzicht aanvraag van het CIZ voorkomt.
1.2. Verweer
Er worden stukken ingediend door een verzoekende instantie op 11 juli 2024. Op 24 juli 2024 wordt daar schriftelijk op gereageerd zoals blijkt uit de stukken die verzoekers advocaat aan de rechtbank heeft doen toekomen. Die stukken maken vanaf dat moment onderdeel van het dossier uit en hadden door de rechtbank ook aan wederpartij, het CIZ gezonden kunnen c.q. moeten worden. Een week later, te weten op 31 juli 2024, wordt het verzoek behandeld en zou dus ook wat eerder is ingediend door de advocaat daarbij betrokken moeten zijn.
De rechtbank wijst voor het buiten beschouwing laten van deze stukken naar de beslissing van uw hoge raad van 8 januari 1999 NJ1999 nr. 342. Die procedure betreft een echtscheidingsprocedure waarin kennelijk processtukken uit een andere procedure worden overgelegd. De zaak is niet te vergelijken naar de mening van verzoeker met de zaak van hem. Er wordt namens verzoeker uitgebreid verweer gevoerd. In het verweerschrift staat vermeld dat alle van belang zijnde punten in de bijlage geel zijn gemaakt. Het gaat om bewijs met betrekking tot de vraag of er redenen zijn verzoeker naar een andere inrichting te verplaatsen via een rechterlijke machtiging waardoor hij zijn mooie woonkamer met keukenblok en aparte slaapkamer en eigen sanitair waar hij al zeven jaar verblijft, moet gaan inruilen voor een kleine kamer op een plek die hij niet kent1.. De redenen die worden aangevoerd voor deze rechterlijke machtiging worden feitelijk onder vraagteken gezet omdat er te weinig werkelijke problemen zijn die een dergelijke maatregel als een beslissing tot een rechterlijke machtiging rechtvaardigen. In het verweerschrift wordt volledig concreet naar passages verwezen in de producties. In het verweerschrift staat bijvoorbeeld op pagina 5:
‘…Ik heb bewust het hele dossier overgelegd om niet zelf een selectie te maken die in het ‘voordeel’ van mijn man pleit. Vanwege de omgang heb ik geel gemaakt waar het om gaat en ook separaat een Excel-bestand (Bijlage 2) gemaakt die (de frequentie van) het signaleren van onrust en het naar buiten gaan weergeeft…’.
Zij maakt duidelijk in het verweerschrift dat er feitelijk geen sprake van verzet is, ten aanzien van het verblijf in [de zorginstelling], waar verzoeker al zeven jaar verblijft.
Door dit verweerschrift inclusief producties buiten beschouwing te laten heeft de rechtbank in strijd gehandeld met het eerlijk procesbeginsel als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Het is ook in strijd met de rol die aan de echtgenote is toebedeeld gelet op artikel 25 lid 1 Wzd jo. artikel 38 lid 5 en artikel 38 lid 9 Wzd jo. artikel 41 lid 1 Wzd. De rechtbank heeft ook een beslissing genomen met betrekking tot vrijheidsbeneming die in strijd is met artikel 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat bij een dergelijke beslissing voor betrokkene geen verweer gevoerd zou mogen worden. Als de echtgenote die als belanghebbende dient te worden beschouwd, een uitgebreid schriftelijk verweerschrift maakt, is er naar de mening van verzoeker geen enkele reden om dat niet namens de verdediging als ingediend te beschouwen, nu verzoekers advocate dat stuk ruim voor de zitting heeft ingediend.
In de beschikking wordt gezegd dat kennelijk mr. Janssens ook voor de echtgenote van verzoeker opkomt. Naar de mening van verzoeker is dit een volstrekt onbegrijpelijke overweging. Natuurlijk wil een advocaat graag uitgebreide feitelijke informatie over de situatie hebben van haar cliënt die bedreigd wordt uit het verpleeghuis te worden gehaald en naar een situatie te worden gebracht die enorm stressvol voor hem kan zijn en risico's voor zijn gezondheid met zich meebrengt. Verzoekers echtgenote heeft mede ook gelet op artikel 8 EVRM en artikel 3 EVRM alle reden om daar in de procedure die moet leiden tot een beslissing van de rechtbank alles aan te voeren wat van belang is voor de positie van verzoeker.
II.
Naar uit de bestreden beschikking blijkt heeft de rechtbank sub 4.1. tot en met 4.4. het volgende overwogen.
‘…4.1.
De rechtbank stelt voorop dat partijen op grond van artikel 21 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, kort gezegd, gehouden zijn de rechter volledig en naar waarheid te informeren. In zijn rekest zegt het CIZ terloops dat [betrokkene] in [de zorginstelling] verblijft, terwijl hij daar al ruim zeven jaar vrijwillig woont. Verder doet het CIZ voorkomen alsof het al dan niet thuis kunnen wonen een punt van discussie is, terwijl het voor alle betrokkenen duidelijk is dat dat allang een gepasseerd station is; waar het om gaat, is of [betrokkene] in [de zorginstelling] kan blijven. Tot slot wekt het CIZ de indruk dat [betrokkene] niet in [de zorginstelling] wil wonen, terwijl uit de toelichting door [betrokkene] en de behandelaren blijkt dat zijn onrust en verzet (mede) te maken hebben met de dreigende verhuizing. Navraag had het CIZ dit kunnen leren. Zodoende geeft het CIZ een onjuist en onvolledig beeld van de situatie. Dat vindt de rechtbank kwalijk.
4.2.
Dit gezegd hebbende, niet in geschil is van dat [betrokkene] lijdt aan Parkinsondementie en dat deze aandoening tot ernstig nadelen leidt. Die bestaan in elke geval uit het risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
Evenmin is in geschil dat [betrokkene] vanwege zijn ziekte blijvend aangewezen is op zorg.
4.3.
Wat wel ter discussie staat, is of de opname en het verblijf in een andere accommodatie dan [de zorginstelling] (lees: overplaatsing) noodzakelijk en geschikt zijn om genoemde nadelen te voorkomen. De rechtbank is daarover van oordeel dat er op dit moment geen alternatieven zijn. Uit dat wat er tijdens de zitting is gezegd, leidt zij af dat [betrokkene]s verzet deels te maken heeft met onrust over de dreigende overplaatsing, maar voor een belangrijk deel ook voortvloeit uit het grillige verloop van Parkinsondementie, welke ziekte kennelijk anders pleegt te verlopen dan andere vormen van dementie. Feitelijke komt de huidige situatie erop neer dat [de zorginstelling] [betrokkene] tegen zijn wil daar moet houden, maar daarvoor is die instelling niet geschikt. Bovendien heeft zij die bevoegdheid niet zonder rechterlijke machtiging.
Dat neemt niet weg dat de rechtbank er vooralsnog niet van overtuigd is dat het verzet met de nodige begeleiding zodanig kan afvlakken dat er uiteindelijk onder de streep geen sprake meer is van rechtens relevant verzet. In dit licht vindt de rechtbank het belangrijk dat het verweer van [betrokkene]-van den Berg, inhoudend dat het CCE voor hulp en advies kan zorgen, niet weersproken is. Dit geeft op zijn minst het vermoeden dat afname van [betrokkene]s onrust, althans zijn verzet, tot de mogelijkheden behoort.
4.4.
Al het voorgaande leidt ertoe dat op dit moment voldaan is aan de criteria voor de verlening van de gevraagd machtiging. De rechtbank zal de machtiging verlenen voor de gevraagd duur van zes maanden. … ’.
Waardoor de rechtbank voorbij gaat aan het feit dat een vrijheidsberoving altijd ultimum remedium moet zijn en dus ten onrechte meent dat voldaan is aan de criteria voor de verlening van de gevraagde machtiging waarbij wat zijn echtgenote in het verweerschrift met de bijlagen naar voren heeft gebracht mede reden had kunnen c.q. moeten zijn om tot een andere beslissing te komen, althans heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat aan de criteria zou zijn voldaan.
Toelichting
2.1. Onjuiste en onvolledige voorlichting door het CIZ
In sub 4.1. maakt de rechtbank duidelijk dat zij vindt dat het CIZ een onjuist en onvolledig beeld van de situatie heeft gegeven en dat kwalijk vindt. Maar niet kan gezien worden dat de rechtbank daar vervolgens met deze kritiek iets doet.
Integendeel, gelet op het gestelde sub 4.2. gaat de rechtbank er van uit dat verzoeker aan Parkinsondementie lijdt hetwelk per definitie ernstig nadeel zal opleveren. Of dat zo is en of het nu relevant is , is de vraag nu die diagnose al gesteld is voor de opname van verzoeker in [de zorginstelling], zeven jaar geleden. De ernst van een Parkinsondementie kan een ernstig nadeel opleveren. Of dit hier het geval is, staat volgens verzoeker helemaal niet vast. Ook de opmerking sub 4.3. dat het verzet deels te maken zou hebben met onrust over de dreigende overplaatsing maar voor een belangrijk deel ook voortvloeit uit het grillige verloop van Parkinsondementie, welke ziekte volgens de rechtbank kennelijk anders pleegt te verlopen dan andere vormen van dementie laat zien dat het uitermate belangrijk is dat de rechtbank door deskundigen wordt voorgelicht.
De instelling moet overigens eerst onderzoeken — gelet op de inspanningsverplichting die vermeld staat in artikel 9.1. Wzd — de mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid om daarmee onvrijwillige zorg zoveel mogelijk te voorkomen. Uit het verweerschrift van verzoekers echtgenote blijkt uitgebreid wat er aan de hand is, maar dat heeft de rechtbank zoals sub 1 al aangevoerd buiten beschouwing willen laten. Ten onrechte dus.
2.2. Ultimum remedium
Vrijheidsberoving moet altijd ultimum remedium zijn. Het is des te belangrijker als het om zieke personen gaat waarbij verplaatsing ernstige medische gevolgen kan hebben. Als de rechtbank van belang vindt de niet weersproken stelling dat het CCE voor hulp en advies kan zorgen en dat dat op zijn minst het vermoeden geeft dat afname van de onrust van verzoeker althans zijn verzet tot de mogelijkheden behoort, had de rechtbank het verzoek moeten afwijzen. De rechtbank overweegt echter sub 4.5:
‘…De rechtbank verwacht dat deze periode ook gebruikt zal worden om deugdelijk en verifieerbaar te onderzoeken, zo nodig met inschakeling van het CCE of een soortgelijke organisatie, of er mogelijkheden zijn (bijvoorbeeld, doch niet daartoe beperkt, door een andere bejegening, aanpassing van medicatie, technische en/of organisatorische wijzigingen) [betrokkene]s verzet zodanig te laten afnemen, dat een terugkeer naar [de zorginstelling] mogelijk is…’.
Waarna de rechtbank sub 4.6. overweegt:
‘…Het voorgaande is niet vrijblijvend. Mocht het CIZ te zijner tijd een nieuwe machtiging vragen, dan zal de rechtbank namelijk duidelijkheid willen hebben over de inspanningen die zijn verricht alsmede over de aard en uitkomst van dat onderzoek…’.
Als de rechtbank het verweer met de bijlagen wel bij de beoordeling betrokken had, had de rechtbank daar veel uit kunnen halen voor de conclusie tot afwijzing van het verzoek op dat moment. Zie bijvoorbeeld pagina 5 en de bijlagen.
2.3. Inschakelen van een deskundige als bedoeld in artikel 38 lid 6 Wzd
De rechtbank spreekt dus over onderzoek naar andere bejegening, aanpassing van medicatie, technische en/of organisatorische wijzigingen en noemt het CCE of een soortgelijke organisatie die zou kunnen worden ingeschakeld. Onbegrijpelijk is waarom de rechtbank niet zelf bepaald heeft dat het CCE zich moet uitlaten over dit verzoek voordat die rechterlijke machtiging is verleend, met name gelet op de kwetsbaarheid van verzoeker waardoor een overplaatsing enorme consequenties kan hebben. Als niet vast staat dat er geen mogelijkheden meer zijn voor verblijf in het verpleeghuis waar verzoeker als zeven jaar verblijft, dan komt pas de rechterlijke machtiging aan de orde. Maar het onderzoek waar de rechtbank over spreekt naar andere bejegening, aanpassing van medicatie, technische en/of organisatorische wijzigingen en het inschakelen van het CCE zou dan eerst geprobeerd moeten worden. De rechtbank geeft immers aan dat wat de echtgenote van verzoeker heeft aangevoerd niet weersproken is en dat dit op zijn minst het vermoeden geeft dat afname van onrust van verzoeker althans zijn verzet tot de mogelijkheden behoort.
Gelet hierop meent verzoeker dat ten onrechte de machtiging is verleend nu er nog onvoldoende gronden waren om dat te doen en nader onderzoek had kunnen c.q. moeten plaatsvinden naar de noodzaak voordat de rechter tot deze beslissing zou kunnen komen. Het gaat hier immers wel om een vrijheidsberoving als bedoeld in artikel 5 lid 1 aanhef en onder e EVRM en het gaat ook over de vraag of er sprake zou kunnen zijn van een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Het is toch een feit van algemene bekendheid dat verplaatsing van dementerenden enorme consequenties kan hebben voor het leven van de betrokkene.
Gelet hierop is het onbegrijpelijk dat de rechtbank voor de beoordeling van de noodzaak naar een verlengingsprocedure verwijst terwijl een en ander in de huidige procedure onderzocht had dienen te worden.
Dat verzoeker meent dat op grond van het bovenstaande de beschikking voor vernietiging in aanmerking komt;
Dat verzoeker procedeert onder toevoeging 3MM6312 d.d. 31 augustus 2024, welke toevoeging hij zal overleggen;
Weshalve
Het de hoge raad der Nederlanden moge behagen te vernietigen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht van 1 augustus 2024 met zodanige beschikking als uw hoge raad in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 25 september 2024
mr. G.E.M. Later, advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑09‑2024
Hij is overgeplaatst naar het Biltse Hof en heeft een kamer van ca. 13m2.